Kleuterdominee

De afgelopen weken was ik op dinsdagmorgen even kleuterdominee. De groepen 1/2 van een school in de buurt komen sinds enkele jaren naar de Noorderkerk als ze het thema ‘Christendom’ behandelen. Door het corona-virus konden de bezoeken aan de kerk dit jaar helaas niet doorgaan. Als alternatief maakten enkele gemeenteleden een filmpje over het kerkgebouw en het paasverhaal en spraken we af dat elke kleutergroep een gesprekje met de dominee zou hebben via een online-verbinding. Zo zat ik dus de afgelopen weken achter mijn computerscherm met aan de andere kant steeds een klasje vrolijke vier- en vijfjarige vragenstellers.

Foto door nappy op Pexels.com

Ze vroegen me over de kerk hoe het orgel werkt, waarom er een preekstoel is en waarom er een haantje op de toren staat. Over God, de hemel en de tien geboden kregen we af en toe een heus theologisch gesprek. Over Pasen hadden ze ook veel te vragen: waarom werd Jezus dood gemaakt, hoe kon Hij weer levend worden, bestaat de Paashaas echt, eten we in de kerk chocolade paaseitjes? En ook wilden ze weten hoe je dominee kunt worden en wat voor kleren ik draag. Naast alle vragen en antwoorden was er elke keer ook wel een kleuter die even voor de camera vriendelijk ‘hallo’ kwam zeggen of vertellen dat zij wel of niet gedoopt was. Na een tijdje nam de concentratie af en de onrust toe en namen we vrolijk zwaaiend afscheid.

De ontmoetingen met deze kinderen hebben me verrast. Al deze vragen had ik niet verwacht (dat was wellicht anders geweest als ik vaker kleuters zou spreken). Maar wat me vooral heeft geraakt is het ongedwongen en vrolijke gesprek over geloof, kerk en God met kinderen met allerlei verschillende (geloofs)achtergronden. Ik vond het een verademing, middenin een heftig maatschappelijk klimaat waarin ook kerk en religie snel in een sfeer van afstandelijkheid of zelfs wij-zij terechtkomen.

Ik begrijp na deze ontmoetingen ook weer iets beter waarom Jezus bijzondere aandacht voor kinderen had. Wanneer zijn leerlingen kinderen bij Hem vandaan proberen te houden (omdat die niet belangrijk en serieus genoeg waren), grijpt Hij in en zegt: ‘Laat de kinderen bij Mij komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er zeker niet binnengaan.’ Daarna neemt Hij ze in zijn armen en zegent ze. Als kleuterdominee had ik het voorrecht om de afgelopen tijd even iets van die kinderlijke openheid te ervaren. Voor mij een klein en hoopvol teken van God. Nu hoop ik maar dat ik als kleuterdominee dat ook was voor die kleuters.

Het verhaal over Jezus en de kinderen is te vinden in het Evangelie van Markus 10:13-16

De revolutie van de leugen

De revolutie van de leugen. Zo kun je de bestorming van het Capitool in Washington DC deze week wel noemen. Het was verbijsterend om een meute neo-nazi’s, complot-milities, geradicaliseerde Trump-christenen en een nep-sjamaan door het centrum van de Amerikaanse democratie te zien razen. Maar nog schrikwekkender was om te horen hoe oprecht zij en vele anderen woedend waren, om het onrecht dat hen was aangedaan, namelijk dat de verkiezingen hen waren ontstolen. Hier stonden mensen die met heel hun hart geloofden in een leugen.

Foto Tyler Merbier op Flickr

Aartsleugenaar Donald Trump heeft met hulp van politici, media en kerkelijke leiders het voor elkaar gekregen om miljoenen kinderen te baren, die ondanks tientallen verloren rechtszaken en geen enkel bewijs zijn propaganda en complotverhalen geloven. En dit gebeuren staat niet op zichzelf. Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen spelen hierin een rol, waarvan er sommige typisch voor de VS zijn, terwijl andere in een groot deel van de wereld spelen.

