Jezus blijft maar bruiloftsgast

Nog nooit heb ik zoveel huwelijken ingezegend als het afgelopen jaar, deels doordat de pandemie leidde tot uitstel van bruiloften. Maar hoe vaak ik ook twee geliefden in de echt verbind, het blijft altijd een voorrecht, omdat je als voorganger even onderdeel bent van iets dat ik het best kan omschrijven als vreugde. Elke keer weer word ik verrast door de vreugde en vrolijkheid die op een bruiloft heersen en die ook de viering en inzegening in de kerk tot een feest maken.

Foto: Chris Dickens op Unsplash.

Tijdens een van de huwelijksdiensten dit jaar lazen we het verhaal van Jezus die op de bruiloft in Kana water in wijn verandert (Johannes 2:1-11). Ik herinnerde me een passage uit de roman De gebroeders Karamazov van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski, waar dit verhaal in voorkomt. De jongste broer, Aljosja, hoort tijdens de nachtwake voor zijn overleden geliefde starets Zosima, dit bijbelverhaal lezen. Half dromend bedenkt hij zich dat de eerste keer dat Christus een wonder op aarde deed, zijn hart niet naar het leed, maar naar de vreugde van de mensen uitging. Jezus’ eerste wonder zorgde op een bruiloft voor wijn, die volgens de Bijbel het hart van de mensen verheugt. Zijn eerste goddelijke teken toonde niet de God die zich bekommert om zieken, zondaren en armen, maar de God die zich druk maakt om de feestvreugde van ons mensen.

Het lijkt erop dat Jezus altijd weer te gast is op een bruiloft om, net als ooit in Kana, te zorgen voor onbekommerde vrolijkheid en vreugde. Hoe serieus het sluiten van een huwelijk ook is en hoezeer het leed en de lasten van het leven ook op een bruiloft aanwezig kunnen zijn, toch valt dat in het niet vergeleken bij de heerlijkheid van de oprechte liefde van twee mensen en de vrienden en familie die met hen vrolijk zijn. Een bruiloft is licht — in twee betekenissen: mensen stralen altijd (een beetje) en het leven voelt niet zwaar, maar licht — als een vrolijk veertje dat door lucht dwarrelt.

Nu vind ik leven best een opgave en geloven maakt het voor mij lang niet altijd lichter. Bovendien zijn onze tijden nu ook niet echt vrolijk te noemen. En er is ook zoiets als ‘de ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, wanneer je maar een beetje oppervlakkig en ijdel leeft. Daarbij komt dat ik vroeger vaak gewaarschuwd ben tegen lichte kerken en vrolijk geloof. Dat alles maakt dat ik eerder neig naar ernst en zwaarte en vooral oog heb voor het hart van God dat uitgaat naar het leed en de nood van ons mensen.

Maar gelukkig verschijnt Jezus altijd weer als gast op bruiloften, opdat wij nooit zullen vergeten dat Gods hart ook echt uitgaat naar de vreugde van zijn kinderen.

Gewoon God en verder niet veel meer

‘Hij geloofde in God en niet zo gek veel meer’ (‘He believed in God and precious little else’), zo schreef de Engelse krant The Times bij het overlijden van de mij verder onbekende Anglicaanse priester Herbert Kelly (1860-1950). Sinds ik dat zinnetje ergens tegenkwam, is het in mijn hoofd blijven hangen. Het fascineert me. Wat is dat voor geloof, als je alleen in God gelooft en de rest er niet echt toe doet? Kan dat eigenlijk wel, zo simpel geloven?

Foto: Jeremy Bishop op Unsplash.com

Het roept in ieder geval een verlangen bij mij wakker. Een verlangen naar simpel en kernachtig geloven. In de kerk kunnen we zo met van alles en nog wat bezig zijn dat je gemakkelijk kunt vergeten dat het om God gaat. En geloven kan zo belast worden met lastige en ingewikkelde vragen dat God verdwijnt in een dikke mist van twijfels en bezwaren. Daarbij zijn we in onze cultuur zo gefocust op wat wij voelen, beleven en vinden, dat ons geloven en spirituele zoeken al onze aandacht vragen en God in wie we geloven en om wie het gaat er uiteindelijk nogal bekaaid vanaf komt.

