Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Paddington-traan

paddington2Vandaag ben ik naar de film geweest met twee dochters en twee nichtjes. Ze hadden Paddington 2 gekozen. Het was heerlijk om op een stormachtige middag in de kerstvakantie naar een grappige en avontuurlijke film, met in de hoofdrol een hartveroverend schattig beertje, te kijken. En toen gebeurde er helemaal aan het einde van de film nog iets verrassend. Na een heel avontuur vol grappige, spannende en ontroerende momenten, rolde er tot mijn eigen verbazing een klein traantje over mijn gezicht.

De ontknoping van de film is een voorspelbaar en licht sentimenteel happy end, waar hedendaagse familiefilms in grossieren. En toch pakte het mij. Ik schaam mij niet zo snel voor tranen, ook niet als ze komen tijdens een film. Maar nu leek de traan ongepast, omdat ik naar een voorspelbare feelgood animatiefilm zat te kijken (en niet naar een diepzinnig en ernstig epos als de Lord of the Rings of een film die je meeneemt in het pijnlijke drama van het leven).

Ik zag een gang vol met gelukkige mensen die vol verwachting naar de voordeur staan te kijken. Er is zojuist aangebeld en Paddington loopt ongelovig naar de deur voor de ontmoeting waardoor alle avonturen, angsten en kleerscheuren van de afgelopen anderhalf uur het waard zijn geweest en waarin alles wat goed en mooi is tot een goed einde komt. En dat riep een traan tevoorschijn.

Wat was dit voor traan? Waarom huil je bij het zien van iets dat goed en mooi is? Zegt die Paddington-traan iets over mijn verlangen dat het goede het in the end wint en dat het leven en de liefde toch sterker zijn dan de leugen en het kwade? En is deze traan een teken van God? De Amerikaanse schrijver Frederick Buechner zegt dat je heel opmerkzaam moet zijn op je tranen, vooral als ze onverwachts komen. ‘Ze vertellen je niet alleen iets over het geheim van wie jij bent, maar vaker wel dan niet spreekt God door hen tot je over het geheim waar je vandaan komt en roept Hij je naar waar je, wil je ziel gered worden, nu naartoe zal moeten gaan.’

Een traan als stem van God, die zegt dat we van het geheim van goedheid en liefde vandaan komen en we — als we onze ziel en ons leven willen redden — naar die goedheid en liefde moeten terugkeren en daarin dieper en verder moeten gaan. Het was nog niet bij mij opgekomen dat zo’n schattig beertje zoiets kon zeggen.

Citaat: Frederick Buechner, Whistling in the dark (Harper, San Francisco) blz. 117.

Schudden met de Bijbel

De laatste jaren mag de Bijbel zich verheugen in toenemende belangstelling van ongelovigen. Guus Kuijer is al toe aan zijn zesde deel van de succesvolle reeks hervertellingen van het Oude Testament onder de naam ‘De Bijbel voor ongelovigen’ en zelfs Dimitri Verhulst waagde zich aan een bijbelvertelling met ‘Bloedboek’. Ook in het theater staat de Bijbel regelmatig in de spotlights. Deze aandacht voor het woord van God in zogenaamd goddeloze tijden laat zien hoezeer de Bijbel een klassieker van de Westerse cultuur en een oerboek van de menselijke ziel is.

skagenOndanks deze culturele belangstelling komt de Bijbel in de vele publieke discussies en gesprekken over religie en geloven vandaag weinig aan het woord. Dat viel me op toen ik een tijd terug de voorstelling ‘Uw rijk kome’ van theatergezelschap SKaGeN bezocht — een stuk waarin een kardinaal en atheïstische officier van justitie een breedsprakig gevecht voeren over God en godsdienst (en met zichzelf). Hoewel de titel van het stuk met een citaat uit het Onze Vader een bijbelse verwachting schept, kreeg de Bijbel zelf weinig ruimte. Grote ethische thema’s als homoseksualiteit en euthanasie en de maatschappelijke aandacht voor de islam domineerden het toneel en de discussie. Zoals dat meestal gaat in het publieke debat vandaag.

