Gewoon bidden

Bidden houdt voor mij iets heel weerbarstigs — en ik ben niet de enige. Aan de ene kant is bidden simpel. Het is een bezigheid die veel mensen bijna even automatisch doen als ademhalen: contact zoeken met God — met of zonder woorden, samen of alleen, vast gelovend of twijfelend, in alle rust of in paniek, met een innerlijk verlangen of uit gewoonte. Aan de andere kant kost bidden me hoofdbrekens en heb ik het gevoel dat ik, als ik bid, een taal aan het spreken en leren ben waarvan ik nog maar heel weinig begrijp. Maar die weerbarstigheid hoort er misschien ook gewoon bij.

Als de leerlingen van Jezus Hem zien bidden, vraagt een van hen: ‘Heer, leer ons bidden.’ (Lukas 11:1-4) Het is misschien wel de vraag voor het levenslange leerproces van geloven. Hoe moet ik bidden, wat is bidden, wat kunnen we verwachten van God, hoe houden we het vol? Het antwoord van Jezus gaat over de inhoud. Niet hoe je bid, welke vormen, maar wat je bidt. Blijkbaar is dat voor Hem de kern: dat je de goede woorden leert bidden, dat je wordt ingewijd in een gebedstaal die de juiste focus heeft. Je kunt alles vragen, roepen en zeggen in gebed, maar je moet ook een nieuwe taal leren. Een taal waarmee je verbonden raakt met God, doordat die je verlangens en je leven verbindt met wat God geeft en vraagt. Om die taal te leren geeft Jezus de woorden van het Onze Vader, als een soort grammatica van het gebed.

Wie het Onze Vader vaak bidt of gebeden heeft, weet dat die woorden ook sleets kunnen worden — overbekende woorden die je uit je hoofd kent en als een mantra gedachteloos opzegt. Maar wat als we deze woorden met aandacht zouden bidden — wat denk ik ook de bedoeling van Jezus is? Simone Weil (de Frans-Joodse denkster; 1909-1943) vertelt dat ze tijdens haar werk als oogstarbeidster het Onze Vader reciteerde en ze sinds die tijd zichzelf als enige godsdienstoefening had opgelegd ‘het iedere morgen éénmaal met volstrekte aandacht op te zeggen’.

Dat lijkt mij een goede oefening voor wie wil leren bidden (en voor wie het wil volhouden): met volstrekte aandacht het Onze Vader opzeggen. Deze woorden van Jezus, die zelf in eenheid met God leefde, met aandacht en liefde wegen, uitspreken naar God en laten klinken en werken in je eigen leven(tje).

Zo simpel kan leren bidden dan wel weer zijn.

Gebed na #Nashville

Eeuwige God,
Gij die volgens onze traditie geslacht noch gender bezit —
Heilige, Enige, Unieke —
geef ons alstUblieft even rust.
De mensen vinden zoveel,
maar ik ben zoekend
naar U en uw wijsheid.

Ik bid U: denk aan alle homo’s
en transgenders
en aan hun geliefden.
Het is allemaal zo pijnlijk en vermoeiend voor hen.
Ze lezen, horen, denken dat ze er eigenlijk niet hadden mogen zijn,
als onbedoelde uitzonderingen in een door U vastbepaalde orde.
Ze horen dat ze vooral pastoraal bejegend moeten worden,
als de zwarte schapen van de kudde.
Ik smeek U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
met een staf die hen vertroost
en hen in groene weiden en naar stille wateren leidt.

Ik bid U: denk aan al die mannen (en vrouwen)
die bezorgd zijn over de teloorgang van de ordening van het huwelijk
en wat dat aan pijn en chaos geeft,
die ongerust zijn dat ze hun overtuiging moeten opgeven.
Ik heb met enkelen van hen op school gezeten
en met anderen gestudeerd.
Gij weet dat ze oprecht geloven dat ze moeten spreken,
vanwege uw heiligheid en het heil van mensen.
Ik bid U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
en zij uw zwart-witte schapen.

Ik bid U: denk aan uw kerk,
die kwetsbare kudde van uw Zoon,
verdeeld en dolend in de tijd.
Wees Gij toch onze Herder
en wijs ons een weg.
Dat vraag ik U,
in Naam van de Goede Herder,
die nooit getrouwd is geweest
en daarom de bruidegom
van ons allen kan zijn.
Amen



Gij

Hoe spreek je God aan? In de Bijbel is God een wezen tot wie je kunt spreken. God is geen onpersoonlijk iets, geen kosmische energie en ook niet je diepste innerlijke zelf, maar een God die spreekt, hoort, liefheeft, verdriet heeft en boos wordt. Hoewel niet te vatten in menselijke en dus beperkte begrippen als ‘persoon’, openbaart God zich als een Ik met een naam, die mensen aanspreekt bij hun naam en met ‘jij’ en ‘jullie’.

