Bij het graf van Jan Koopmans

Langs lege grachten en door stille straten fietste ik vanmiddag naar begraafplaats Zorgvlied. Vandaag, 24 maart, is de sterfdag van één van mijn voorgangers in de Noorderkerk. Dominee Jan Koopmans overleed precies vijfenzeventig jaar geleden aan de gevolgen van een verdwaalde kogel van een Duits vuurpeloton dat in het Weteringplantsoen dertig willekeurige mensen doodschoot.

Onder een blauwe lentehemel lag Zorgvlied erbij als een oase van rust — bijna te vredig voor deze plek van de dood. Op een hoekje, onder een boom vond ik het graf van Koopmans. De strakke, sobere grafsteen met geen woord teveel ademt de geest van deze dominee-verzetsheld. Freek de Jonge schreef een pakkend lied over deze atypische held, ‘een calvinistische dominee nog wel’ die volgens hem maar gewoon deed wat hij als consequentie van zijn geloof moest doen: in naam van God zijn stem verheffen en opkomen voor zijn Joodse medemensen.

Juist die calvinistische soberheid ontroerde me vandaag, nu de corona-crisis ons leven grotendeels heeft stilgelegd en gestript tot op de basale vragen van dood en (samen)leven. Een crisis, zo heeft Koopmans in zijn tijd laten zien, vraagt niet om veel en grote woorden, maar om een sober, volhardend geloof en nuchtere, moedige daden. Door de corona-crisis zijn de geplande herdenkingen van Koopmans’ vijfenzeventigste sterfjaar afgeblazen. In zekere zin paste het dus ook wel bij Jan Koopmans dat ik vandaag in mijn eentje in de lentezon bij zijn calvinistische graf stond. Ik heb maar stil gebeden dat ik, die op dezelfde preekstoel als Koopmans mag staan, zijn geloof zal navolgen — ook in de crisis en de vragen van vandaag.

Gebed in tijden van Corona

Eeuwige God,
Nu ons leven is stilgevallen,
een virus zand in de machine heeft gestrooid,
een crisis de normale gang van zaken heeft verstoord,
keren we ons tot U en bidden:

in onze angst en onzekerheid, om vertrouwen,
in onze overlevingsdrang, om oog voor elkaar,
in ons zoeken naar veiligheid, om overgave,
in onze onmacht en kwetsbaarheid, om vrede.

Wij bidden U, barmhartige Vader, voor hen die ziek zijn
om bescherming, genezing en goede zorg.
Wij bidden U, voor hen die sterven
om uw genade en nabijheid.
Wij bidden U, voor hen die zorgen,
artsen, verpleegkundigen, verzorgenden,
om moed, kracht, volharding en zegen.
Wij bidden U, voor hen die besturen
om wijsheid, daadkracht en zegen.

Wij bidden U, heilige God, ook om de moed en openheid
om in deze crisis ons te laten storen en uw stem te horen
om in het stilgevallen leven tot inkeer en inzicht te komen
om oog te krijgen voor het lijden en onrecht in de wereld
om te beseffen wie we zijn en waar het op aan komt.

Bewaar ons, genadige Vader, in en door deze crisis heen,
en maak met ons een nieuw begin,
in de Naam van Jezus,
die ons uw oersterke liefde heeft geschonken —
door crisis, lijden en dood heen.
Amen

Afbeelding: Posters van Dr. Li Wenliang, oogarts in Wuhan, die waarschuwde voor de uitbraak van het corona-virus
Adli Wahid op Unsplash.

Gods dwazen

In de christelijke traditie geldt hoogmoed als de grootste zonde. Een zonde die, volgens de Engelse schrijver C.S. Lewis, iedereen, inclusief de vromen en gelovigen, treft. Voorbeelden te over. In de Griekse havenstad Korinthe vonden Jezus’ eerste volgelingen dat zij, als wijze en spirituele mensen, het erg met zichzelf hadden getroffen, met als gevolg conflict, verdeeldheid en concurrentie over groepen en leiders. Daarop reagerend, schreef de apostel Paulus over Gods strategie om de hoogmoed klein te krijgen: ‘Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen.’ (1 Korinthiërs 1:27-28, Nieuwe Bijbelvertaling) God, zo heeft Paulus gemerkt, heeft ervoor gekozen om op de meest verachtelijke, dwaze en zwakke manier in de wereld te komen en mensen te verlossen — door de dwaasheid van de gekruisigde Christus en zijn even dwaze en onaanzienlijke volgelingen.