Er was echter een moment dat de Bijbel even het verbale geweld onderbrak toen de kardinaal zijn Bijbel nam en begon te ‘schudden met de Bijbel’. Het was een variant op het raadplegen van een orakel, waarbij mensen uit bijgeloof of grote nood een goddelijke boodschap zoeken in een bijbeltekst die wordt getrokken of toevallig geprikt. De kardinaal schudde de Bijbel boven zijn hoofd, liet het boek op een willekeurige plaats openvallen en vond een paar woorden uit het laatste bijbelboek Openbaring: ‘Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.’ (3,20)

Deze woorden hadden een verrassende uitwerking. Ze braken het debat van de grote woorden en scherpe stellingen open door een laag dieper te gaan — naar het hart, de ziel, de existentiële laag of hoe je dat ook noemt. Dit humoristische en tegelijk zo knappe bijbelse uitstapje in het toneelstuk was voor mij een mooi voorbeeld van hoe de Bijbel een stem kan zijn die kritisch en troostend tussenbeide komt. Opeens voegde zich een derde stem in het gesprek die voorzichtig de vinger legde bij de dingen die deze twee rationeel argumenterende heren over het hoofd zagen of niet durfden benoemen: hun overdadig consumeren en verspillen van voedsel, zonder dat ze samen de maaltijd hielden, en hun verleden en eenzaamheid die tijdens het debat (ook letterlijk) aan de deur klopten. Hier dook in een uitnodigende bijbelse vraag om binnen te mogen komen een ander op, die deze twee personages (en ons allemaal) in onze kwetsbaarheid en worsteling als mens aansprak.

De Bijbel is blijkbaar meer dan alleen een klassiek boek van onze cultuur en het geloofsboek van de christelijke gelovigen. Het is ook een existentieel boek met woorden die zoeken om binnen te komen, onder de oppervlakte en de buitenkant naar wie je als mens bent, echt en kwetsbaar. Dat lijkt me een verbindende kracht van dit heilige boek. Mensen — wie ze ook zijn — aanspreken om de deur van hun bestaan en hun ziel open te doen. Zoals een goed boek en een rake film dat ook doen. De Bijbel wordt in de praktijk vaak ervaren als een boek dat scheiding brengt tussen mensen en eerder conflict en tegenspraak dan verbinding tot gevolg heeft. Maar het kan dus ook anders, als woorden van dit boek mensen aanspreken als mens. Zulke woorden heeft dit boek genoeg: verhalen, gedichten, geboden en verhandelingen die de vinger leggen bij onze kwetsbaarheid voor het kwaad, de dood en de leegte en ons troosten en oproepen tot een even kwetsbaar leven van goedheid en overgave. Even schudden aan dit boek is genoeg.

Boze burger bij de brug

Ik ben eindelijk een boze burger tegengekomen! In levende lijve stond hij (het was een mannelijke boze burger) samen met mij te wachten voor de Willemsbrug, die traag open ging. Ik kende de boze burger van het internet, waar hij frustratie en boosheid spuwt en scheldt, en ook van horen zeggen in de analyses van de samenleving. Maar nu zag ik dat geheimzinnige, bijna mythische wezen met eigen ogen op een grijze Amsterdamse morgen.

WillemsbrugHij zag er heel gewoon uit met een spijkerbroek en donkere jas aan. Net als ik stond hij op de fiets te wachten voor de open brug. Pas toen hij zachte, maar hoorbare geluiden van ongeduld begon te maken, herkende ik hem. De brug stond al een tijdje open en er kwam maar geen schip aan varen. Waarom stonden wij dan hier te wachten voor een open brug? Er verscheen een bootje van een of andere havendienst, maar dat was zo klein dat het gemakkelijk onder de brug door kon. De boze burger maakte meer en iets luidere geluiden van ongenoegen en het leek erop dat hij een gesprek met de andere slachtoffers zou beginnen. Ik verwachte een boze stem die op gefrustreerde toon lotgenoten zou zoeken. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiele telefoon en begon een filmopname te maken: langzaam draaide hij zijn telefoon van links via de open brug naar rechts, waar het havenbootje nog steeds stil lag te niksen. Op het moment dat hij zijn telefoon opborg, begon het brugdek weer te zakken.

