Kleuterdominee

De afgelopen weken was ik op dinsdagmorgen even kleuterdominee. De groepen 1/2 van een school in de buurt komen sinds enkele jaren naar de Noorderkerk als ze het thema ‘Christendom’ behandelen. Door het corona-virus konden de bezoeken aan de kerk dit jaar helaas niet doorgaan. Als alternatief maakten enkele gemeenteleden een filmpje over het kerkgebouw en het paasverhaal en spraken we af dat elke kleutergroep een gesprekje met de dominee zou hebben via een online-verbinding. Zo zat ik dus de afgelopen weken achter mijn computerscherm met aan de andere kant steeds een klasje vrolijke vier- en vijfjarige vragenstellers.

Foto door nappy op Pexels.com

Ze vroegen me over de kerk hoe het orgel werkt, waarom er een preekstoel is en waarom er een haantje op de toren staat. Over God, de hemel en de tien geboden kregen we af en toe een heus theologisch gesprek. Over Pasen hadden ze ook veel te vragen: waarom werd Jezus dood gemaakt, hoe kon Hij weer levend worden, bestaat de Paashaas echt, eten we in de kerk chocolade paaseitjes? En ook wilden ze weten hoe je dominee kunt worden en wat voor kleren ik draag. Naast alle vragen en antwoorden was er elke keer ook wel een kleuter die even voor de camera vriendelijk ‘hallo’ kwam zeggen of vertellen dat zij wel of niet gedoopt was. Na een tijdje nam de concentratie af en de onrust toe en namen we vrolijk zwaaiend afscheid.

De ontmoetingen met deze kinderen hebben me verrast. Al deze vragen had ik niet verwacht (dat was wellicht anders geweest als ik vaker kleuters zou spreken). Maar wat me vooral heeft geraakt is het ongedwongen en vrolijke gesprek over geloof, kerk en God met kinderen met allerlei verschillende (geloofs)achtergronden. Ik vond het een verademing, middenin een heftig maatschappelijk klimaat waarin ook kerk en religie snel in een sfeer van afstandelijkheid of zelfs wij-zij terechtkomen.

Ik begrijp na deze ontmoetingen ook weer iets beter waarom Jezus bijzondere aandacht voor kinderen had. Wanneer zijn leerlingen kinderen bij Hem vandaan proberen te houden (omdat die niet belangrijk en serieus genoeg waren), grijpt Hij in en zegt: ‘Laat de kinderen bij Mij komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er zeker niet binnengaan.’ Daarna neemt Hij ze in zijn armen en zegent ze. Als kleuterdominee had ik het voorrecht om de afgelopen tijd even iets van die kinderlijke openheid te ervaren. Voor mij een klein en hoopvol teken van God. Nu hoop ik maar dat ik als kleuterdominee dat ook was voor die kleuters.

Het verhaal over Jezus en de kinderen is te vinden in het Evangelie van Markus 10:13-16

Gebed voor de relschoppers

Foto: Florian Olivo op Unsplash

O God, ik wil helemaal niet voor die ellendelingen bidden.
Ik haat dat vernielen en stelen
en ben bang voor het geweld van de groep — samen durven ze wel.
Nee, ik bid liever alleen voor politiemensen, bewakers, bestuurders,
winkeliers met kapotte ramen en lege schappen,
en buurtbewoners die sinds zondag slecht slapen.
Liever bid ik nog om uw zegen over wapenstok, traangas en waterkanon,
dan voor die lafaards, verscholen in hoodies en achter maskers.

En toch bid ik U ook voor de relschoppers.
Ik geloof dat ik niet anders kan en mag —
‘heb je vijanden lief,’ leerde ons uw Zoon.
Daarom, bid ik, voor hen, o God,
dat ik hun gezicht mag zien —
hun menselijk gezicht,
en ik ze in hun jonge ogen kijken kan.
Doe hun hoodies af, o God,
blaas hun maskers weg,
dat hun gezicht verschijnt,
en zij ook uw gezicht zullen zien.
Amen

Vijf lessen van een verzetsdominee

Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, zouden we allemaal graag de helden zijn geweest — verzetstrijders, Engelandvaarders of mensen die onderduikers schuilhielden. Al valt natuurlijk nog te bezien of wij in hun tijd en hun schoenen hetzelfde zouden hebben gedaan. ‘Wat maakt een mens een held?’ is de spannende vraag die Freek de Jonge stelt in zijn lied over verzetsdominee Jan Koopmans, die in de oorlog in dezelfde kerk werkte als ik nu. Als antwoord op die vraag vijf lessen uit het leven van deze oorlogsheld, die ook we ook vandaag, in onze crisistijd, niet mogen vergeten.