Wat me in dat zinnetje over Kelly zo raakt is de eenvoud. En volgens mij kunnen we daar best wel wat van gebruiken vandaag. Ik moet denken aan wat Jezus zei tegen de drukke Martha: ‘Je maakt je druk over veel dingen, maar slechts één ding is nodig.’ (Lukas 10:41-42) En is dat ene niet in de eerste plaats God zelf, die we mogen liefhebben met heel onze ziel en zaligheid? God, die, in de woorden van de Engelse mystica Evelyn Underhill, ‘het enige interessante ding aan religie’ is.

Je richten op dat ene ding maakt je ook vrij. Misschien is dat wat me het meest fascineert: de vrijheid van een leven dat geconcentreerd is op één ding, waardoor je je dus niet druk hoeft te maken over heel veel andere dingen. De vrijheid van een geloof dat leeft met en van God en heel veel ballast kan afwerpen. 

Ik heb me ook afgevraagd of zo’n vrij en eenvoudig geloof niet asociaal en egoïstisch is. Misschien was eerwaarde Kelly wel gewoon het type mens die zijn eigen plan trekt en zich verder van niets en niemand wat aantrekt. Toch denk ik dat dit niet zo is. Als je gelooft, kom je immers in aanraking een Ander, die je ook (of misschien wel: vooral) vrij maakt van jezelf. Ik geloof in God. Punt. Angstaanjagend, maar ook onbevreesd vrij. 

Verliefd op God?

Het voelde als een coming-out. Met lichte schaamte kwam het er bij mij uit: ‘Ja, ik ben weleens verliefd op God.’ Vier paar tienerogen keken me eerst glazig en daarna met een mengeling van medelijden en spot aan. Het voelde ook awkward en dwaas: een veertiger die in een suf kerkelijk zaaltje met een paar tieners over verliefdheid begon en stelde dat je ook op God verliefd kon worden. In het (wat mij betreft goede) gesprek dat volgde bleek dat zij zich niks bij verliefd worden op God konden voorstellen en zich afvroegen of God niet te anders en te groot was voor onze verliefdheid. Is verliefdheid niet een te menselijke manier om God te benaderen? En we noemen God toch Vader, bij een relatie tussen ouder en kind past toch geen verliefdheid?

Foto: Nick Fewings op Unsplash

Ze hebben een punt: verliefdheid is een menselijke ervaring die je niet zomaar op de verhouding tussen God en mensen kunt toepassen. God is niet je vriendje of vriendinnetje. Geloven is gelukkig veel meer dan met vlinders in je buik je aan God overgeven. En verliefdheid op God kan ook een manier zijn om een gebrek aan liefde van en voor mensen te compenseren. Maar dit gezegd hebbend, blijf ik erbij dat verliefdheid een menselijke ervaring is die op een bepaalde manier ook een plek heeft in onze verhouding met God. De Deense denker Søren Kierkegaard merkt ergens op dat gelovigen eigenlijk de meest verliefde mensen op aarde zouden moeten zijn. Ik kan het citaat nergens meer vinden, maar ik denk dat Kierkegaard niet doelt op de romantische gevoelens van verliefdheid, maar op de ervaring van helemaal gegrepen zijn en meegenomen worden door de liefde van God.

Er is een boek in de Bijbel dat je het boek van deze verliefdheid kunt noemen: het Hooglied. Hooglied is een verzameling liefdesgedichten die beginnen met het hartstochtelijke verlangen naar een kus: ‘Laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond.’ Nu kun je deze gedichten lezen als Oosterse liefdespoëzie, waarin twee geliefden naar elkaar verlangen en zingen over de intimiteit en onschuld van de liefde. Maar zowel in het jodendom als in het christendom is het Hooglied in de eerste plaats gezien als een lied dat gaat over God en de gelovige(n) die naar elkaar verlangen en elkaar beminnen. De liefde van God en voor God is geen abstract of theoretisch idee, maar is even hartstochtelijk als de liefde van een verliefd koppel. Bernardus van Clairvaux, die 86 preken hield voor zijn medemonniken over de eerste twee hoofdstukken van het Hooglied, zegt in één van die preken dat ‘God liefheeft met de bedoeling bemind te worden.’ Behoort dat niet tot het wezen van de liefde? Die pas tot haar bestemming komt als ze in vrijheid wordt beantwoord met wederliefde — voor anderen, voor jezelf en ook voor God?