jij
Foto: Antoon Kuper, Jij (flickr.com)

Wie zich aangesproken weet, kan op haar of zijn beurt God aanspreken. En dan komt de vraag: met welk persoonlijk voornaamwoord doe je dat? In het hedendaags Nederlands heb je twee mogelijkheden: ‘U’ of ‘Jij’. De meeste gelovigen (ook ik) kiezen uit eerbied, afstand en/of gewoonte voor de eerste mogelijkheid. Heel af en toe hoor ik iemand tegen God ‘Je’ zeggen. Daarin klinkt nabijheid en intimiteit door, die de formele en afstandelijke beleefdheidsvorm ‘U’ juist mist. Als je bedenkt dat de Bijbelse talen — het Grieks en Hebreeuws — de beleefdheidsvorm niet kennen en dat God in veel andere talen met de vertrouwelijke vorm (‘Du, You, Tu’) wordt aangesproken, blijft het een bijzonder verhaal dat we in het Nederlands God vrijwel alleen op de beleefde en afstandelijke manier aanspreken.

Toch verlang ik niet naar ‘gejij’ en ‘gejou’ tegen God. De Nederlandse jij-vorm is nogal familiair en vrijpostig. Wie ‘Jij’ tegen God zegt, doet al snel alsof God je buurman of je vriendje is. Het wonderlijke en ontzagwekkende geheimenis van God kan maar moeilijk tot uiting komen in het directe en vlakke ‘jij’. Iets wat overigens ook geldt voor de in een deel van de christenheid vaak gebezigde term ‘een persoonlijke relatie met God’ — veel vlakker en nietszeggender kun je de band met God niet omschrijven, dunkt me.

Als we in het Algemeen Nederlands God willen aanspreken moeten we dus kiezen tussen twee kwaden: het al te familiaire ‘Jij’ of het afstandelijke ‘U’. Al is er ook een derde weg, als we het verouderde ‘gij’ weer in ere zouden herstellen. In de roman Stille Zaterdag van Désanne van Brederode zingt een van de hoofdpersonen na verhuizing van Utrecht naar Noord-Brabant de lof van het ‘gij’, waarin afstand en nabijheid, het gewone en het goddelijke met zachte ‘g’ in elkaar overvloeien. Toen ik die hulde aan het zachte ‘gij’ van onder de rivieren las, riep dat veel herkenning op. Na tien jaar Vlaanderen is het ‘gij’ een deel van mijn gewone taal geworden, al gebruikte ik het zelf niet veel en begint het nu in Amsterdam weer langzaam te vervagen. Maar tegen God ben ik wel vaker ‘Gij’ gaan zeggen. Dat ging eigenlijk vanzelf, omdat het Vlaamse ‘gij’ de taal van de Statenvertaling, waarmee ik ben opgegroeid, weer wakker riep. De tale Kanaäns, die het zeventiende-eeuwse eerbiedige ‘Gij’ voor het aanspreken van God heeft bewaard, klonk ook opeens verrassend gewoon in het ‘gij’ en ‘ge’ van het Antwerpse school- of marktplein.

Is dat goddelijke en tegelijk zo gewone ‘Gij’ ook niet het geheim van God? God die afdaalde, ons menselijk bestaan (inclusief de taal) heeft gedeeld en ons zo dicht op de huid komt? Zo’n God spreek je toch niet beleefd-afstandelijk of plat-familiair aan? Bij die God past een zacht en eerbiedig ‘Gij!’

Heilzame onrust

Vorige week zondag viel tijdens het zingen in de kerk mijn oog op een gebed dat stond afgedrukt in het liedboek waaruit we zongen.
‘Laat niet toe dat wij leven
alsof wij niets meer te verwachten hebben.
Wek in ons de heilzame onrust
omwille van het uur waarop uw Zoon zal wederkomen,
Jezus Christus, onze Heer.’

restless
Foto: Restless, stttijn 

Het was de ‘heilzame onrust’ die me raakte. Al veel langer is dat zo. Een bijbeltekst, een lied of een verhaal dat over onrust gaat of me onrustig maakt, weet me vaak te pakken. Weer gebeurde het. Tijdens een weekend om er even tussenuit te zijn en rust te vinden, in een Zeeuwse dorpskerk waar de zondagse dienst braaf voortkabbelde, trof de engel van de onrust opnieuw mijn hart.