De kans is groot dat de boze burger, aangekomen op zijn werk of thuis, het filmpje via sociale media heeft gedeeld met de boze en cynische opmerking: ‘Lekker wachten voor een boot die niet komt. #tijdgenoegzeker #tijdvooreenbrilbrugwachter.’ Of misschien heeft hij het ook naar de klantendienst van Waternet, dat de bruggen beheert, gestuurd met de vraag om uitleg en schadevergoeding.

Al kijkend naar de boze burger voelde ik overigens dezelfde emoties. Ik was op weg naar een vergadering en had haast, omdat ik te laat was vertrokken. Ongeduldig stond ik te wachten voor die open brug. En het uitblijven van een boot, maakte mij ook boos. Waarom sta ik hier voor niets te wachten? Ik heb wel wat beters te doen dan naar een brugdek en leeg water te kijken.

Achteraf denk ik: de boze burger en ik kunnen wel wat geduld gebruiken. En daarbij een beetje meer mildheid, humor en genade. En misschien zouden we elkaar dan een knipoog geven, goedemorgen wensen of een gesprekje beginnen over de teksten die op de onderkant van het brugdek staan. ‘Wat weten we van elkaar?’ staat er onder andere. Dat zou een leuk gesprek kunnen worden …

Afscheid van een burgervader

Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

Herdenkingsdienst Eberhard van der LaanDat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent.

Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen.

Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.

De aria’s van de schroothandelaars

schrootautoHerman van Veen zingt in zijn lied Hilversum III: ‘Alle venters hadden eigen aria’s: voor sprot en haring, voor begonia’s.’ Toen al — in 1984 — was de zingende mens uit het straatbeeld verdwenen. Daar is nog geen verandering in gekomen, maar er blijft één hardnekkige uitzondering in de Antwerpse straten: de Vlaamse schroothandelaars die oude metalen komen ophalen. Uit de megafoons, die ze op hun wagens hebben geïnstalleerd, schalt hun eigen aria. Ergens tussen trage rap en zangerig Gregoriaans klinkt hun eeuwig zich herhalend refrein: ‘Oud ijzer, lood, koper, zink, platte batteries en oude stoven’ — al is een variant met ‘oude wrakken van auto’s’ of een licht gewijzigde volgorde ook mogelijk.

Onlangs hoorde ik weer zo’n oud ijzer-wagen met een blikkerige zangstem door de straat rijden. Deze keer eindigde de aria met een langgerekt ‘ou-we stoa-ven’ (oude stoven). Het klonk vertrouwd, als het trage psalmgezang uit mijn jeugd. Ik heb er vaker wonderlijke associaties bij gehad. De allereerste keer dat zo’n aria mijn oor bereikte — het geluid kwam van ver en ik was nog onbekend met plat Antwerps — kon ik het helemaal niet thuisbrengen. De enige gedachte die bovenkwam was die aan een islamitische muezzin die vanaf een minaret Antwerpen opriep tot het gebed. Ooit had de muezzin van een moskee op de Olijfberg, nabij Jeruzalem, mij ’s nachts regelmatig wakker geroepen in zijn zangerig Arabisch dat veel te luid door de nacht schalde. Even dacht ik dit geluid weer te herkennen. Maar het bleek dus de stem van een van de leden van het Antwerps schroothandelaarsgilde te zijn.

Ik ben van die aria’s in plat Antwerps gaan houden. Ze zijn de laatste restanten van het zingen op straat in tijden van mp3’s, oortjes en bouwradio’s. Bovendien vertellen zij over een goed en nobel werk voor de samenleving en de aarde: recycleren. En ze herinneren me aan Christus. De dichter Gerrit Achterberg noemt Christus in het gedicht ‘Deïsme’, waarin hij de mens ziet als een door God achteloos in de berm gegooid leeg benzinevat, een ‘koopman in oudroest’. Wanneer het zangerig ‘Oud ijzer, koper, lood en zink’ weer in de straat klinkt, krijg ik even een beeld van die koopman in oudroest die mij vindt en komt ophalen voor een tweede, nieuw bestaan.