En natuurlijk is die wederliefde veel meer dan verliefdheid. Maar in die liefde voor God kan de overgave, de passie, de verrukking en het totale die bij verliefdheid horen ook doorbreken. Dat is een geschenk, zoals alle liefde ten diepste een geschenk is dat je overkomt. Maar je kunt er wel naar verlangen — dat je geraakt wordt door Gods liefde en zo ook verliefd wordt op God (‘gekust’ zegt het Hooglied). En zo simpel begint liefde vaak ook: door ernaar te verlangen. Misschien voelt het dwaas in onze tijd, waarin velen God eerder als een ver en vaag iets dan als een hartstochtelijke minnaar ervaren. En ook wat overdreven onder gelovigen die eerder zuinig en veilig geloven dan dat de hartstocht voor God hen verteert. Maar is de liefde niet altijd een waagstuk en een beetje dwaas?

Nu nog geen hoop

Nog altijd kan de wereld nieuw beginnen
in ieder kind kan het opnieuw beginnen.

Dit zijn regels uit het gedicht ‘Het kind’ van Muus Jacobse. Dit gedicht uit 1936 begint somber:

Ons is geen toekomst en geen keus gelaten:
wij moeten voort, verward en hulpeloos
.

Ik moet vaak aan deze woorden denken als er een kind wordt gedoopt en laatst nog toen ik twee keer kort na elkaar hoorde van koppels die geen kinderen op de wereld wilden zetten, omdat ze geen toekomst voor hen zagen. Een consequente gevolgtrekking van een breed gevoelde hopeloosheid over de toestand en toekomst van planeet en mensheid. Een hopeloosheid waar geen kind tegenop gewassen is.

Foto ‘Beauty in Decay‘ van Annie Spratt op Unsplash

Hebben we nog hoop? Dat lijkt me een eerlijke vraag voor het nieuwe jaar. Dat we hoop nodig hebben, hoor je overal in deze crisistijd. En in de kerk hebben we toch hoop? Moeten we die toch ook delen? Vieren we niet iedere zondag het onmogelijke, hoopvolle gebeuren van Pasen? Hebben we niet een Bijbel vol verhalen en beloften van hoop? Jawel, maar de vraag is hoe die hoop vandaag hoop voor ons en onze buren en onze aarde wordt. Moeten we dan niet eerst de hopeloosheid goed in de ogen kijken en tot ons laten doordringen?

Als we dat niet doen is de kans groot dat de hoop die we koesteren en delen valse hoop is of, erger nog, goedkoop, makkelijk optimisme. Natuurlijk kunnen we handelaars in de hoop worden — er is vraag genoeg — en ons product mooi inpakken en met feel-good reclame in de markt zetten, maar als het geen echte hoop is, zijn we leugenaars en fraudeurs van het wrede soort.

De Engelse schrijver en ‘prins van de paradox’ Gilbert Keith Chesterton schreef: ‘hoop is hopen als de dingen hopeloos zijn of het is helemaal geen deugd.’ Ik denk dat Chesterton met deze woorden zijn dikke vinger bij de bijbelse betekenis van de hoop legt. Hoop komt op uit crisis en teleurstelling, zij is de bloem die op het nulpunt groeit, de deugd die juist in de hopeloosheid geleerd en geoefend wordt. Zoals Noach de duif van de hoop pas losliet na de zondvloed en niet voordat het begon te regenen.

Misschien zijn goedkoop optimisme en als hoop verpakte gemakzucht wel een grotere vijand van echte hoop dan hopeloosheid en wanhoop. En zou het daarom niet goed zijn dat we dit jaar het woord ‘hoop’ eerst een tijdje inslikken en ruimte maken (ook in de kerk) voor het nulpunt — voor wanhopen, klagen, schamen, niet weten, pessimisme, ons verlies nemen en bang zijn voor de toekomst? Er is voor alles een tijd, schreef de Prediker (3:1-8), ook voor rouwen, verliezen en zwijgen.

Ik ben niet bang dat we zo de hoop kwijtraken en in wanhoop wegzinken. De apostel Paulus eindigt zijn hooglied van de liefde (1 Korintiërs 13) met de troost en geruststelling dat geloof, hoop en liefde ‘blijven’. De hoop blijft — als gave van God die Hij zal geven op punt nul, aan hen die hopeloos zijn en opnieuw willen en zullen beginnen.

Deze blog verscheen als nieuwjaarsbijdrage in Kerk in Mokum (januari 2022)

Gevaccineerd, noch ongevaccineerd


Nu de anderhalvemeter-maatregel verdwijnt en een coronapas verplicht is voor een café- of concertbezoek, wordt de tweedeling in onze samenleving tussen mensen die gevaccineerd zijn en de ongevaccineerde minderheid verscherpt. Daarover wordt veel gedebatteerd en natuurlijk ook weer gepolariseerd. Een spannende vraag voor mij is of gelovigen daar op een andere manier mee om kunnen gaan. Als antwoord drie bijbelwoorden die wat mij betreft de goede richting wijzen.