Titelpagina van de illegale Brochure ‘Bijna te laat!’ die Koopmans in november 1940 schreef
  1. Zorg voor diepe wortels. In een crisis helpt het als je ergens voor staat en de wortels van je overtuiging en je geloof dieper gaan dan wat oppervlakkige ideeën en wisselende emoties. Koopmans daagt ons uit om in schokkende tijden vanuit een overtuigd geloof te leven of om dat te zoeken.
  2. Weet wat er speelt. Er waren in Koopmans’ tijd natuurlijk veel meer mensen met een sterke en diepe overtuiging, maar Koopmans had door brede contacten een scherper zicht op wat er in het Nazisme speelde, waardoor hij als één van de eersten in Nederland waarschuwde voor de vernietiging van de Joden.
  3. Leef voor meer dan alleen overleven. Koopmans kwam op voor de Joden, een andere bevolkingsgroep, die bovendien door de bezetter bewust apart werd gezet. Koning Willem Alexander gaf in zijn toespraak tijdens de dodenherdenking dit jaar aan dat de Joodse Nederlanders in de oorlog teveel in de steek zijn gelaten, iets dat Koopmans de kerken, die in zijn ogen veel te voorzichtig en traag waren, ook verweet. Een crisis — ook die van vandaag — maakt vaak heel scherp duidelijk of er in ons leven meer is dan alleen de drang om zelf te overleven.
  4. Vlucht niet weg. Het is bijzonder dat veel van de oorlogshelden die tot op vandaag blijven inspireren mensen waren, die er heel bewust voor kozen om niet weg te vluchten van lijden. Ik denk bijvoorbeeld aan Etty Hillesum, die ervoor koos om met haar Joodse volksgenoten naar de kampen te gaan in plaats van onder te duiken. Vanuit eenzelfde overtuiging keerde Dietrich Bonhoeffer in 1939 terug uit het veilige Amerika om met zijn volk mee te lijden en zich te verzetten tegen het Nazi-bewind. Koopmans kiest er in 1943 voor om na enkele jaren van secretariaatswerk weer gewoon als dominee met de mensen in zijn kerk en de Jordaan de bezetting te ondergaan.
  5. Doe wat je kunt, op de plek waar je bent. Koopmans is betrokken bij het kerkelijk verzet, hij preekt en schrijft pamfletten, boekjes en brieven, hij zet zich onder protest en zonder veel illusies in voor de christen-Joden, die door de bezetter eerst apart werden behandeld, en als dominee in de Jordaan begint hij gewoon met allerlei kerkenwerk en zet zich in voor hen die lijden aan armoede en honger. Heldendom heeft veel minder met superhelden of grote daden te maken, dan met de volharding en moed waarmee je op de plek waar je bent, kiest voor wat waar, goed en rechtvaardig is.

Volgens mij hebben deze vijf lessen van verzetsdominee Jan Koopmans ons genoeg te zeggen en te leren in onze crisistijd.

De troost van de lente

Het gekwetter en gefluit van vogels in de Jordaan. Een tulp op punt van openbreken in een bloembak op de Noordermarkt. De zachtgroene blaadjes van de boom voor mijn raam. Stoepkrijtende en rennende kinderen in de straat. Allemaal tekens van de lente, de jongste en lichtste van de vier seizoenen.

Foto: Katya O. op Unsplash

Dit jaar is de lente anders. Bij het zonnige weerbericht van de komende week staat een covid-19-waarschuwing: ‘het is verleidelijk om met dit weer op pad te gaan, maar blijf thuis!’ Het lentelied dat we op de lagere school zo vaak zongen dat ik het nooit meer kan vergeten ‘Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal’ geldt niet voor dit corona-jaar. En Pasen wordt ook anders.

