De Levensboom

Sinds vorig jaar is de Noorderkerk een klein kapelletje rijker: de Noorderkapel, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen of een kaarsje aan te steken. In die kapel hangt tussen het originele zeventiende-eeuwse tegelwerk een bijzonder cederhouten kruis.

Kruis in de Noorderkapel, Amsterdam; foto Paul Ariese

Op deze Goede Vrijdag moest ik weer aan dit kruis denken, omdat dit de diepere betekenis van het kruis van Jezus zo mooi verbeeldt. We moeten nooit vergeten dat het kruis van Jezus in de eerste plaats gewoon een afgrijselijk executiewerktuig is, een van uitvindingen van de Romeinse beschaving, ontsproten aan het menselijk brein dat, zoals we helaas maar al te goed weten, in staat is om gruwelijke wreedheid te verzinnen en te realiseren. Jezus stierf op deze dag bijna 2000 jaar geleden een wrede dood, aan spijkers hangend op een hout tussen hemel en aarde.

Maar het kruis is meer dan dat. Daarom is deze vrijdag ook ‘goed’ gaan heten. Aan het kruis overwon God het menselijke kwaad door het in zijn liefde op te nemen, te oordelen en te vernietigen. Dat nooit te doorgronden gebeuren van Jezus’ lijden en dood maakt het kruis tot plek waar leven uit de dood voortkomt en waar ‘de verschrikkelijke kracht van de nederige liefde’ (zoals Dostojevki het noemde) de menselijke wreedheid, vijandschap en onverschilligheid overwon. Het is de kruising van hemel en aarde, het punt waar God en mens keihard botsen, de mens wordt gebroken en God in zijn grondeloze mensenliefde de stukken weer heelt.

Het kruis in de Noorderkapel heeft aan een kant een schors, waardoor het hout herinnert aan de boom, de bijbelse ceder van de Libanon. Het kruis is ook een boom — de levensboom. Dit kruis herinnert je aan het leven dat verborgen is in Jezus’ lijden en sterven. En daarbij is het een uitnodiging om het kruis ook daadwerkelijk te leven — om verbonden met Jezus de nederige liefde te leren en in de praktijk te brengen. Het kruis kan geen dood symbool of historisch feit blijven, maar wil tot leven komen — op de grond, in menselijke handen en harten. Daarom is het treffend dat de gebogen voet van het cederhouten kruis onderaan gebutst en verweerd is. Dat hoort bij deze levensboom, die niet zonder butsen en zonder aanraking met aarde en vuil tot leven komt.

Goddelijk

Het Parool leek op aswoensdag wel een religieus blad. Op de voorpagina prijkten tegen een zwarte achtergrond drie juichende godenzonen — boven hen de extatische meditatie van sportverslaggever Henk Spaan met de titel ‘Goddelijk’ in kapitaal wit.

copyright: Het Parool; foto ANP Alaf Kraak

Ajax had dinsdagavond het machtige Real Madrid in hun eigen heilige voetbaltempel Bernabéu vernederd en zich op magistrale wijze toegang verschaft tot de kwartfinales van de Champions League. Voor dat wonder werden alle superlatieven die het Nederlands rijk is van stal gehaald, met als summum ‘goddelijk’.

Nu heeft het profvoetbal in onze wereld natuurlijk ook een goddelijke status. Als je bedenkt hoeveel geld, aandacht en woorden er wereldwijd aan voetbal worden besteed, besef je dat we het niet meer over een gewoon spelletje hebben. En als je aan het begin van een wedstrijd de Champions League hymne hoort, krijg je het idee dat je eerder een deelnemer aan een religieuze hoogmis, dan een kijker naar een sportwedstrijd bent. Sociologen zeggen terecht dat sport, en voetbal in het bijzonder, voor een deel de rol van religie heeft overgenomen in onze ontkerkelijkte samenleving. Voetbal is een religie en dinsdag was Ajax de god die Amsterdam even het hemelse geluk deed smaken.

Vanuit het christelijk geloof bezien, is hier dus sprake van afgoderij, dat is: iets of iemand de plek, status en eer geven die alleen God toekomt. En afgoderij is een probleem, omdat afgoden wel de plek van God innemen, maar dat nooit kunnen waarmaken. Dusan Tadic kan je met zijn pirouette en goal in de kruising misschien wel een hemels gevoel geven, maar verder heeft hij je niet veel te bieden. Bovendien leert het leven ons dat het hemelse gevoel dat de lokale voetbalgod zijn dienaars en aanbidders schenkt nogal wisselvallig is. Dat was dinsdag pijnlijk te merken in de vernedering van de Madrileense godenzonen en de tranen en fluitconcerten van hun volgelingen. En dan heb ik het nog niet over de oppergod Mammon (de bijbelse god van geld en bezit) die in de religie van het profvoetbal schaamteloos aanbeden wordt.