Foto: Mat Napo on Unsplash

In de brief aan de Galaten (3:27-28) schrijft de apostel Paulus: ‘U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u omkleed met Christus. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen — u bent allen één in Christus Jezus.’
Ik denk dat we in onze situatie de gevaccineerden en ongevaccineerden aan dit rijtje moeten toevoegen. In Christus zijn er ook geen gevaccineerden en ongevaccineerden. De verschillen tussen ons mensen op allerlei vlak zijn reëel en soms lastig, maar ze worden overstegen door een hogere verbondenheid: namelijk het geloof in onze Heer en Verlosser. Paulus gebruikt het beeld van een mantel die je omslaat: Christus is de mantel die de verschillen bedekt en daarmee ook relativeert. In de kerk word je — althans dat is de bedoeling — niet eerst gezien als man of vrouw, zwart of wit, arm of rijk, homo of hetero, gevaccineerd of ongevaccineerd, maar als kind van God of als kind van God in spe. Dat is de radicale en in deze gepolariseerde tijd ook helende consequentie van het evangelie van Gods genadige liefde voor allen, die we met dezelfde koppigheid als de apostel Paulus zullen moeten vieren, volhouden en verdedigen.

Wat betekent dat ‘in Christus zijn’ concreet voor al dan niet vaccineren? In de eerste plaats een houding van gezonde onbezorgdheid. In de Bergrede draagt Jezus zijn leerlingen op om zich niet bezorgd te maken over eten, drinken en kleding — dat zijn dus de basisbehoeften, die net zo basic zijn als onze gezondheid. ‘Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en de het lichaam meer dan de kleding?’ (Mattheüs 6:25)

Het overheidsbeleid op het gebied van COVID-19 heeft zich niet laten inspireren door deze woorden. Het wordt gedreven door bezorgdheid en het doel om door planning, beïnvloeding en technologie zekerheid en controle over het leven te verkrijgen. En, laten we eerlijk zijn, ook gelovigen zijn onderdeel van onze bezorgde en op controle gerichte cultuur, waarin gezondheid en/of welvaart het hoogste goed zijn.
Veel tegenstanders van vaccinatie zijn echter net zo bezorgd. Ze zijn bezorgd over de effecten van vaccins, over de invloed van de overheid, hun vrijheid en/of geheime complotten tegen de mensheid.
Het zou echt een heel stuk helpen als beide groepen iets minder bezorgd zouden zijn over hun leven en hun lichaam en zich meer zouden richten op het koninkrijk van God en de gerechtigheid daarvan. Dat is volgens Jezus het alternatief voor de bezorgdheid over de basisbehoeften. Immers, als je je minder druk maakt over je eigen gezondheid, kun je je richten op wat God vandaag van ons vraagt en daarmee ook op anderen en hun zorgen.

Let op, ik denk niet dat onbezorgdheid hetzelfde is als onvoorzichtigheid of het bijgelovige idee dat je als gelovige onkwetsbaar kunt zijn voor ziekte (dat is eerder een vorm van God verzoeken). Geloven is je toevertrouwen aan Gods zorg, die ook via de gezondheidszorg en het overheidsbeleid werkt. Ik zie ook in een vaccin die zorg, maar weet ook dat niet iedereen mijn vertrouwen deelt. De heilige onbezorgdheid die we van Jezus kunnen leren en ontvangen geeft ons het vertrouwen en helpt ons om als gevaccineerden en als ongevaccineerden te denken aan anderen en aan meer dan alleen gezondheid, vrijheid of welvaart.

En dat brengt me tenslotte bij wat Paulus aan de Korinthiërs schrijft over ‘de wereld gebruiken, alsof je die niet gebruikt’ (1 Korinthiërs 7:29-32a). In dat ‘alsof’ zit een wijsheid die helpt om niet zó in de dingen van ons bestaan op te gaan dat we erdoor worden ingepakt of opgevreten en ze ons het zicht op God en zijn rijk benemen. Dus is de oproep vandaag: Laten zij die gevaccineerd zijn, zijn alsof ze niet gevaccineerd zijn en zij die niet gevaccineerd zijn, alsof ze dat wel zijn. Willem Engel wees alsof je Hugo de Jonge bent. En laat Diederik Gommers zijn als Doutzen Kroes. Ik besef dat dit gemakkelijker is gezegd dan gedaan. Maar nu ik — die gevaccineerd ben — dat ‘alsof’ even tot me laat doordringen, geeft het rust en begrip voor anderen en schept het een wonderlijke vrijheid. Die vrijheid (die ons misschien iets verder helpt) wens ik iedereen in deze verkrampte coronawereld van harte toe!