Driftwood Christ (Wrakhouten Christus); beeld van R. Baker, St. Mary’s Church Rye, Zuid-Engeland

Dit is geen toeval, maar een wet in Gods economie; zo werkt Hij. God kiest voor wat in de wereld niet meetelt en voor hen die als dwaas en zwak worden vergeten of weggezet. Daarmee draait Hij de rollen om en ondermijnt Hij de gangbare rang- en pikordes. Je komt dat overal tegen in het grote verhaal van God. In een boek haalde ik tien bijbelse buitenstaanders en randfiguren naar voren — sommige onaanzienlijk en veracht, andere eerder vreemd en van buiten, maar allemaal laten ze iets zien van hoe God hoogmoed en status doorprikt. Deze verhalen liggen mij na aan het hart, omdat ik in mijn leven iets van de bevrijdende kracht en werking van Gods tegendraadse manier van doen heb ervaren.

Ik ben God diep dankbaar voor zijn dwazen die mijn levenspad hebben gekruist. Ik zie ze nog staan in de Grote kerk van Gorinchem: een groep verstandelijk gehandicapten die op een zondagmorgen hun geloofsbelijdenis aflegden. Ik herinner me vooral die ene man nog. Hij was het die in elke dienst bij het laatste lied met grote overgave meeblies op zijn fluit. Op die morgen blies hij de dwaze verlossing van de nederige God recht mijn hart in. Later was er Marie-Louise op een bijbelkring in Brussel — een kwetsbare, lichamelijk beperkte vrouw, die vanwege haar eenvoudige puurheid een onuitwisbare indruk op mij maakte. Zij was een levende vraag van God aan mij, die op de rand van het werkende leven rook aan zoveel dat meetelde en iets was in de wereld. Waar wilde ik bijhoren, wat bepaalde wie ik was, waar wilde ik voor gaan? Bijna twintig jaar verder was het een vrolijke, chaotische verjaardag van vrouwen en kinderen zonder verblijfsvergunning, waarop ik iets proefde van een simpel godsvertrouwen waarvan ik de kracht nauwelijks kende. Bij deze mensen, die in onze samenleving letterlijk geen status hadden, verscheen Christus — zwak en toch sterk, veracht, maar zo levend en echt.

Geloven betekent voor mij ook: oog krijgen voor God die juist verschijnt in mensen die wij zwak, onbelangrijk of dwaas vinden én tegelijk zelf ook een beetje een dwaas van en voor God worden.

Verliefd op het vuil

In mijn ouderlijk huis lag vroeger een wc-tapijt. Volgens schrijver Tommy Wieringa had dat eigenlijk niet gekund: ‘Een tapijtje voor de wc lijkt me iets katholieks’, schrijft hij naar aanleiding van een verblijf in een bed & breakfast in het Belgische Kortrijk. ‘Alle ongerechtigheid wordt er onzichtbaar in opgenomen. Een protestant zou zoiets niet doen, die wil het vuil zien.’ Dat gold dus niet voor mijn toch zeer calvinistische moeder en het is dat mijn vrouw een wc-tapijt vies vond, anders had ook ik ons eigen protestantse huis voorzien van een gezellig, voor warme voeten zorgend en plas opnemend badstoffen matje.

Foto door Ian Espinosa, Unsplash

Ook al klopt Wieringa’s veronderstelling niet, dat wc-tapijten niet bij protestanten passen, zijn gedachte dat protestanten het vuil willen zien, is niet helemaal misplaatst. Vooral zijn ene zinnetje over protestantse preken bleef bij mij haken: ‘Ik heb met wellust over het vuil van de wereld horen preken in kale kerken, de protestant is verliefd op het vuil.’ Hij had bij mij in de kerk kunnen zitten. Af en toe betrap ik mezelf op die wellust als ik net iets te graag spreek over de donkere kanten van de mens en de rotzooi in de wereld. Of toch stiekem een heel klein beetje geniet van het vuil dat in een bijbelverhaal of mensenleven aan de orde is. Dit genot is een vreemde vorm van onwaarachtigheid, misschien wel onwaarachtiger dan een wc-tapijtje dat het vuil moet bedekken.