‘Christus acteert op tienduizend plekken’, zo heeft een andere dichter, Gerard Manley Hopkins, de aanwezigheid van Christus ervaren en proberen onder woorden te brengen (in het gedicht ‘As Kingfishers Catch Fire’). Hij duikt overal op en speelt op de meest wonderlijke plekken. Nederig acteert Hij in de stemmen van de schroothandelaars in mijn straat als de koopman in oudroest — de rol die Hem misschien wel het meest ligt.

Bidden met Mumford & Sons

voeten-1Tijdens de kennismaking van het groepje mensen dat zich een paar jaar terug op hun geloofsbelijdenis voorbereidde, ging het ook even over onze favoriete muziek. Daarbij viel de naam van de Britse band Mumford and Sons. Ik had nog nooit van hen gehoord, maar de naam bleef in mijn hoofd hangen.

Een tijdje later zocht ik in de bibliotheek tussen de cd’s en nam een cd van deze band mee naar huis. Ik was snel verkocht en ben een liefhebber geworden van deze stevige folkmuziek in combinatie met de poëtische en diepzinnige teksten vol bijbelse echo’s. Dat laatste hoeft niet te verbazen, als je weet dat frontman Marcus Mumford de zoon is van voorgangers in de Britse Vineyard-kerk. Mumford noemt zijn geloof niet duidelijk, maar ‘werk in uitvoering’ en de band wenst zich verre te houden van het label ‘christelijk’. Dat neemt echter niet weg dat hun songs doorspekt zijn met bijbelse beelden en de sfeer ademen van de existentiële worsteling waarvan de hele Bijbel doortrokken is. Heel wat songs hebben iets van moderne psalmen, worstelliederen waarin een mens vecht met zichzelf, het leven en God.

Een van die psalmen is het lied ‘Below my feet‘ van het album Babel. Uit het donker van een (geloofs?)crisis — alles verloren en ondergedompeld in duisternis — klinkt het refrein als een gebed vanop het nulpunt:

‘Keep the earth below my feet
For all my sweat, my blood runs weak
Let me learn from where I have been
Keep my eyes to serve and my hands to learn
Keep my eyes to serve and my hands to learn’

Dit gebed is opgeroepen door de woorden van Jezus dat alles goed was en dus ook goed zal komen — ‘For I was told by Jesus all was well / so all must be well’ klinkt het in de tweede strofe. Mumford and Sons verwijzen — denk ik — naar een van de visioenen van de Middeleeuwse mystica Julian of Norwich, waarin Jezus haar verzekert: ‘Het komt allemaal goed, het komt allemaal goed, alles komt helemaal goed.’ Dat zijn van die zeldzaam goede woorden die een bodem onder het nulpunt en grond onder je voeten leggen.

Als ik dit nummer luister, zing ik het vrijwel altijd mee — als gebed om grond onder de voeten. Voor mij is dat een basis-gebed: grond onder je voeten, mijn voeten weer op de aarde. Als ik de pedalen dreig kwijt te raken, als de bodem onder wat ik geloof en wat ik zeg begint te schuiven, als ik me afvraag of het nog wel goed komt met ons mensen en deze aarde, dan bid ik met Mumford and Sons om aarde onder mijn voeten en levensgrond om op verder te gaan. Dat gebed is me dierbaar geworden, omdat het zo aards is: voeten, zweet, bloed, ogen en handen. Dit is geen spiritualiteit voor het wellness-centrum of voor gelovigen en spirituelen die willen zweven als een vlinder in een instagram-gefilterd bestaan. Nee, dit is het verlangen van een mens van vlees, bloed en zweet. Een mens die zich vastklampt aan de belofte en de hoop dat het goed komt en genoeg heeft aan grond onder de voeten om opnieuw op te krabbelen en verder te gaan met open ogen en handen.