Wat als Jezus tijdens een pandemie was geboren?

Wat als Jezus was geboren tijdens de Corona-pandemie?
Was Hij dan wel in Bethlehem geboren? Want de Romeinse keizer had de volkstelling, waardoor Jozef en zijn hoogzwangere vrouw van Nazareth naar Bethlehem moesten reizen, vast uitgesteld om het reisverkeer in zijn rijk te beperken. Of had hij belastinginkomsten (waarvoor volkstellingen nodig waren) voorrang gegeven boven de volksgezondheid, zodat Maria en haar timmerman toch naar de stad van David waren afgereisd?

Foto: Martin Vysoudil op Unsplash

In het kerstverhaal wordt verteld dat er in de herberg van Bethlehem geen plaats voor de heilige familie was, waarschijnlijk omdat die vol zat. Zou dat met een pandemie anders zijn geweest? De hotels zitten nu met de feestdagen boordevol, omdat dit de enige manier is om buitenshuis te eten. Maar toen Jezus werd geboren was Kerst nog geen feestdag, dus grote kans dat de herberg tijdens de pandemie nog kamers over had en Jezus dus niet in een kribbe in een stal op aarde kwam, maar zijn eerste levenslicht zag in een keurig kinderbedje op een Bethlehemse hotelkamer.

Dan had de engel de herders in het veld dus naar de herberg moeten sturen. De herders waren natuurlijk gewoon buiten aan het werk. Ook tijdens een pandemie moesten ze immers op hun schapen passen. Op anderhalve meter had de engel het Breaking News over de geboorte van Gods nieuwe koning aan hen verkondigd. En de engelenschaar had ook gewoon het ‘Ere zij God’ mogen zingen, omdat ze het buiten deden, in de oneindige kosmos waar de aerosolen niet blijven hangen. Alleen zouden de herders even hebben geaarzeld voordat ze naar het stadje gingen om te kijken naar het kind dat de wereld zo nodig had. ‘Zouden ze ons nu wel willen ontvangen? Hoeveel mensen mogen er eigenlijk op bezoek in die herberg? Hebben we mondkapjes bij ons?’ Maar ze zouden vast zijn gegaan.

De wijzen uit het Oosten waren echter niet op kraambezoek gekomen. Ze waren niet voor niets wijs en begrepen dus dat je midden in een pandemie zo min mogelijk moest reizen. Omdat ze de grote, bijzondere ster van de nieuwe koning aan de hemel hadden zien stralen, was er wel een vuurtje van verlangen en hoop in hun hart aangestoken. Ze moesten iets doen en hadden hun goud, wierook en mirre als pakket laten versturen naar de nieuwe koning van de Joden. Of alles goed was aangekomen blijft natuurlijk de vraag. Of de geschenken waren bij koning Herodes terechtgekomen, die ze had opgevat als een wat laat cadeau voor zijn troonsbestijging meer dan 30 jaar eerder, of een onoplettende pakketbezorger had ze toevallig toch bij de kleine koning Jezus in Bethlehem bezorgd. In ieder geval had de pandemie ervoor gezorgd dat de kleine kinderen van Bethlehem niet door Herodes waren vermoord en dat Jezus en zijn ouders niet hadden moeten vluchten naar Egypte om daar een paar jaar in een AZC te verblijven.

Als Jezus tijdens een pandemie was geboren, was het anders gegaan, maar ook weer niet zo anders. Hij was gewoon geboren en het had ons in onze pandemie wat extra getroost dat ook Gods Zoon de ellende en ongemakken van een pandemie had meegemaakt. Kerst vieren tijdens een pandemie zou dan ook minder vreemd voelen. Maar misschien is het ook helemaal niet zo vreemd als je bedenkt dat Kerst gaat over God die ons menselijk bestaan heeft gedeeld en bemind tot het bittere einde — met alles wat daarbij hoort, ook pandemieën en hun gevolgen. 

Daarom alvast een gezegend pandemie-Kerstfeest gewenst!