Het Paasfeest is hét feest van de lente. Ik kan er niets aan doen, maar voor mij is Jezus opgestaan op een stralende lentemorgen, in een tuin vol narcissen, tulpen en krokussen, terwijl de vogels Hem, de koning van het Leven, met een kwetterend ‘Halleluja’ begroetten. Als het op Pasen echt lente is, dan klopt het helemaal — en de weersverwachting zegt dat de kans groot is dat het dit jaar op Pasen ook echt lente is.

Je kunt dat zien als een wrede speling van het lot of een listige verleiding van een kwaadaardig virus. Mensen vechten voor het leven, zieken gaan dood, ouderen zitten eenzaam achter een raam, een gezin zit geïrriteerd opgesloten in een klein huis, je hangt in je eentje verveeld achter een scherm en dan verschijnt daar de lachende lente, die aan de andere kant van het raam je geniepig wenkt: ‘Kom naar buiten, proef het leven …’

Maar je kunt de lente dit jaar ook als een troost ervaren. Terwijl je met eenzame, donkere gedachten, met je handen in het haar of met verdriet en verlies in je hart binnen zit, gaat het leven toch verder met een nieuw begin. Terwijl je keihard vecht voor het overleven van de zieken, geeft het leven buiten je een steuntje in de rug. Terwijl wij in de crisis zitten en niet goed weten hoe het verder zal gaan, wordt het toch Pasen — een echt lentepasen nog wel — omdat Jezus ook in dit rotte corona-jaar leeft en altijd weer opstaat.

Bij het graf van Jan Koopmans

Langs lege grachten en door stille straten fietste ik vanmiddag naar begraafplaats Zorgvlied. Vandaag, 24 maart, is de sterfdag van één van mijn voorgangers in de Noorderkerk. Dominee Jan Koopmans overleed precies vijfenzeventig jaar geleden aan de gevolgen van een verdwaalde kogel van een Duits vuurpeloton dat in het Weteringplantsoen dertig willekeurige mensen doodschoot.

Onder een blauwe lentehemel lag Zorgvlied erbij als een oase van rust — bijna te vredig voor deze plek van de dood. Op een hoekje, onder een boom vond ik het graf van Koopmans. De strakke, sobere grafsteen met geen woord teveel ademt de geest van deze dominee-verzetsheld. Freek de Jonge schreef een pakkend lied over deze atypische held, ‘een calvinistische dominee nog wel’ die volgens hem maar gewoon deed wat hij als consequentie van zijn geloof moest doen: in naam van God zijn stem verheffen en opkomen voor zijn Joodse medemensen.

Juist die calvinistische soberheid ontroerde me vandaag, nu de corona-crisis ons leven grotendeels heeft stilgelegd en gestript tot op de basale vragen van dood en (samen)leven. Een crisis, zo heeft Koopmans in zijn tijd laten zien, vraagt niet om veel en grote woorden, maar om een sober, volhardend geloof en nuchtere, moedige daden. Door de corona-crisis zijn de geplande herdenkingen van Koopmans’ vijfenzeventigste sterfjaar afgeblazen. In zekere zin paste het dus ook wel bij Jan Koopmans dat ik vandaag in mijn eentje in de lentezon bij zijn calvinistische graf stond. Ik heb maar stil gebeden dat ik, die op dezelfde preekstoel als Koopmans mag staan, zijn geloof zal navolgen — ook in de crisis en de vragen van vandaag.

Toeristen in de kapel

Je ziet ze komen op sneakers, slippers of wandelschoenen, reisgids in de hand en mobiel of camera in de aanslag. Toeristen in Amsterdam. Uitgenodigd door een open deur in de monumentale Noorderkerk en een bord dat ze welkom zijn in de Noorderkapel stappen ze het portaal in, werpen een blik in het kleine kapelletje, kijken of ze toch nog ergens toegang tot de kerk kunnen krijgen en maken dan snel rechtsomkeert — op weg naar de volgende bezienswaardigheid of een horecagelegenheid.