Maar als inwoner van de Amsterdam, die bovendien in zijn jonge jaren op het veldje voor zijn ouderlijk huis altijd een Ajax-held speelde, wil ik niet zuur doen. Ik gun iedereen (en mijzelf) oprecht dat kortstondige moment van geluk en euforie. Bovendien heeft de overwinning van Ajax ook wel een echt goddelijke smaak. Je proefde dinsdagavond in die afgodische tempel iets van de ware God. Zat het goddelijke van die 1-4 triomf niet vooral in het feit dat de kleine David het won van de Goliath met het grote geld? Dat de hoogmoedige kampioenen die de overwinning in hun zak leken te hebben te kijk werden gezet? Dat de oude, vermoeide goden werden weggespeeld door een elftal dat geloof en moed uitstraalde? Dat er iets gebeurde dat je voor onmogelijk hield? Dat ís ook Goddelijk: een verrassende, onmogelijke overwinning, die de logica, wetten en verwachtingspatronen van positie en geld doorbreekt.

Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen de Ajax-goden en de ware God wel op. Die laatste vecht, verliest en wint in de echte wereld met en voor de mensen met hun bloed, zweet en tranen, terwijl voetbal een spelletje in een arena en voor de camera’s blijft. De ware God behaalde zijn onmogelijke overwinning immers aan het kruis — een mislukking aan een martelwerktuig. Die God is als je het goed bekijkt veel minder goddelijk dan de afgoden, wier goddelijkheid alleen blinkt in de triomf en de glitter en de glorie van een voetbaltempel. De goddelijkheid van de ware God verschijnt vreemd genoeg in het menselijke lijden van zijn Zoon Jezus. En die vreemde triomf door het lijden en de dood heen geeft je als mens niet alleen een smaak van hemels geluk, maar ook houvast, troost en hoop in je gewone sterfelijke mensenleven.

Zware kerk

“Dat is wel een zware kerk, hoor,” zei de man die een tafeltje naast mij zat op een terras  met uitzicht op onze kerk. Zijn gesprekspartner viel hem met enig misprijzen bij: “Ja, die zijn wel streng.” Ik overwoog een reactie, maar het lukte me niet om de woorden te vinden die pasten bij de situatie. Dat onvermogen had vooral te maken met dat ‘zwaar’. Want wat is dat precies: een zware kerk?

zwarekerk
Patrick Brown, Barclay Church Bruntsfield (flickr.com)

Een zware kerk kan een kerk zijn waar men zwaar aan het geloof tilt, in de zin dat dit wordt beleefd als een ernstige zaak en iets van grote waarde. Daartegenover staat dan een lichte kerk, waar men niet zo zwaar aan God en geloven tilt. Als ik dan moet kiezen, kies ik toch voor zwaar. Als je gelooft, kun je het beter serieus nemen. Hoewel God niet gewichtig of zwaar is, zoals mensen die zichzelf veel te serieus nemen, gaat het bij geloven wel om liefde. En liefde vraagt je hele hart en je hele bestaan.

De man op het terras kan bij die zware kerk ook gedacht hebben aan gelovigen die in donkere kleding en met een somber gezicht zondag aan zondag horen over zonde, hel en verdoemenis. Dat voelt voor de meeste mensen als een zware last. God als de donkere hemel die dreigend boven je hoofd hangt. Zulke zware godsdienst kan mij gestolen worden. Zo’n drukkend geloof doet namelijk geen recht aan de vreugde, het vertrouwen en de liefde die meer dan alle somberheid en zonde passen bij het geloof in God die ons ondanks en met alles liefheeft.