De winst van het corona-voorbehoud

Met de vakantie in zicht zijn we weer begonnen aan de planning van een nieuw seizoen in de kerk. Het is een jaarlijks ritueel van zowel terugkijken en evalueren, als vooruitkijken en plannen maken. Het is de tijd van overleggen, to-do-lijstjes en agenda’s. Dit jaar is het toch anders, omdat boven het nieuwe seizoen een corona-wolk hangt. Een dreigende wolk in de verte die al onze plannen kan verstoren. Ik hoop net als iedereen dat het meevalt, dat die wolk overdrijft of slechts een paar kleine, plaatselijke buien veroorzaakt, waarvan de overlast en ellende beperkt blijft. Maar ik besef dat het opnieuw raak kan zijn, met als een van de gevolgen dat onze plannen en activiteiten voor een tweede keer in het water kunnen vallen.

Foto van Tim Mossholder op Unsplash

Een agenda is een vreemd attribuut in onzekere tijden. Hoeveel afspraken heb ik de afgelopen maanden niet doorgestreept? Daardoor besef ik dat alles wat ik er nu in vastleg onder voorbehoud is, terwijl dat boek (ik gebruik nog een ouderwetse papieren exemplaar) normaal houvast geeft en orde schept in mijn bestaan. Aan de ene kant vind ik die onzekerheid lastig, maar aan de andere kant merk ik dat dit corona-voorbehoud ook een gat in het leven slaat, waardoor er iets anders zichtbaar wordt. De onzekerheid van deze tijden is een scheur waardoor een streepje ander licht ons geplande, op zekerheid gerichte leven binnenvalt — om een beeld van zanger Leonard Cohen te gebruiken.

Ik zie drie van die onverwachte lichtstraaltjes door het gat van het corona-voorbehoud binnenvallen.

  • Ik ga er meer van bij de dag leven. Onzekerheid over de toekomst dwingt je om meer in het heden te blijven. Bij C.S. Lewis kwam ik de waardevolle gedachte tegen dat God vooral geïnteresseerd is in de eeuwigheid en het heden. Dat laatste interesseert God omdat het heden het punt is ‘waarop tijd en eeuwigheid elkaar raken’ en waar we ‘vrijheid en werkelijkheid’ kunnen vinden. Nu ik door het corona-virus veel sterker besef dat de toekomst onzeker is, word ik met mijn neus op het heden gedrukt. Nu is de tijd waarin ik zo goed en echt mogelijk leven mag en moet en voor morgen en later geldt het voorbehoud van de bijbelschrijver Jakobus: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’
  • Als onze plannen en vaste patronen in de war worden geschopt, komt er ook ruimte voor improvisatie. In de afgelopen maanden hebben we op allerlei manieren moeten improviseren om toch contact te houden, te zorgen voor elkaar, te vergaderen en te vieren in de kerk. Dat heeft veel energie gekost en het was lang niet altijd ideaal, maar er ontstond ook ruimte om onbekommerd wat te proberen en hoe mooi was de saamhorigheid van de amateurs (liefhebbers) die er samen het beste van maakten?
  • Het verschil tussen vertrouwen en zekerheid is helderder geworden. In onze op veiligheid, controle en zekerheid gerichte samenleving beseften we opeens hoe kwetsbaar we zijn en hoe onzeker ons leven is. Bij het boodschappen doen, als je begon te hoesten, als je de alarmerende nieuwsberichten zag, kwam het op vertrouwen aan, omdat er simpelweg geen zekerheid was of omdat de zekerheden waar sommigen voor kozen er zo angstig en egoïstisch uitzagen dat ze mij niet konden overtuigen. Ik heb het als een geschenk ervaren om vertrouwen te kunnen zoeken en vinden bij God, om in de crisis, zonder grip en zekerheid toch houvast en vrede te ontvangen. De blijvende onzekerheid voor de komende tijd is lastig, maar ook een uitnodiging tot en test van vertrouwen op God. God, die volgens Jezus niet alleen voor de vogels en de lelies zorgt, maar ook voor dat kwetsbare, angstige schepsel dat mens heet.

De opmerking van C.S. Lewis is te vinden in Brieven uit de hel, XV. Het citaat van Jakobus in het bijbelboek Jakobus 4:15 en Jezus’ onderwijs over onbezorgd leven in het evangelie van Mattheüs 6:24-34.