Ik weet niet goed waar die ontvankelijkheid voor onrust vandaan komt. Is het de rebelse tiener die af en toe nog even zijn gezicht laat zien? Of het onrustige verlangen naar God, dat in dit leven nooit langer dan een paar minuten gestild wordt? Of het latente gevoel van onbehagen dat er zoveel blijvend mis is in de wereld, waardoor je niet mag rusten? Of het diepgewortelde idee dat je altijd in beweging moet blijven en rust roest? Al deze factoren zullen wel meespelen dat onrust snel bij mij blijft haken.

Aan de andere kant verlang ik naar rust en stilte. En ook daarin ben ik niet de enige. Stilte, onthaasting en rust zijn kostbare goederen geworden, waar veel mensen in de drukte van de ratrace en de onophoudelijke prikkels van onze communicatie naar zoeken. Ook mijn geloof geeft rust. ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid en belast door het leven gaan en Ik zal je rust geven,’ belooft Jezus in een van de mooiste teksten uit het evangelie. (Mattheüs 11:28) Die rust ervaar ik ook in de zondagse kerkdienst, in de stilte van het bidden en als je iemand in alle rust ontmoet.

Maar — wonderlijk genoeg — komt in die rust en stilte vaak toch weer de onrust boven. En dat is heilzaam, zegt het gebed. Er is heilloze onrust, die je als een kip zonder kop doet rondrennen en nergens brengt. Maar onrust kan ook heilzaam zijn: dat je verwachting krijgt en los wordt getrokken uit de onverschilligheid en de onzalige en oppervlakkige rust van een comfortabel en verwend leventje. Dat gaat niet vanzelf is mijn ervaring. Steeds weer moet ik wakker gemaakt worden — door de onrust dat het zo niet langer kan, door het rusteloze verlangen naar God en ook doordat er iets te verwachten is. Laat ons niet leven, zegt het gebed, alsof we niets te verwachten hebben. Ja, je kunt leven alsof er niets meer te verwachten is. Dat kan op allerlei manieren — tevreden, apathisch, krampachtig of druk. Maar er is een uur waarvan zoveel te verwachten is, dat je er heilzaam onrustig van wordt of zou moeten worden.

Stilte

Tijdens een leerhuis deze week over biddend bijbellezen, geleid door dr. Jos Douma, waren we een kwartier stil, mediterend over een bijbeltekst. Het was een wonderlijke ervaring om in een zaaltje van onze kerk, waar bijna altijd woorden klinken, gewoon stil te zijn.

silence
Foto: freeside, Silence

Als dominee ben je weinig stil — je spreekt, je vraagt, je antwoordt, je preekt, je bidt, je leest, je schrijft. Eigenlijk ben je altijd met woorden in de weer. Dat kwartiertje stilte deze week deed me niet alleen goed, het stelde me ook de kritische vraag naar de inflatie van het woord. Doet de veelheid van mijn woorden de waarde en de zuiverheid ervan niet afnemen? Dat geldt voor onze samenleving waarin continue wordt gesproken, gedebatteerd, gechat, geappt, gebabbeld, gebeld, maar ook voor mij. Ben ik niet teveel een woordenkramer, een babbelaar over God en geloof, een goedbedoelende, maar oppervlakkige prater? De bijbelse Prediker waarschuwt dat je in de aanwezigheid van God niet teveel moet praten — ‘wees spaarzaam met je woorden’ (Prediker 5:1). Als ik eerlijk ben: aan die waarschuwing laat ik me als professional van het woord weinig gelegen liggen.

Om me wat op deze vraag te bezinnen, vond ik een boek over de woestijnvaders, de monniken die vanaf het jaar 300 de woestijn van Egypte introkken om onder andere stilte te zoeken en zwijgen te leren. Ik las over een zekere Pambo (303-374 AD), die zich 18 jaar in de stilte terugtrekt om te leren zijn tong zuiver te gebruiken en ook om nuchter het ‘geen woorden, maar daden’ in de praktijk te brengen. Ook als hij terugkeert uit zijn zelfgekozen stilte, spreekt hij niet veel. Maar de woorden die hij spreekt, zijn vol van wijsheid en zegen. ‘De waarde van woorden wordt zichtbaar in de stilte’ is het motto dat in het boek bij Pambo staat. Ik neem me opnieuw voor om de stilte te zoeken, eerst te zwijgen, het babbelen en praten af te leren — juist uit respect voor het woord en uit verlangen om woorden te horen en te spreken die waardevol zijn. Ik word stil.

Bidden met Mumford & Sons

voeten-1Tijdens de kennismaking van het groepje mensen dat zich een paar jaar terug op hun geloofsbelijdenis voorbereidde, ging het ook even over onze favoriete muziek. Daarbij viel de naam van de Britse band Mumford and Sons. Ik had nog nooit van hen gehoord, maar de naam bleef in mijn hoofd hangen.