Tweezak

alexander-khokhlov-two-facesDit Vlaamse woord ken ik nog niet zo lang. Eigenlijk vreemd, aangezien het woord over een wijdverbreid menselijk verschijnsel gaat. Enkele maanden geleden las ik dit zo rake woord voor het eerst in een interview en onlangs kwam ik het weer tegen in de confronterende roman WIL van Jeroen Olyslaegers.

De hoofdpersoon Wilfried Wils is een tweezak. Als politieagent in het door de Nazi’s bezette Antwerpen kiest hij geen partij, maar wordt meegetrokken door zowel de ‘zwarten’, die collaboreren met de Duitsers, als de ‘witten’, die zich verzetten. Hij doet als agent mee met het oppakken van Joden in de stad en trekt op met de fanatieke Jodenhater Nijdig Baardje, maar komt via zijn kameraad Lode ook in de kringen van het verzet en helpt een Joodse man op een onderduikadres overleven.

Wilfried speelt geen hypocriet spelletje om er beter van te worden, ook is er bij hem niet simpelweg sprake van overleven, zoals bij de meeste van zijn collega’s. Hij is een tweezak — dat wil zeggen dat hij het maar laat gebeuren en niet wil en kan kiezen. Hij is niet zwart of wit, en ook niet grijs, maar zwart-wit. En dat lijkt hem niet te deren. Hij wil een dichter zijn en kijkt met een scherpe, ironische blik naar die zwakke, dubbele en zelfzuchtige mensenwereld. Ondertussen maakt hij echter wel deel uit van die al te menselijke wereld, die de zak van zijn leven naar alle kanten trekt en hem opzadelt met een last die altijd — en aan het einde ondraaglijk — op zijn leven zal blijven wegen.

Olyslaegers legt in deze roman de menselijke ‘tweezakkerij’ bloot — zonder te oordelen, met een zachte blik en een scherp oog voor hoe ingewikkeld het menselijk leven tussen goed en kwaad is. Het verhaal liet mij als lezer met de vraag achter hoe je uit dat ongelukkige, maar zo herkenbare leven van de tweezak kan raken en blijven. Jezus heeft in de Bergrede de ‘zuiveren van hart’ zalig geprezen (Mattheüs 5:8). Dat is ook echt zalig: dat je zuiver bent, puur, een mens uit één stuk die ‘onverdeeld één ding wil’, zoals de filosoof Søren Kierkegaard deze zuiverheid van hart uitlegde. Maar het is zo moeilijk te bereiken voor de tweezakken die wij mensen zijn.

Het christelijk geloof wijst wel een weg van dubbelheid en tweezakkerij naar eenvoud en puurheid. Ik vind het frappant dat geloof of religie geen enkele rol van betekenis in de roman spelen, terwijl dat hier juist veel kan betekenen. In de eerste plaats door de tweezakkerij te zien en te erkennen, zoals de roman dat ook zo scherp doet. Wij zijn allen tweezakken — allemaal: zwarten, witten, grijzen en zwart-witten. Maar bij die erkenning komt ook een uitnodiging tot verzoening — met God, met anderen, met jezelf. Verzoening maakt heel, brengt je in het reine en zuivert je ook. Ik — de tweezak die ik ben — heb dat nodig om de hoop op eenvoud en zuiverheid te voeden en een beetje meer een eenzak te worden.