Ontsmettingsgel als heilig teken

Afgelopen zondag heb ik eindelijk weer een kind gedoopt. Gedekt door de onlangs toegekende status van het contactberoep, mocht ik volkomen legaal de heilige grens van de anderhalve meter overschrijden om met drie handen water de kleine Thomas in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te dopen. Eén ding was echter anders — het nieuwe normaal, zoals dat heet in het communicatiejargon van de overheid. Voordat mijn handen het doopwater aanraakten, moest ik ze ontsmetten met handgel uit een blauw flesje dat daarvoor achter de bos bloemen gereed stond.

Het voelde als een nieuw ritueel: voor aller oog je handen grondig reinigen, om pas daarna over te gaan tot het tweeduizend jaar oude sacrament van de doop. Mijn eerste gedachte was dat hier het oude en het nieuwe normaal goed bij elkaar passen. Is de doop ook niet een teken van reiniging? Van een grondig bad, waarin God een mens eens goed schoonmaakt? Het kwaad dat aan ons mensen kleeft, zit dieper en is taaier en besmettelijker dan we denken. Hebben de demonstranten in deze dagen het niet over het wereldwijde hardnekkige virus van het racisme? En dat gaat ook over mij, al heb ik een afkeer van racisme. Tegen het virus van egoïsme en kwaad is water alleen niet genoeg. Toen die glibberige gel door mijn vingers gleed, besefte ik het: ik heb een sterker middel nodig, een ontsmettingsmiddel voor mijn handen, mijn ogen, mijn lichaam en mijn ziel.

In de roman Dit zijn de namen van Tommy Wieringa, komt de hoofdpersoon, politiecommissaris Pontus Beg, tijdens een rondleiding in een synagoge bij de mikwe, het bad voor rituele reiniging. Daar wordt hij diep geraakt. ‘Een druppel viel. Begs hart kromp omdat hij al zo lang niet zo’n sereen geluid gehoord had. De rimpeling op het water stierf vlug weg. Hij zou zich willen uitkleden, de treden afdalen tot op de bodem van het bassin, zijn lichaam onderdompelen, het reinigen van het vuil van de wereld. Zelfs van het vuil dat er niet afging, zou hij zich schoonwassen. Een nieuwe ziel. Daar diep in de aarde, bij het magische water, leek zoiets werkelijk mogelijk. Wat een aangename, troostende gedachte … Zijn oude ziel afleggen, dat rafelige, versleten ding, er een nieuwe voor in de plaats krijgen. Wie wilde dat niet? Wie zou zoiets afwijzen?’ Wieringa had dit over de doop kunnen schrijven.

Het ontsmettingsmiddel en het water afgelopen zondag waren tekens van zo’n nieuw, goddelijk leven, waar je in deze oude, vermoeide wereld zo naar kunt verlangen: je rafelige, versleten ziel kwijtraken en er een nieuwe, gave voor in de plaats krijgen. Ja, wie zou zoiets afwijzen?

Het citaat uit Dit zijn de namen is te vinden op blz. 130 (zevende druk 2013).

Vijf lessen van een verzetsdominee

Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, zouden we allemaal graag de helden zijn geweest — verzetstrijders, Engelandvaarders of mensen die onderduikers schuilhielden. Al valt natuurlijk nog te bezien of wij in hun tijd en hun schoenen hetzelfde zouden hebben gedaan. ‘Wat maakt een mens een held?’ is de spannende vraag die Freek de Jonge stelt in zijn lied over verzetsdominee Jan Koopmans, die in de oorlog in dezelfde kerk werkte als ik nu. Als antwoord op die vraag vijf lessen uit het leven van deze oorlogsheld, die ook we ook vandaag, in onze crisistijd, niet mogen vergeten.