Verliefd op het vuil — dat is wel een protestants trekje. Je bespeurt het in de opmerking van de ernstige gelovige die in een preek de zonde heeft gemist. Het is zichtbaar in de eindeloze aandacht van gelovigen voor de bekeringsverhalen van ruige zondaren die na een wild of duister leven door Jezus in hun kraag zijn gegrepen. Je hoort het ook in de maatschappijkritische preken over het demonische systeem dat ons in de wurggreep heeft. Het duikt op in de vorm van de onbarmhartige zelfkritiek en zelfkastijding van mensen die zich niet goed genoeg vinden. Ook ontwaar je het in de profetieën van de eindtijd vol doemdenken, afval en vernietiging. Zelfs in het zingen en spreken over de gemartelde, lijdende en verlaten Verlosser aan het kruis kan het verschijnen, die verknochtheid aan zonde, duisternis en vernietiging.

Maar de protestanten staan niet alleen met hun verliefdheid op het vuil. Volgens historicus Rutger Bregman is het beeld van de mens als een verdorven, egoïstisch wezen diep geworteld in de westerse cultuur. Politiek, media, wetenschap en filosofie gaan er in zijn ogen allemaal vanuit dat onder een dun laagje vernis van beschaving, rationaliteit of vroomheid de echte mens met zijn verdorven en gevaarlijke natuur schuilgaat. In zijn boek De meeste mensen deugen stelt Bregman dat dit pessimistische beeld van de mens niet klopt en dat het hoog tijd wordt om het te herzien. Omdat ik me betrapt voel in mijn verliefdheid op het vuil, neem ik de uitdaging aan om de komende tijd Bregmans pleidooi voor een minder negatief beeld van de mens serieus te lezen en te overwegen. Al was het alleen maar om te voorkomen dat de goedheid van de mens onder een wc-tapijtje verdwijnt.

De opmerkingen van Tommy Wieringa zijn te vinden in zijn bundel korte verhalen Totdat het voorbij is, de citaten op blz. 14.

Verhalen alsjeblieft

Van alle vadertaken vond ik het vertellen of voorlezen van een verhaal aan onze kinderen de mooiste. Helaas is met de lagere school ook het voorlezen uit ons leven verdwenen. Lezen staat sowieso onder druk in onze tijd, omdat het beeldscherm en de film het boek naar de rand van het leven hebben geconcurreerd. Daar valt veel over zeggen, maar het betekent niet dat de verhalen uit het leven zijn verdwenen. Ze worden minder gelezen, maar gelukkig wel gekeken en gespeeld. Want zonder verhalen zou het leven arm en oppervlakkig zijn.

Foto: Ben White op Unsplash

Dat geldt ook voor het christelijk geloof, dat gebaseerd is op het grote verhaal en de talloze kleine verhalen van God en mensen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Jezus een verhalenverteller was. Hij vertelde hele gewone verhalen, die gelijkenissen worden genoemd. Die verhalen van Jezus, zegt de Amerikaanse theoloog Eugene Peterson, ‘klinken door en door alledaags: gewone verhalen over land en zaden, maaltijden en munten en schapen, bandieten en slachtoffers, boeren en kooplieden. En ze zijn totaal seculier: van zijn ongeveer veertig gelijkenissen die zijn opgetekend in de evangeliën, speelt er slechts één zich af in de kerk en maar een paar noemen de naam van God.’

Ik vind het jammer dat Jezus op dit gebied in de kerk zo weinig navolging heeft gekregen. Zijn gelijkenissen worden bestudeerd, uitgelegd en bepreekt, maar heel weinig nagedaan — gewoon door net als Hij een verhaal te vertellen, waardoor God stilletjes bij ons binnenkomt en ons uitdaagt. Een verhaal geeft namelijk geen uitleg of informatie over hoe het zit of wat je moet doen. Peterson heeft gelijk als hij stelt dat de verhalen van Jezus ‘geen illustraties (zijn) die de dingen gemakkelijker maken, ze maken de dingen moeilijker omdat ze vragen om gebruik van onze verbeelding.’ Een verhaal neemt je mee in een andere werkelijkheid en daagt je uit om je in te leven en je te verbeelden wat jij zou doen.