Foto Toeristen in Amsterdam (Elias Ehmann op Unsplash)

Sinds vorig jaar is onze kerk een kapelletje rijker, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen en een kaarsje aan te steken. De kapel kent een aantal vaste bezoekers en uit het gastenboek blijkt dat ook voorbijgangers uit binnen- of buitenland er even stil worden en God zoeken. Een oudere mevrouw uit de buurt vond in de kapel God weer terug, nam contact op en kon gesteund door bezoek uit de kerk het laatste stukje van haar levensweg in vrede gaan. Maar verreweg de grootste groep bezoekers wordt gevormd door de toeristen, voor wie deze kleine kapel een teleurstelling is, omdat ze niet gekomen zijn om stil te worden of te bidden, maar om iets te zien.

Naar mijn gevoel is dit kapelbezoek illustratief voor de rol van de kerk in onze tijd. Naast de gelovigen die samen de kerk vormen, druppelen er verrassend genoeg altijd weer mensen binnen die op zoek zijn: Godzoekers, stiltezoekers, mensen met een diep heimwee of een gebroken hart. Maar de grote stroom mensen komt de kerk hooguit als een toerist binnen. Voor hen is een kerk niet meer dan een monument van een dode of vage god of een religieuze attractie in het openluchtmuseum Europa. Dat te beseffen doet pijn, juist omdat dit ook te maken heeft met de kerk in het Westen, die weinig spirituele aantrekkingskracht heeft en daarom vooral als een instituut uit het verleden wordt beleefd.

Maar het zegt ook iets over de geest van onze tijd. Als ik op een morgen een tijdje naar de toeristen rond onze kerk kijk, overvalt mij een triest gevoel van leegheid, van walging soms. Ik besef daarbij dat ik zelf op andere plekken ook toerist ben en ik begrijp ook dat de meeste toeristen onze kapel niet willen bezoeken (ze zouden er trouwens ook niet allemaal in passen). Het gaat me om onze toeristische manier van leven. Het massatoerisme, dat met zijn onrust en drukte het centrum van Amsterdam beheerst, is een spiegel van onze belachelijk oppervlakkige en ook wel tragische manier van leven, zoals Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in zijn laatste roman Grand Hotel Europa. Op zoek naar steeds weer nieuwe belevenissen en plekken, komen we maar moeilijk tot onszelf en tot de kern. Al consumerend en reizend — om de saaiheid of de stress van het leven te ontvluchten — blijven we aan de oppervlakte, met als gevolg dat we snel weer verder moeten, naar nog meer, anders en verder. Dat is de tragiek van het toeristische leven, zoals de Amerikaanse mysticus Thomas Merton schreef: ‘De mensen die het meest reizen, zien het minste.’

De Levensboom

Sinds vorig jaar is de Noorderkerk een klein kapelletje rijker: de Noorderkapel, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen of een kaarsje aan te steken. In die kapel hangt tussen het originele zeventiende-eeuwse tegelwerk een bijzonder cederhouten kruis.

Kruis in de Noorderkapel, Amsterdam; foto Paul Ariese

Op deze Goede Vrijdag moest ik weer aan dit kruis denken, omdat dit de diepere betekenis van het kruis van Jezus zo mooi verbeeldt. We moeten nooit vergeten dat het kruis van Jezus in de eerste plaats gewoon een afgrijselijk executiewerktuig is, een van uitvindingen van de Romeinse beschaving, ontsproten aan het menselijk brein dat, zoals we helaas maar al te goed weten, in staat is om gruwelijke wreedheid te verzinnen en te realiseren. Jezus stierf op deze dag bijna 2000 jaar geleden een wrede dood, aan spijkers hangend op een hout tussen hemel en aarde.

Maar het kruis is meer dan dat. Daarom is deze vrijdag ook ‘goed’ gaan heten. Aan het kruis overwon God het menselijke kwaad door het in zijn liefde op te nemen, te oordelen en te vernietigen. Dat nooit te doorgronden gebeuren van Jezus’ lijden en dood maakt het kruis tot plek waar leven uit de dood voortkomt en waar ‘de verschrikkelijke kracht van de nederige liefde’ (zoals Dostojevki het noemde) de menselijke wreedheid, vijandschap en onverschilligheid overwon. Het is de kruising van hemel en aarde, het punt waar God en mens keihard botsen, de mens wordt gebroken en God in zijn grondeloze mensenliefde de stukken weer heelt.