Titelpagina van de illegale Brochure ‘Bijna te laat!’ die Koopmans in november 1940 schreef
  1. Zorg voor diepe wortels. In een crisis helpt het als je ergens voor staat en de wortels van je overtuiging en je geloof dieper gaan dan wat oppervlakkige ideeën en wisselende emoties. Koopmans daagt ons uit om in schokkende tijden vanuit een overtuigd geloof te leven of om dat te zoeken.
  2. Weet wat er speelt. Er waren in Koopmans’ tijd natuurlijk veel meer mensen met een sterke en diepe overtuiging, maar Koopmans had door brede contacten een scherper zicht op wat er in het Nazisme speelde, waardoor hij als één van de eersten in Nederland waarschuwde voor de vernietiging van de Joden.
  3. Leef voor meer dan alleen overleven. Koopmans kwam op voor de Joden, een andere bevolkingsgroep, die bovendien door de bezetter bewust apart werd gezet. Koning Willem Alexander gaf in zijn toespraak tijdens de dodenherdenking dit jaar aan dat de Joodse Nederlanders in de oorlog teveel in de steek zijn gelaten, iets dat Koopmans de kerken, die in zijn ogen veel te voorzichtig en traag waren, ook verweet. Een crisis — ook die van vandaag — maakt vaak heel scherp duidelijk of er in ons leven meer is dan alleen de drang om zelf te overleven.
  4. Vlucht niet weg. Het is bijzonder dat veel van de oorlogshelden die tot op vandaag blijven inspireren mensen waren, die er heel bewust voor kozen om niet weg te vluchten van lijden. Ik denk bijvoorbeeld aan Etty Hillesum, die ervoor koos om met haar Joodse volksgenoten naar de kampen te gaan in plaats van onder te duiken. Vanuit eenzelfde overtuiging keerde Dietrich Bonhoeffer in 1939 terug uit het veilige Amerika om met zijn volk mee te lijden en zich te verzetten tegen het Nazi-bewind. Koopmans kiest er in 1943 voor om na enkele jaren van secretariaatswerk weer gewoon als dominee met de mensen in zijn kerk en de Jordaan de bezetting te ondergaan.
  5. Doe wat je kunt, op de plek waar je bent. Koopmans is betrokken bij het kerkelijk verzet, hij preekt en schrijft pamfletten, boekjes en brieven, hij zet zich onder protest en zonder veel illusies in voor de christen-Joden, die door de bezetter eerst apart werden behandeld, en als dominee in de Jordaan begint hij gewoon met allerlei kerkenwerk en zet zich in voor hen die lijden aan armoede en honger. Heldendom heeft veel minder met superhelden of grote daden te maken, dan met de volharding en moed waarmee je op de plek waar je bent, kiest voor wat waar, goed en rechtvaardig is.

Volgens mij hebben deze vijf lessen van verzetsdominee Jan Koopmans ons genoeg te zeggen en te leren in onze crisistijd.

De troost van de lente

Het gekwetter en gefluit van vogels in de Jordaan. Een tulp op punt van openbreken in een bloembak op de Noordermarkt. De zachtgroene blaadjes van de boom voor mijn raam. Stoepkrijtende en rennende kinderen in de straat. Allemaal tekens van de lente, de jongste en lichtste van de vier seizoenen.

Foto: Katya O. op Unsplash

Dit jaar is de lente anders. Bij het zonnige weerbericht van de komende week staat een covid-19-waarschuwing: ‘het is verleidelijk om met dit weer op pad te gaan, maar blijf thuis!’ Het lentelied dat we op de lagere school zo vaak zongen dat ik het nooit meer kan vergeten ‘Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal’ geldt niet voor dit corona-jaar. En Pasen wordt ook anders.

Het Paasfeest is hét feest van de lente. Ik kan er niets aan doen, maar voor mij is Jezus opgestaan op een stralende lentemorgen, in een tuin vol narcissen, tulpen en krokussen, terwijl de vogels Hem, de koning van het Leven, met een kwetterend ‘Halleluja’ begroetten. Als het op Pasen echt lente is, dan klopt het helemaal — en de weersverwachting zegt dat de kans groot is dat het dit jaar op Pasen ook echt lente is.

Je kunt dat zien als een wrede speling van het lot of een listige verleiding van een kwaadaardig virus. Mensen vechten voor het leven, zieken gaan dood, ouderen zitten eenzaam achter een raam, een gezin zit geïrriteerd opgesloten in een klein huis, je hangt in je eentje verveeld achter een scherm en dan verschijnt daar de lachende lente, die aan de andere kant van het raam je geniepig wenkt: ‘Kom naar buiten, proef het leven …’

Maar je kunt de lente dit jaar ook als een troost ervaren. Terwijl je met eenzame, donkere gedachten, met je handen in het haar of met verdriet en verlies in je hart binnen zit, gaat het leven toch verder met een nieuw begin. Terwijl je keihard vecht voor het overleven van de zieken, geeft het leven buiten je een steuntje in de rug. Terwijl wij in de crisis zitten en niet goed weten hoe het verder zal gaan, wordt het toch Pasen — een echt lentepasen nog wel — omdat Jezus ook in dit rotte corona-jaar leeft en altijd weer opstaat.