Het korte verhaal van Jezus over een koopman en een parel (Mattheüs 13:45-46) is een goed voorbeeld van hoe dat werkt. Jezus vertelt dat het koninkrijk van God te vergelijken is met een ondernemer in luxegoederen die op zoek is naar echt kostbare juwelen. Op een dag vindt hij een parel die zoveel waard is, dat hij alles wat hij heeft verkoopt om die ene te kopen. Dit verhaal prikkelt direct en roept allerlei vragen op. Wat is dat voor een parel? Wat bezielt die koopman om alles te verkopen — is dat niet wat overdreven en link? Wat heeft dit met God te maken? En wat als ik in de schoenen van die koopman zou staan?

Ik hoop dat we het in de kerk aandurven om meer van zulke verhalen te vertellen — nieuwe en oude verhalen. In de Bijbel zelf staan immers ook zoveel goede verhalen, die smeken om gewoon weer als verhaal verteld en gelezen te worden, zodat God via onze verbeelding onze levens kan binnenglippen. Daarom heb ik in een boek een tiental bijbelverhalen opnieuw met verbeelding verteld, in de hoop dat ze doen wat de goede verhalen van God altijd doen: de lezers meenemen en uitdagen en zo in contact brengen met God en zijn verrassende manier van doen.

Het boek Randfiguren met verhalende bijbelstudies is uitgegeven bij KokBoekencentrum en verkrijgbaar bij de (internet)boekhandel.

De gedachten en de citaten van Eugene Peterson over Jezus’ gelijkenissen zijn te vinden in: The Contemplative Pastor (Eerdmans, Grand Rapids, 1989) blz. 32-33.

Klimaatreligie?

Met de groei van het klimaatactivisme groeit ook de kritiek en neemt de polarisatie rond de klimaatproblematiek toe. In die polarisatie wordt tot mijn verrassing ook religie betrokken. Sceptici en critici van alles wat met klimaatverandering te maken heeft, spreken over ‘een klimaatreligie’ — en laat het duidelijk zijn, dat is niet positief bedoeld.

Foto: Karen Cantú Q op Unsplash

Ik denk dat de klimaatcritici het woord religie kiezen, om duidelijk te maken dat de klimaatverandering, net als religie in hun ogen, een verzinsel is en bovendien bedoeld om mensen in hun vrijheid en plezier te beknotten met strenge regels en de angst voor hel en verdoemenis. Ik blijf het jammer vinden dat nog zoveel mensen in het Westen zo’n vertekend beeld hebben van religie, alsof het een manier is waarmee bange en zure mensen het geluk van anderen en henzelf willen verpesten.

Hoe ironisch is het dan dat ook christelijke klimaatsceptici zonder blikken of blozen het argument van de klimaatreligie napraten, al gebruiken ze het natuurlijk op een andere manier. Zij wijzen als bijbelse profeten op het gevaar van afgoderij: het klimaat of de aarde krijgen een goddelijke status en dreigen daarmee de plaats van de enige God in te nemen. Maar daarbij zien ze wel over het hoofd dat ze meesurfen op het beeld dat alle godsdienst fake en beknellend is. Het lijkt mij dat ze zo zonder het te beseffen de tak waarop ze zelf zitten aan het afzagen zijn. Ze zullen misschien met de populaire christelijke mantra tegenwerpen dat het niet om religie, maar om relatie gaat. Maar ook die relatie met God is voor buitenstaanders gewoon een religieus gebeuren.

Als het over klimaatverandering gaat, zou ik willen voorstellen om het woord religie gewoon te vermijden. Volgens mij is het een te gemakkelijke manier om wat er aan de hand is niet serieus te nemen. Als je een boodschap of beweging die je niet aanstaat ‘religie’ noemt, heb je in onze Westerse samenleving een perfect excuus om die te negeren — zoals je een opdringerige gelovige schouderophalend laat praten (fijn voor hem, maar ik heb er niks mee). Maar zo simpel werkt het natuurlijk niet.