Wij zijn bedelaars

Wat moet ik doen als ik een bedelaar tref? Het gebeurt regelmatig dat je op een station of in een winkelstraat opeens een kartonnen bekertje voor je ziet opdoemen of wordt aangesproken door iemand die geld nodig heeft voor de nachtopvang of een treinticket. Al jaren houd ik aan de ontmoetingen met mijn bedelende medemensen een onrustig gevoel over. Er klopt iets niet. Als ik zonder te geven doorloop, voel ik me een ongevoelig en egoïstisch mens. Maar geven leidt meestal ook tot een ongemakkelijk gevoel — ‘Heb ik er goed aan gedaan? Heb ik hiermee echt iemand geholpen of alleen mijn schuldgevoel afgekocht?’ En wanneer ik probeer om de bedelaar gewoon als mens te ontmoeten en een praatje maak of het voorstel doe om een koffie te gaan drinken, schaam ik me al snel voor mijn goeddoenerij — ‘Zie mij weer bezig als de morele wijsneus die niet gewoon een aalmoes wil geven, maar voor Jezus wil spelen.’

Kreislauf_des_Geldes,_Aachen,_BettlerMisschien is dat onrustige gevoel wel onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van bedelaars in een rijke samenleving. Bedelaars horen er niet te zijn als onze morele inzet en menselijk aanvoelen consequent en ruimhartig vertaald werden in actie. Maar ondanks alle beleid, protest, engagement, opiniestukken, preken en gemoraliseer blijven ze in ons midden. Het is de paradoxale, harde realiteit die de Bijbel al heeft aangevoeld. In de sociale wetten van het bijbelboek Deuteronomium (hoofdstuk 15) lezen we eerst de belofte dat er ‘niemand van u in armoede zal leven’, terwijl nog geen tien verzen verder de constatering volgt dat er bij u altijd armen zullen zijn. Die constatering is overigens geen uiting van onverschilligheid of berusting, maar wordt gevolgd door de oproep tot vrijgevigheid.

Juist omdat armoede en bedelarij als extreme en zichtbare vorm daarvan een ongemakkelijke realiteit in onze samenleving zijn, lijkt het me goed om dat onrustig makende gevoel bij de confrontatie met bedelende mensen niet weg te duwen. In veel steden bestaan regels die bedelaars uit het straatbeeld proberen te weren. De stad Antwerpen, waar ik woon, weert bedelaars van de plekken waar veel shoppers en toeristen komen. Dus zijn de grotere winkelstraten en toeristische trekpleisters voor hen verboden gebied. En als die regels niet worden gerespecteerd, kun je als toerist of shopper de bedelaars gewoon negeren of ze wegdenken met simpele oordelen als ‘Eigen schuld’, ‘Laat ze eerst van de drugs afblijven’ of ‘Er zitten criminele bendes achter’. Maar de werkelijkheid is meestal niet zo simpel, zoals de oplossing dat ook niet is. En die lastige werkelijkheid moet je niet wegpoetsen of wegkijken, maar juist in de ogen zien.

Als je dat doet en daarbij beseft dat de werkelijkheid van bedelen en armoede niet eenvoudig is, zal het antwoord op mijn vraag wat ik moet doen ook niet zo simpel zijn. Geven is volgens mij spiritueel zeer gezond en ik vind ook dat je beter teveel goed kan doen, dan te weinig. Maar geven vanuit schuldgevoel, plichtsbesef of medelijden is niet altijd goed en zinvol. Goed doen vraagt immers ook om doordachte reacties die recht doen aan de situatie en aan de ander die een beroep op mij doet. Dat betekent volgens mij ook dat een maatschappelijke reactie van belang is.

Ik denk vooral dat het goed is als ik een bedelend medemens gewoon tegemoet treed als mens. Weliswaar een mens die medelijden en soms evenzeer afkeer en irritatie oproept, maar toch een mens. Hoe groot het verschil ook mag zijn tussen enerzijds de Oost-Europese vrouw met kromme voeten en een bordje met de nog krommere tekst waaruit ik opmaak dat ze ook nog voor kinderen moet zorgen en anderzijds de Westerse middenklasse man die ik ben, we zijn allebei mensen. En wanneer ik dat niet zo voel of zie (omdat ik druk ben, me te hoog acht of zij zich te laag opstelt), geloof ik het. Zij en ik, wij zijn allebei mensen en schepselen van God. Dat brengt ons bij elkaar en maakt dat zij voor mij een medemens is die een appèl op mij doet en dat ik voor haar een medemens ben met wie zij contact maakt.