Een tijdje later zocht ik in de bibliotheek tussen de cd’s en nam een cd van deze band mee naar huis. Ik was snel verkocht en ben een liefhebber geworden van deze stevige folkmuziek in combinatie met de poëtische en diepzinnige teksten vol bijbelse echo’s. Dat laatste hoeft niet te verbazen, als je weet dat frontman Marcus Mumford de zoon is van voorgangers in de Britse Vineyard-kerk. Mumford noemt zijn geloof niet duidelijk, maar ‘werk in uitvoering’ en de band wenst zich verre te houden van het label ‘christelijk’. Dat neemt echter niet weg dat hun songs doorspekt zijn met bijbelse beelden en de sfeer ademen van de existentiële worsteling waarvan de hele Bijbel doortrokken is. Heel wat songs hebben iets van moderne psalmen, worstelliederen waarin een mens vecht met zichzelf, het leven en God.

Een van die psalmen is het lied ‘Below my feet‘ van het album Babel. Uit het donker van een (geloofs?)crisis — alles verloren en ondergedompeld in duisternis — klinkt het refrein als een gebed vanop het nulpunt:

‘Keep the earth below my feet
For all my sweat, my blood runs weak
Let me learn from where I have been
Keep my eyes to serve and my hands to learn
Keep my eyes to serve and my hands to learn’

Dit gebed is opgeroepen door de woorden van Jezus dat alles goed was en dus ook goed zal komen — ‘For I was told by Jesus all was well / so all must be well’ klinkt het in de tweede strofe. Mumford and Sons verwijzen — denk ik — naar een van de visioenen van de Middeleeuwse mystica Julian of Norwich, waarin Jezus haar verzekert: ‘Het komt allemaal goed, het komt allemaal goed, alles komt helemaal goed.’ Dat zijn van die zeldzaam goede woorden die een bodem onder het nulpunt en grond onder je voeten leggen.

Als ik dit nummer luister, zing ik het vrijwel altijd mee — als gebed om grond onder de voeten. Voor mij is dat een basis-gebed: grond onder je voeten, mijn voeten weer op de aarde. Als ik de pedalen dreig kwijt te raken, als de bodem onder wat ik geloof en wat ik zeg begint te schuiven, als ik me afvraag of het nog wel goed komt met ons mensen en deze aarde, dan bid ik met Mumford and Sons om aarde onder mijn voeten en levensgrond om op verder te gaan. Dat gebed is me dierbaar geworden, omdat het zo aards is: voeten, zweet, bloed, ogen en handen. Dit is geen spiritualiteit voor het wellness-centrum of voor gelovigen en spirituelen die willen zweven als een vlinder in een instagram-gefilterd bestaan. Nee, dit is het verlangen van een mens van vlees, bloed en zweet. Een mens die zich vastklampt aan de belofte en de hoop dat het goed komt en genoeg heeft aan grond onder de voeten om opnieuw op te krabbelen en verder te gaan met open ogen en handen.

Slapen in de kerk

27Ik weet erover mee te praten: slapen in de kerk. Soms zie ik ze wegdommelen in de kerkbank of op een stoel in de kring. Terwijl ik probeer hen te inspireren en hun zielen te redden, zie ik ze vechten tegen de slaap. De slapers zijn gemakkelijk te herkennen: knikkende hoofden en glazige ogen die langzaam dicht en dan weer snel open gaan. In een grote kerk valt het niet zo op, maar in de kleinere kring van een gesprekskring des te meer.

Om eerlijk te zijn: ik kan me er niet echt boos om maken. Ik moet namelijk bekennen dat ik ervaring heb met slapen in de kerk (of tijdens een lezing of congres). Ik weet hoe lastig het is om het gevecht met de slaap te winnen. Dat maakt me mild voor mensen die hun kostbare spirituele tijd verslapen. Bij Poimen de Grote, een christelijke asceet die in de vijfde eeuw in de Egyptische woestijn verbleef, kwamen eens enkele oude mannen vragen wat ze moesten doen met broeders die tijdens de dienst in slaap vielen. Poimen antwoordde: ‘Als ik een broeder in slaap zie vallen tijdens het getijdengebed, dan leg ik zijn hoofd op mijn knieën en laat hem rusten.’ Dat vind ik nog eens een mooie reactie die getuigt van een milde wijsheid!

Dus, beste slapers in de kerk of de kring, vrees niet dat ik u publiekelijk te kijk zal zetten of uw slaap ruw zal verstoren. Ik zal u laten rusten en als u wakker wordt doen alsof er niets is gebeurd. En ondertussen bid ik stil de woorden van een psalm: ‘de HEER geeft het zijn beminden in de slaap.’ (Psalm 127 vers 2).

Afbeelding: William Hogarth, The Sleeping Congregation, 1736