De beweging rond de klimaatverandering heeft zeker religieuze dimensies: er is sprake van zonde en schuld, van een paradijselijk ideaal en een dreigende vernietiging en er zijn profeten die mensen inspireren of haat oproepen, zoals Greta Thunberg. Maar de klimaatverandering is wel degelijk gebaseerd op permanent wetenschappelijk onderzoek en het klimaatbeleid gaat over nuchtere veranderingen die te maken hebben met menselijk gedrag, technologie en politiek beleid. Je kunt best kritiek hebben op de religieuze dimensies van de klimaatbeweging, maar het is oneerlijk en dom om te denken dat je daarmee de harde, reële en kritische kant van klimaatverandering niet meer serieus hoeft te nemen.

Bovendien is in ieder geval de christelijke religie niet bang voor de feiten of de wetenschap en denk ik dat juist het christelijk geloof kan helpen om eerlijk en kritisch naar ons eigen gedrag te kijken. Twee van de zeven hoofdzonden gaan over menselijk gedrag dat de oorzaak is van veel vervuiling en klimaatverandering: de hebzucht en de gulzigheid of vraatzucht. En een andere hoofdzonde, die van de luiheid, traagheid of onverschilligheid, maakt perfect duidelijk waarom we liever polariseren, elkaar de schuld geven en het ingewikkeld maken dan gewoon verstandig en eensgezind de nodige veranderingen doorvoeren. In plaats van te sneren over klimaatreligie lijkt het me beter om vanuit het geloof te zien wat onze verantwoordelijkheid in de realiteit is.

Daarbij moet ik denken aan het bijbelverhaal van de zondvloed — hoe God de aarde schoonmaakte van het kwaad en de vuiligheid van de mensen en opnieuw begon met de mensen en de dieren in de ark van Noach. Het verhaal eindigt hoopvol met de regenboog, het teken van Gods belofte aan alle levende wezens dat dit nooit meer zal gebeuren. Telkens als ik een regenboog zie, zal ik hopen en bidden dat de goddelijke genade sterker zal zijn dan de menselijke zonde. Dat is volgens mij dan wel weer echte klimaatreligie.

Toeristen in de kapel

Je ziet ze komen op sneakers, slippers of wandelschoenen, reisgids in de hand en mobiel of camera in de aanslag. Toeristen in Amsterdam. Uitgenodigd door een open deur in de monumentale Noorderkerk en een bord dat ze welkom zijn in de Noorderkapel stappen ze het portaal in, werpen een blik in het kleine kapelletje, kijken of ze toch nog ergens toegang tot de kerk kunnen krijgen en maken dan snel rechtsomkeert — op weg naar de volgende bezienswaardigheid of een horecagelegenheid.

Foto Toeristen in Amsterdam (Elias Ehmann op Unsplash)

Sinds vorig jaar is onze kerk een kapelletje rijker, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen en een kaarsje aan te steken. De kapel kent een aantal vaste bezoekers en uit het gastenboek blijkt dat ook voorbijgangers uit binnen- of buitenland er even stil worden en God zoeken. Een oudere mevrouw uit de buurt vond in de kapel God weer terug, nam contact op en kon gesteund door bezoek uit de kerk het laatste stukje van haar levensweg in vrede gaan. Maar verreweg de grootste groep bezoekers wordt gevormd door de toeristen, voor wie deze kleine kapel een teleurstelling is, omdat ze niet gekomen zijn om stil te worden of te bidden, maar om iets te zien.

Naar mijn gevoel is dit kapelbezoek illustratief voor de rol van de kerk in onze tijd. Naast de gelovigen die samen de kerk vormen, druppelen er verrassend genoeg altijd weer mensen binnen die op zoek zijn: Godzoekers, stiltezoekers, mensen met een diep heimwee of een gebroken hart. Maar de grote stroom mensen komt de kerk hooguit als een toerist binnen. Voor hen is een kerk niet meer dan een monument van een dode of vage god of een religieuze attractie in het openluchtmuseum Europa. Dat te beseffen doet pijn, juist omdat dit ook te maken heeft met de kerk in het Westen, die weinig spirituele aantrekkingskracht heeft en daarom vooral als een instituut uit het verleden wordt beleefd.