Is het echt zo moeilijk om de ander als mens te zien? Je moet dan wel door het verschil en de ongelijkwaardige relatie van het bedelen heenkijken. Je moet daarbij ook jezelf en je middenklassestatus niet al te serieus nemen. Soms moet je natuurlijk ook door de bril van het geloof kijken: hier zit of staat een schepsel van God. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het kan. Als ik erover nadenk komen er herinneringen boven aan korte ontmoetingen — een paar woorden, een gesprekje bij een beker koffie, even oogcontact, een grap en een lach. Gewoon menselijk, waarbij dat verschil tussen bedelaar en aalmoesgever werd overbrugd of zelfs omgedraaid. Dat ik iets ontving in die ontmoeting waar ik niet om had gevraagd, maar diep van binnen wel naar verlangde.

Ik ben uiteindelijk ook een bedelaar — een mens die moet leven van wat anderen en God mij geven. ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar,’ waren de laatste geschreven woorden van de Duitse reformator Martin Luther. Hoewel het Luther ging om de houding van een mens die de heilige Schriften leest en probeert te verstaan, zijn die woorden hun eigen leven gaan leiden. Dat lijkt me in dit geval alleen maar mooi. Wij zijn allemaal bedelaars. Hoezeer de goden van vandaag ons ook modelleren naar hun eigen beeld — het beeld van de consument die zich gelukkig koopt, van de sterren die hun succes en aandacht verdienen en van het individu dat verantwoordelijk is voor eigen welslagen en geluk. Het zijn dominante beelden vandaag van wat mens zijn inhoudt, maar ze kunnen nooit het beeld van de bedelende mens wegdrukken — de mens die ten diepste en uiteindelijk verlangt om eenvoudig gezien, gekend en bemind te worden.

Deze blog is ook geplaatst op De (s)preekstoel van Knack.be

Afbeelding: Karl-Henning Seemann, Kreislauf des Geldes, detail Bettler (Aachen, Duitsland)

Stil van een verhaal

Eén van de tofste taken van het domineeschap vind ik het ontvangen van groepen leerlingen in onze kerk. Ze komen vaak in het kader van de kennismaking met de verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen, die door de school of de leerkrachten levensbeschouwing wordt georganiseerd. En ik mag hen dan iets wijzer maken over de wondere en meestal onbekende wereld van het protestantse geloof.

samaritaanVandaag zat de kerk vol met zo’n zeventig jongeren die al eerder in een moskee waren geweest en nog een bezoek aan de synagoge voor de boeg hadden. Het was een levendige en enthousiaste groep jongeren. Na een tijdje werd het wat onrustig, wat goed te begrijpen is als ik me even inleef. In één dag drie gebedshuizen bezoeken, is nogal een ongewone dagbesteding voor jongeren van vandaag. De onrust werd echter onderbroken, toen ik een verhaal vertelde. Even luisterden ze allemaal stil en gespannen.

Het was een eigentijdse versie van de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37) om hen iets te laten proeven van de Bijbel en van wat het betekent om gelovig te leven. In deze versie van het verhaal stapte de man die overvallen werd ’s nachts van het Centraal Station naar het De Coninckplein. En een dominee en priester gingen voorbij zonder iets te doen, terwijl de Samaritaan een Marokkaanse jongen op de brommer was, die wel stopte en de man op zijn brommer naar de spoed bracht en daar zijn gsm-nummer achterliet voor het geval hij nog nodig was. De ontknoping van het verhaal zorgde voor grote ogen: dit was de wereld op z’n kop. Ja, de Marokkaan was de goeie. Eén Marokkaanse jongen grapte nog: ‘Dat kan niet, wij Marokkanen laten die gewoon liggen’, maar je merkte dat er even een barst in de gewone manier van oordelen en kijken was gekomen. Even had het Bijbelverhaal in ons leven geprikt. Dat lijkt me een echte protestantse gebeurtenis, die hen hopelijk lang zal bijblijven.