Of misschien bedoelden mijn terrasburen met zwaar wel conservatief, traditioneel, orthodox, ouderwets of nog weer een ander etiket voor mensen die nog niet mee zijn met de vooruitgang van onze cultuur. Gilbert Chesterton schreef ooit: “De hele moderne wereld heeft zichzelf verdeeld in conservatieven en progressieven.” Waaraan hij met enige ironie toevoegde: “Het werk van progressieven is: doorgaan met fouten maken. Het werk van conservatieven is: voorkomen dat fouten worden hersteld.” Dat is niet het enige probleem van die tweedeling. Het punt is ook dat het christelijk geloof en een heleboel (kerk)mensen niet zo simpel zijn op te delen. Je kunt conservatief denken over de bescherming van het ongeboren leven en de waarde van het huwelijk, maar progressief als het gaat over de zorg voor het milieu, gelijkheid op economisch gebied en openheid voor vluchtelingen. En ik ken traditionele kerken die verrassend gastvrij en open zijn voor mensen die anders zijn en leven dan binnen de traditionele overtuiging gebruikelijk is. Zoals ik trouwens ook progressieve mensen en kerken ken, die verrassend bekrompen neerkijken op mensen die niet zo ruimdenkend en vooruitstrevend in het leven staan als zij.

Uiteindelijk schiet je met die etiketten en hokjes weinig op. Hokjes en etiketten zijn vaak veilige, maar oppervlakkige manieren om anderen te beoordelen en om jezelf niet echt bloot te geven. Daarom is het volgens mij de roeping van de kerk en gelovigen om niet in een hokje te passen. Het woord ‘kerk’ betekent zoiets als ‘van de Heer’. En die Heer heeft nooit in een hokje gepast — Hij was revolutionair én conservatief, orthodox én kritisch vernieuwend tegelijk. Als ze Hem in een vakje, een hokje of een partij proberen te persen, breekt Hij er vroeg of laat weer uit. Dat geldt ook voor een zware kerk.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Boze burger bij de brug

Ik ben eindelijk een boze burger tegengekomen! In levende lijve stond hij (het was een mannelijke boze burger) samen met mij te wachten voor de Willemsbrug, die traag open ging. Ik kende de boze burger van het internet, waar hij frustratie en boosheid spuwt en scheldt, en ook van horen zeggen in de analyses van de samenleving. Maar nu zag ik dat geheimzinnige, bijna mythische wezen met eigen ogen op een grijze Amsterdamse morgen.

WillemsbrugHij zag er heel gewoon uit met een spijkerbroek en donkere jas aan. Net als ik stond hij op de fiets te wachten voor de open brug. Pas toen hij zachte, maar hoorbare geluiden van ongeduld begon te maken, herkende ik hem. De brug stond al een tijdje open en er kwam maar geen schip aan varen. Waarom stonden wij dan hier te wachten voor een open brug? Er verscheen een bootje van een of andere havendienst, maar dat was zo klein dat het gemakkelijk onder de brug door kon. De boze burger maakte meer en iets luidere geluiden van ongenoegen en het leek erop dat hij een gesprek met de andere slachtoffers zou beginnen. Ik verwachte een boze stem die op gefrustreerde toon lotgenoten zou zoeken. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiele telefoon en begon een filmopname te maken: langzaam draaide hij zijn telefoon van links via de open brug naar rechts, waar het havenbootje nog steeds stil lag te niksen. Op het moment dat hij zijn telefoon opborg, begon het brugdek weer te zakken.

De kans is groot dat de boze burger, aangekomen op zijn werk of thuis, het filmpje via sociale media heeft gedeeld met de boze en cynische opmerking: ‘Lekker wachten voor een boot die niet komt. #tijdgenoegzeker #tijdvooreenbrilbrugwachter.’ Of misschien heeft hij het ook naar de klantendienst van Waternet, dat de bruggen beheert, gestuurd met de vraag om uitleg en schadevergoeding.

Al kijkend naar de boze burger voelde ik overigens dezelfde emoties. Ik was op weg naar een vergadering en had haast, omdat ik te laat was vertrokken. Ongeduldig stond ik te wachten voor die open brug. En het uitblijven van een boot, maakte mij ook boos. Waarom sta ik hier voor niets te wachten? Ik heb wel wat beters te doen dan naar een brugdek en leeg water te kijken.

Achteraf denk ik: de boze burger en ik kunnen wel wat geduld gebruiken. En daarbij een beetje meer mildheid, humor en genade. En misschien zouden we elkaar dan een knipoog geven, goedemorgen wensen of een gesprekje beginnen over de teksten die op de onderkant van het brugdek staan. ‘Wat weten we van elkaar?’ staat er onder andere. Dat zou een leuk gesprek kunnen worden …

Afscheid van een burgervader

Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

Herdenkingsdienst Eberhard van der LaanDat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent.

Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen.

Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.