Als de revolutie van de leugen het wint, zullen vrijheid, gerechtigheid en menselijkheid het zwaar krijgen, zoals ze dat hebben onder dictatoriale regimes waar macht altijd de waarheid overvleugelt. Dag Hammarskjöld, de diep gelovige secretaris-generaal van de Verenigde Naties in de jaren zestig van de vorige eeuw, gaf wat mij betreft een profetische waarschuwing: ‘Een woord gebruiken met de grootste voorzichtigheid en met een onwrikbare waarheidsliefde, is voor de maatschappij en het mensdom een noodzakelijke voorwaarde voor verdere groei. Misbruik van het woord betekent verachting voor de mens. Het ondermijnt de bruggen en vergiftigt de bronnen.’ Het is daarom niet alleen Trump en zijn bondgenoten aan te rekenen, maar alle leiders en politici die om welke redenen dan ook met een gebrek aan waarheidsliefde en zonder voorzichtigheid het woord gebruiken. De devaluatie en relativering van de waarheid is niet onschuldig, voorzag Hammarskjöld: de bruggen van de samenleving storten in en de bronnen waar mensen vertrouwen, hoop en een levensrichting uit putten worden vergiftigd.

Als christen ben je ook nog extra gewaarschuwd. Jezus noemde de duivel ‘de vader van de leugen’ (Johannes 8:44). De leugen is dus duivels, dat wil zeggen: door en door slecht, gericht op de vernietiging van wat goed is en van God komt. En ook duivels in de zin van doortrapt en sluw. Dat maakt het dus moeilijk om leugens te ontmaskeren. ‘Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel,’ leerde ik vroeger om mij het liegen te ontmoedigen. Maar als de leugen eenmaal is gezaaid en in het hoofd en het hart van velen wortel schiet, staat de waarheid vrijwel machteloos.

Er zit dus niets anders op dan, zoals ik senator Mitt Romney hoorde zeggen toen de revolutionairen het Capitool uit waren gezet, de waarheid te blijven vertellen — dat is ‘de last en de plicht van leiderschap’ zei hij. Onze spannende tijden vragen om leiders die boven hun eigen belangen en overtuigingen uit de plicht en de last van de waarheid op zich willen nemen. Het zal een strijd zijn, maar de effecten van waarheid en leugen zullen altijd zichtbaar worden. ‘Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan … Zo kunnen jullie hen dus aan hun vruchten herkennen,’ zei Jezus toen Hij het had over wolven in schaapskleren. En dat zijn leugens altijd.

Wat als Jezus tijdens een pandemie was geboren?

Wat als Jezus was geboren tijdens de Corona-pandemie?
Was Hij dan wel in Bethlehem geboren? Want de Romeinse keizer had de volkstelling, waardoor Jozef en zijn hoogzwangere vrouw van Nazareth naar Bethlehem moesten reizen, vast uitgesteld om het reisverkeer in zijn rijk te beperken. Of had hij belastinginkomsten (waarvoor volkstellingen nodig waren) voorrang gegeven boven de volksgezondheid, zodat Maria en haar timmerman toch naar de stad van David waren afgereisd?

Foto: Martin Vysoudil op Unsplash

In het kerstverhaal wordt verteld dat er in de herberg van Bethlehem geen plaats voor de heilige familie was, waarschijnlijk omdat die vol zat. Zou dat met een pandemie anders zijn geweest? De hotels zitten nu met de feestdagen boordevol, omdat dit de enige manier is om buitenshuis te eten. Maar toen Jezus werd geboren was Kerst nog geen feestdag, dus grote kans dat de herberg tijdens de pandemie nog kamers over had en Jezus dus niet in een kribbe in een stal op aarde kwam, maar zijn eerste levenslicht zag in een keurig kinderbedje op een Bethlehemse hotelkamer.

Dan had de engel de herders in het veld dus naar de herberg moeten sturen. De herders waren natuurlijk gewoon buiten aan het werk. Ook tijdens een pandemie moesten ze immers op hun schapen passen. Op anderhalve meter had de engel het Breaking News over de geboorte van Gods nieuwe koning aan hen verkondigd. En de engelenschaar had ook gewoon het ‘Ere zij God’ mogen zingen, omdat ze het buiten deden, in de oneindige kosmos waar de aerosolen niet blijven hangen. Alleen zouden de herders even hebben geaarzeld voordat ze naar het stadje gingen om te kijken naar het kind dat de wereld zo nodig had. ‘Zouden ze ons nu wel willen ontvangen? Hoeveel mensen mogen er eigenlijk op bezoek in die herberg? Hebben we mondkapjes bij ons?’ Maar ze zouden vast zijn gegaan.