Het kruis in de Noorderkapel heeft aan een kant een schors, waardoor het hout herinnert aan de boom, de bijbelse ceder van de Libanon. Het kruis is ook een boom — de levensboom. Dit kruis herinnert je aan het leven dat verborgen is in Jezus’ lijden en sterven. En daarbij is het een uitnodiging om het kruis ook daadwerkelijk te leven — om verbonden met Jezus de nederige liefde te leren en in de praktijk te brengen. Het kruis kan geen dood symbool of historisch feit blijven, maar wil tot leven komen — op de grond, in menselijke handen en harten. Daarom is het treffend dat de gebogen voet van het cederhouten kruis onderaan gebutst en verweerd is. Dat hoort bij deze levensboom, die niet zonder butsen en zonder aanraking met aarde en vuil tot leven komt.

Goddelijk

Het Parool leek op aswoensdag wel een religieus blad. Op de voorpagina prijkten tegen een zwarte achtergrond drie juichende godenzonen — boven hen de extatische meditatie van sportverslaggever Henk Spaan met de titel ‘Goddelijk’ in kapitaal wit.

copyright: Het Parool; foto ANP Alaf Kraak

Ajax had dinsdagavond het machtige Real Madrid in hun eigen heilige voetbaltempel Bernabéu vernederd en zich op magistrale wijze toegang verschaft tot de kwartfinales van de Champions League. Voor dat wonder werden alle superlatieven die het Nederlands rijk is van stal gehaald, met als summum ‘goddelijk’.

Nu heeft het profvoetbal in onze wereld natuurlijk ook een goddelijke status. Als je bedenkt hoeveel geld, aandacht en woorden er wereldwijd aan voetbal worden besteed, besef je dat we het niet meer over een gewoon spelletje hebben. En als je aan het begin van een wedstrijd de Champions League hymne hoort, krijg je het idee dat je eerder een deelnemer aan een religieuze hoogmis, dan een kijker naar een sportwedstrijd bent. Sociologen zeggen terecht dat sport, en voetbal in het bijzonder, voor een deel de rol van religie heeft overgenomen in onze ontkerkelijkte samenleving. Voetbal is een religie en dinsdag was Ajax de god die Amsterdam even het hemelse geluk deed smaken.

Vanuit het christelijk geloof bezien, is hier dus sprake van afgoderij, dat is: iets of iemand de plek, status en eer geven die alleen God toekomt. En afgoderij is een probleem, omdat afgoden wel de plek van God innemen, maar dat nooit kunnen waarmaken. Dusan Tadic kan je met zijn pirouette en goal in de kruising misschien wel een hemels gevoel geven, maar verder heeft hij je niet veel te bieden. Bovendien leert het leven ons dat het hemelse gevoel dat de lokale voetbalgod zijn dienaars en aanbidders schenkt nogal wisselvallig is. Dat was dinsdag pijnlijk te merken in de vernedering van de Madrileense godenzonen en de tranen en fluitconcerten van hun volgelingen. En dan heb ik het nog niet over de oppergod Mammon (de bijbelse god van geld en bezit) die in de religie van het profvoetbal schaamteloos aanbeden wordt.

Maar als inwoner van de Amsterdam, die bovendien in zijn jonge jaren op het veldje voor zijn ouderlijk huis altijd een Ajax-held speelde, wil ik niet zuur doen. Ik gun iedereen (en mijzelf) oprecht dat kortstondige moment van geluk en euforie. Bovendien heeft de overwinning van Ajax ook wel een echt goddelijke smaak. Je proefde dinsdagavond in die afgodische tempel iets van de ware God. Zat het goddelijke van die 1-4 triomf niet vooral in het feit dat de kleine David het won van de Goliath met het grote geld? Dat de hoogmoedige kampioenen die de overwinning in hun zak leken te hebben te kijk werden gezet? Dat de oude, vermoeide goden werden weggespeeld door een elftal dat geloof en moed uitstraalde? Dat er iets gebeurde dat je voor onmogelijk hield? Dat ís ook Goddelijk: een verrassende, onmogelijke overwinning, die de logica, wetten en verwachtingspatronen van positie en geld doorbreekt.

Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen de Ajax-goden en de ware God wel op. Die laatste vecht, verliest en wint in de echte wereld met en voor de mensen met hun bloed, zweet en tranen, terwijl voetbal een spelletje in een arena en voor de camera’s blijft. De ware God behaalde zijn onmogelijke overwinning immers aan het kruis — een mislukking aan een martelwerktuig. Die God is als je het goed bekijkt veel minder goddelijk dan de afgoden, wier goddelijkheid alleen blinkt in de triomf en de glitter en de glorie van een voetbaltempel. De goddelijkheid van de ware God verschijnt vreemd genoeg in het menselijke lijden van zijn Zoon Jezus. En die vreemde triomf door het lijden en de dood heen geeft je als mens niet alleen een smaak van hemels geluk, maar ook houvast, troost en hoop in je gewone sterfelijke mensenleven.

Zware kerk

“Dat is wel een zware kerk, hoor,” zei de man die een tafeltje naast mij zat op een terras  met uitzicht op onze kerk. Zijn gesprekspartner viel hem met enig misprijzen bij: “Ja, die zijn wel streng.” Ik overwoog een reactie, maar het lukte me niet om de woorden te vinden die pasten bij de situatie. Dat onvermogen had vooral te maken met dat ‘zwaar’. Want wat is dat precies: een zware kerk?

zwarekerk
Patrick Brown, Barclay Church Bruntsfield (flickr.com)

Een zware kerk kan een kerk zijn waar men zwaar aan het geloof tilt, in de zin dat dit wordt beleefd als een ernstige zaak en iets van grote waarde. Daartegenover staat dan een lichte kerk, waar men niet zo zwaar aan God en geloven tilt. Als ik dan moet kiezen, kies ik toch voor zwaar. Als je gelooft, kun je het beter serieus nemen. Hoewel God niet gewichtig of zwaar is, zoals mensen die zichzelf veel te serieus nemen, gaat het bij geloven wel om liefde. En liefde vraagt je hele hart en je hele bestaan.

De man op het terras kan bij die zware kerk ook gedacht hebben aan gelovigen die in donkere kleding en met een somber gezicht zondag aan zondag horen over zonde, hel en verdoemenis. Dat voelt voor de meeste mensen als een zware last. God als de donkere hemel die dreigend boven je hoofd hangt. Zulke zware godsdienst kan mij gestolen worden. Zo’n drukkend geloof doet namelijk geen recht aan de vreugde, het vertrouwen en de liefde die meer dan alle somberheid en zonde passen bij het geloof in God die ons ondanks en met alles liefheeft.

Of misschien bedoelden mijn terrasburen met zwaar wel conservatief, traditioneel, orthodox, ouderwets of nog weer een ander etiket voor mensen die nog niet mee zijn met de vooruitgang van onze cultuur. Gilbert Chesterton schreef ooit: “De hele moderne wereld heeft zichzelf verdeeld in conservatieven en progressieven.” Waaraan hij met enige ironie toevoegde: “Het werk van progressieven is: doorgaan met fouten maken. Het werk van conservatieven is: voorkomen dat fouten worden hersteld.” Dat is niet het enige probleem van die tweedeling. Het punt is ook dat het christelijk geloof en een heleboel (kerk)mensen niet zo simpel zijn op te delen. Je kunt conservatief denken over de bescherming van het ongeboren leven en de waarde van het huwelijk, maar progressief als het gaat over de zorg voor het milieu, gelijkheid op economisch gebied en openheid voor vluchtelingen. En ik ken traditionele kerken die verrassend gastvrij en open zijn voor mensen die anders zijn en leven dan binnen de traditionele overtuiging gebruikelijk is. Zoals ik trouwens ook progressieve mensen en kerken ken, die verrassend bekrompen neerkijken op mensen die niet zo ruimdenkend en vooruitstrevend in het leven staan als zij.

Uiteindelijk schiet je met die etiketten en hokjes weinig op. Hokjes en etiketten zijn vaak veilige, maar oppervlakkige manieren om anderen te beoordelen en om jezelf niet echt bloot te geven. Daarom is het volgens mij de roeping van de kerk en gelovigen om niet in een hokje te passen. Het woord ‘kerk’ betekent zoiets als ‘van de Heer’. En die Heer heeft nooit in een hokje gepast — Hij was revolutionair én conservatief, orthodox én kritisch vernieuwend tegelijk. Als ze Hem in een vakje, een hokje of een partij proberen te persen, breekt Hij er vroeg of laat weer uit. Dat geldt ook voor een zware kerk.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.