De wijzen uit het Oosten waren echter niet op kraambezoek gekomen. Ze waren niet voor niets wijs en begrepen dus dat je midden in een pandemie zo min mogelijk moest reizen. Omdat ze de grote, bijzondere ster van de nieuwe koning aan de hemel hadden zien stralen, was er wel een vuurtje van verlangen en hoop in hun hart aangestoken. Ze moesten iets doen en hadden hun goud, wierook en mirre als pakket laten versturen naar de nieuwe koning van de Joden. Of alles goed was aangekomen blijft natuurlijk de vraag. Of de geschenken waren bij koning Herodes terechtgekomen, die ze had opgevat als een wat laat cadeau voor zijn troonsbestijging meer dan 30 jaar eerder, of een onoplettende pakketbezorger had ze toevallig toch bij de kleine koning Jezus in Bethlehem bezorgd. In ieder geval had de pandemie ervoor gezorgd dat de kleine kinderen van Bethlehem niet door Herodes waren vermoord en dat Jezus en zijn ouders niet hadden moeten vluchten naar Egypte om daar een paar jaar in een AZC te verblijven.

Als Jezus tijdens een pandemie was geboren, was het anders gegaan, maar ook weer niet zo anders. Hij was gewoon geboren en het had ons in onze pandemie wat extra getroost dat ook Gods Zoon de ellende en ongemakken van een pandemie had meegemaakt. Kerst vieren tijdens een pandemie zou dan ook minder vreemd voelen. Maar misschien is het ook helemaal niet zo vreemd als je bedenkt dat Kerst gaat over God die ons menselijk bestaan heeft gedeeld en bemind tot het bittere einde — met alles wat daarbij hoort, ook pandemieën en hun gevolgen. 

Daarom alvast een gezegend pandemie-Kerstfeest gewenst!

Vandaag zit Jezus in het verpleeghuis

Het corona-virus maakt vooral slachtoffers onder de ouderen in onze samenleving. De strategie van de meeste overheden is om hen zoveel mogelijk te beschermen tegen het virus en daarmee tegelijk een overbelasting van de medische zorg te voorkomen. Nu het langzaam duidelijk wordt dat het virus niet snel zal verdwijnen en deze strategie dus grote economische, sociale en persoonlijke offers vraagt, komen we voor de afweging te staan wat het zwaarst weegt: de levens van vooral ouderen of het gezamenlijke belang van vrijheid, welvaart en sociaal geluk.

Foto: Dominik Lange op Unsplash

Deze ellendige afweging komt vooral aan de orde in de discussie over de economische schade van de lockdown-maatregelen. In de Verenigde Staten pleitte een Republikeins congreslid om de Amerikaanse ‘way of life’ (die voor hem vooral bestaat uit economische activiteit en welvaart) voorrang te geven boven de levens van ouderen. Een andere, zeventigjarige politicus gaf aan dat hij en andere ouderen bereid zijn om hun gezondheid en leven te riskeren voor de economie (alsof de economie een godheid is). In Nederland haalde BNR-columniste Marianne Zwagerman de toorn van velen op de hals door het corona-virus te vergelijken met een zeis die door ‘het dorre hout’ gaat en ijskoud te stellen dat we in de corona-crisis de welvaart van onze kinderen om zeep helpen omdat we de dood niet goed kunnen accepteren.
Op een persoonlijke manier speelt dit pijnlijke dilemma ook bij de afweging van bezoek aan of van ouderen: tussen het risico op besmetting en overlijden aan de ene kant en de ellende van eenzaamheid en afstand aan de andere kant.

Laten we gewoon erkennen dat deze crisis ons voor lastige en zwaarwegende afwegingen plaatst, vooral omdat het over mensenlevens gaat. Zwagermans beeld van dor hout voor ouderen is daarbij niet alleen kwetsend, maar ook gevaarlijk, omdat het ontmenselijkt en dit menselijke dilemma tot een economische kwestie maakt, die je vooral pragmatisch moet benaderen en oplossen. Als gelovige denk ik dat twee verhalen van Jezus ons in deze afweging kunnen helpen. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37) wordt Jezus gevraagd wie precies onze naaste is, die wij moeten liefhebben. Als antwoord draait Hij deze vraag om en laat Hij je in de huid van een slachtoffer, dat mensen naast zich nodig heeft, kruipen. In ons geval: kijk in deze crisis met de ogen van de ouderen en anderen die extra kwetsbaar zijn. Jezus verscherpt die manier van kijken nog in de gelijkenis van de schapen en de bokken over het laatste oordeel (Mattheüs 25:31-46). In dat verhaal zijn de zieken, vreemdelingen, armen en gevangenen de mensen met wie Hij zich identificeert — ‘je hebt Mij bezocht als je naar een van mijn zieke of gevangen broers of zussen hebt omgezien,’ zegt Jezus tegen de verraste rechtvaardigen die zover helemaal niet gedacht hebben. Voor ons vandaag zegt dit verhaal dat Jezus dus in een verpleeghuis te vinden is — als een van de kwetsbare ouderen die onze zorg nodig hebben én die ons iets te geven en te leren hebben.

Als je zo naar ouderen kijkt en met hen bent — als mensen en dus niet als dor hout dat de beste tijd heeft gehad en waardeloos is voor de economie — kun je zuiverder en barmhartiger de afweging maken wanneer we ons vol moeten inzetten voor het leven (ook al vraagt dat offers) en wanneer we juist ruimte moeten maken voor het sterven (ook al doet dat pijn). En daarbij blijft de vraag van Jezus of we onze medemens in nood werkelijk zien en nabij komen sowieso staan.

Verhalen alsjeblieft

Van alle vadertaken vond ik het vertellen of voorlezen van een verhaal aan onze kinderen de mooiste. Helaas is met de lagere school ook het voorlezen uit ons leven verdwenen. Lezen staat sowieso onder druk in onze tijd, omdat het beeldscherm en de film het boek naar de rand van het leven hebben geconcurreerd. Daar valt veel over zeggen, maar het betekent niet dat de verhalen uit het leven zijn verdwenen. Ze worden minder gelezen, maar gelukkig wel gekeken en gespeeld. Want zonder verhalen zou het leven arm en oppervlakkig zijn.

Foto: Ben White op Unsplash

Dat geldt ook voor het christelijk geloof, dat gebaseerd is op het grote verhaal en de talloze kleine verhalen van God en mensen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Jezus een verhalenverteller was. Hij vertelde hele gewone verhalen, die gelijkenissen worden genoemd. Die verhalen van Jezus, zegt de Amerikaanse theoloog Eugene Peterson, ‘klinken door en door alledaags: gewone verhalen over land en zaden, maaltijden en munten en schapen, bandieten en slachtoffers, boeren en kooplieden. En ze zijn totaal seculier: van zijn ongeveer veertig gelijkenissen die zijn opgetekend in de evangeliën, speelt er slechts één zich af in de kerk en maar een paar noemen de naam van God.’

Ik vind het jammer dat Jezus op dit gebied in de kerk zo weinig navolging heeft gekregen. Zijn gelijkenissen worden bestudeerd, uitgelegd en bepreekt, maar heel weinig nagedaan — gewoon door net als Hij een verhaal te vertellen, waardoor God stilletjes bij ons binnenkomt en ons uitdaagt. Een verhaal geeft namelijk geen uitleg of informatie over hoe het zit of wat je moet doen. Peterson heeft gelijk als hij stelt dat de verhalen van Jezus ‘geen illustraties (zijn) die de dingen gemakkelijker maken, ze maken de dingen moeilijker omdat ze vragen om gebruik van onze verbeelding.’ Een verhaal neemt je mee in een andere werkelijkheid en daagt je uit om je in te leven en je te verbeelden wat jij zou doen.

Het korte verhaal van Jezus over een koopman en een parel (Mattheüs 13:45-46) is een goed voorbeeld van hoe dat werkt. Jezus vertelt dat het koninkrijk van God te vergelijken is met een ondernemer in luxegoederen die op zoek is naar echt kostbare juwelen. Op een dag vindt hij een parel die zoveel waard is, dat hij alles wat hij heeft verkoopt om die ene te kopen. Dit verhaal prikkelt direct en roept allerlei vragen op. Wat is dat voor een parel? Wat bezielt die koopman om alles te verkopen — is dat niet wat overdreven en link? Wat heeft dit met God te maken? En wat als ik in de schoenen van die koopman zou staan?

Ik hoop dat we het in de kerk aandurven om meer van zulke verhalen te vertellen — nieuwe en oude verhalen. In de Bijbel zelf staan immers ook zoveel goede verhalen, die smeken om gewoon weer als verhaal verteld en gelezen te worden, zodat God via onze verbeelding onze levens kan binnenglippen. Daarom heb ik in een boek een tiental bijbelverhalen opnieuw met verbeelding verteld, in de hoop dat ze doen wat de goede verhalen van God altijd doen: de lezers meenemen en uitdagen en zo in contact brengen met God en zijn verrassende manier van doen.

Het boek Randfiguren met verhalende bijbelstudies is uitgegeven bij KokBoekencentrum en verkrijgbaar bij de (internet)boekhandel.

De gedachten en de citaten van Eugene Peterson over Jezus’ gelijkenissen zijn te vinden in: The Contemplative Pastor (Eerdmans, Grand Rapids, 1989) blz. 32-33.

Het kruis van Jan Palach en Jan Zajíc

In Praag zag ik een kruis verwerkt in het trottoir op het Wenceslausplein. Het was een gedenkkruis voor de studenten Jan Palach en Jan Zajíc, die zich uit protest tegen de militaire bezetting na de Praagse Lente in 1969 op dat plein in brand staken.

Monument voor Jan Palach en Jan Zajíc door Barbora Veselá, Praag

Het is een monument dat je naar de keel grijpt. Een verbogen en verbrand kruis op de grond. Je ziet een kronkelend mensenlichaam dat brandt als een fakkel. Het kruis staat niet rechtop, zoals we gewend zijn, maar ligt plat op de grond — je kunt er zo overheen lopen of op spugen.

Meer dan welk beeld van Jezus aan het kruis ook, laat dit beeld mij iets zien van het zwakke, dwaze en aanstootgevende van God die als Gekruisigde in ons midden is gekomen (1 Korinthiërs 1:18-25). En tegelijk toont dit schokkende beeld de taaie en oersterke kracht van het kruis. Midden in de mega-toeristische hoofdstad van het meest atheïstische land ter wereld stuit je zomaar op het kruis en word je bij je toeristische kladden gegrepen door het verhaal van twee martelaren die vijftig jaar geleden hun leven gaven voor vrijheid en waarheid. Op die plek zie je dat het martelaarschap van die twee jonge mensen sterker is gebleken dan de tanks, de propaganda en de harde hand van het stalinistische regime. Het is een hard en hoopvol teken dat Jezus, Gods eigen martelaar, sterker is dan welke macht ook.

En kijkend naar dat kruis in mensenvorm, besefte ik ook dat je als volgeling van Jezus eigenlijk in een spiegel staat te kijken. Dit kruis van Jan Palach en Jan Zajíc stelt de indringende vraag of mijn leven ook de vorm van het kruis heeft.

De Levensboom

Sinds vorig jaar is de Noorderkerk een klein kapelletje rijker: de Noorderkapel, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen of een kaarsje aan te steken. In die kapel hangt tussen het originele zeventiende-eeuwse tegelwerk een bijzonder cederhouten kruis.

Kruis in de Noorderkapel, Amsterdam; foto Paul Ariese

Op deze Goede Vrijdag moest ik weer aan dit kruis denken, omdat dit de diepere betekenis van het kruis van Jezus zo mooi verbeeldt. We moeten nooit vergeten dat het kruis van Jezus in de eerste plaats gewoon een afgrijselijk executiewerktuig is, een van uitvindingen van de Romeinse beschaving, ontsproten aan het menselijk brein dat, zoals we helaas maar al te goed weten, in staat is om gruwelijke wreedheid te verzinnen en te realiseren. Jezus stierf op deze dag bijna 2000 jaar geleden een wrede dood, aan spijkers hangend op een hout tussen hemel en aarde.

Maar het kruis is meer dan dat. Daarom is deze vrijdag ook ‘goed’ gaan heten. Aan het kruis overwon God het menselijke kwaad door het in zijn liefde op te nemen, te oordelen en te vernietigen. Dat nooit te doorgronden gebeuren van Jezus’ lijden en dood maakt het kruis tot plek waar leven uit de dood voortkomt en waar ‘de verschrikkelijke kracht van de nederige liefde’ (zoals Dostojevki het noemde) de menselijke wreedheid, vijandschap en onverschilligheid overwon. Het is de kruising van hemel en aarde, het punt waar God en mens keihard botsen, de mens wordt gebroken en God in zijn grondeloze mensenliefde de stukken weer heelt.

Het kruis in de Noorderkapel heeft aan een kant een schors, waardoor het hout herinnert aan de boom, de bijbelse ceder van de Libanon. Het kruis is ook een boom — de levensboom. Dit kruis herinnert je aan het leven dat verborgen is in Jezus’ lijden en sterven. En daarbij is het een uitnodiging om het kruis ook daadwerkelijk te leven — om verbonden met Jezus de nederige liefde te leren en in de praktijk te brengen. Het kruis kan geen dood symbool of historisch feit blijven, maar wil tot leven komen — op de grond, in menselijke handen en harten. Daarom is het treffend dat de gebogen voet van het cederhouten kruis onderaan gebutst en verweerd is. Dat hoort bij deze levensboom, die niet zonder butsen en zonder aanraking met aarde en vuil tot leven komt.

Gewoon bidden

Bidden houdt voor mij iets heel weerbarstigs — en ik ben niet de enige. Aan de ene kant is bidden simpel. Het is een bezigheid die veel mensen bijna even automatisch doen als ademhalen: contact zoeken met God — met of zonder woorden, samen of alleen, vast gelovend of twijfelend, in alle rust of in paniek, met een innerlijk verlangen of uit gewoonte. Aan de andere kant kost bidden me hoofdbrekens en heb ik het gevoel dat ik, als ik bid, een taal aan het spreken en leren ben waarvan ik nog maar heel weinig begrijp. Maar die weerbarstigheid hoort er misschien ook gewoon bij.

Als de leerlingen van Jezus Hem zien bidden, vraagt een van hen: ‘Heer, leer ons bidden.’ (Lukas 11:1-4) Het is misschien wel de vraag voor het levenslange leerproces van geloven. Hoe moet ik bidden, wat is bidden, wat kunnen we verwachten van God, hoe houden we het vol? Het antwoord van Jezus gaat over de inhoud. Niet hoe je bid, welke vormen, maar wat je bidt. Blijkbaar is dat voor Hem de kern: dat je de goede woorden leert bidden, dat je wordt ingewijd in een gebedstaal die de juiste focus heeft. Je kunt alles vragen, roepen en zeggen in gebed, maar je moet ook een nieuwe taal leren. Een taal waarmee je verbonden raakt met God, doordat die je verlangens en je leven verbindt met wat God geeft en vraagt. Om die taal te leren geeft Jezus de woorden van het Onze Vader, als een soort grammatica van het gebed.

Wie het Onze Vader vaak bidt of gebeden heeft, weet dat die woorden ook sleets kunnen worden — overbekende woorden die je uit je hoofd kent en als een mantra gedachteloos opzegt. Maar wat als we deze woorden met aandacht zouden bidden — wat denk ik ook de bedoeling van Jezus is? Simone Weil (de Frans-Joodse denkster; 1909-1943) vertelt dat ze tijdens haar werk als oogstarbeidster het Onze Vader reciteerde en ze sinds die tijd zichzelf als enige godsdienstoefening had opgelegd ‘het iedere morgen éénmaal met volstrekte aandacht op te zeggen’.

Dat lijkt mij een goede oefening voor wie wil leren bidden (en voor wie het wil volhouden): met volstrekte aandacht het Onze Vader opzeggen. Deze woorden van Jezus, die zelf in eenheid met God leefde, met aandacht en liefde wegen, uitspreken naar God en laten klinken en werken in je eigen leven(tje).

Zo simpel kan leren bidden dan wel weer zijn.