Maar het zegt ook iets over de geest van onze tijd. Als ik op een morgen een tijdje naar de toeristen rond onze kerk kijk, overvalt mij een triest gevoel van leegheid, van walging soms. Ik besef daarbij dat ik zelf op andere plekken ook toerist ben en ik begrijp ook dat de meeste toeristen onze kapel niet willen bezoeken (ze zouden er trouwens ook niet allemaal in passen). Het gaat me om onze toeristische manier van leven. Het massatoerisme, dat met zijn onrust en drukte het centrum van Amsterdam beheerst, is een spiegel van onze belachelijk oppervlakkige en ook wel tragische manier van leven, zoals Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in zijn laatste roman Grand Hotel Europa. Op zoek naar steeds weer nieuwe belevenissen en plekken, komen we maar moeilijk tot onszelf en tot de kern. Al consumerend en reizend — om de saaiheid of de stress van het leven te ontvluchten — blijven we aan de oppervlakte, met als gevolg dat we snel weer verder moeten, naar nog meer, anders en verder. Dat is de tragiek van het toeristische leven, zoals de Amerikaanse mysticus Thomas Merton schreef: ‘De mensen die het meest reizen, zien het minste.’

Het kruis van Jan Palach en Jan Zajíc

In Praag zag ik een kruis verwerkt in het trottoir op het Wenceslausplein. Het was een gedenkkruis voor de studenten Jan Palach en Jan Zajíc, die zich uit protest tegen de militaire bezetting na de Praagse Lente in 1969 op dat plein in brand staken.

Monument voor Jan Palach en Jan Zajíc door Barbora Veselá, Praag

Het is een monument dat je naar de keel grijpt. Een verbogen en verbrand kruis op de grond. Je ziet een kronkelend mensenlichaam dat brandt als een fakkel. Het kruis staat niet rechtop, zoals we gewend zijn, maar ligt plat op de grond — je kunt er zo overheen lopen of op spugen.

Meer dan welk beeld van Jezus aan het kruis ook, laat dit beeld mij iets zien van het zwakke, dwaze en aanstootgevende van God die als Gekruisigde in ons midden is gekomen (1 Korinthiërs 1:18-25). En tegelijk toont dit schokkende beeld de taaie en oersterke kracht van het kruis. Midden in de mega-toeristische hoofdstad van het meest atheïstische land ter wereld stuit je zomaar op het kruis en word je bij je toeristische kladden gegrepen door het verhaal van twee martelaren die vijftig jaar geleden hun leven gaven voor vrijheid en waarheid. Op die plek zie je dat het martelaarschap van die twee jonge mensen sterker is gebleken dan de tanks, de propaganda en de harde hand van het stalinistische regime. Het is een hard en hoopvol teken dat Jezus, Gods eigen martelaar, sterker is dan welke macht ook.

En kijkend naar dat kruis in mensenvorm, besefte ik ook dat je als volgeling van Jezus eigenlijk in een spiegel staat te kijken. Dit kruis van Jan Palach en Jan Zajíc stelt de indringende vraag of mijn leven ook de vorm van het kruis heeft.

De Levensboom

Sinds vorig jaar is de Noorderkerk een klein kapelletje rijker: de Noorderkapel, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen of een kaarsje aan te steken. In die kapel hangt tussen het originele zeventiende-eeuwse tegelwerk een bijzonder cederhouten kruis.

Kruis in de Noorderkapel, Amsterdam; foto Paul Ariese

Op deze Goede Vrijdag moest ik weer aan dit kruis denken, omdat dit de diepere betekenis van het kruis van Jezus zo mooi verbeeldt. We moeten nooit vergeten dat het kruis van Jezus in de eerste plaats gewoon een afgrijselijk executiewerktuig is, een van uitvindingen van de Romeinse beschaving, ontsproten aan het menselijk brein dat, zoals we helaas maar al te goed weten, in staat is om gruwelijke wreedheid te verzinnen en te realiseren. Jezus stierf op deze dag bijna 2000 jaar geleden een wrede dood, aan spijkers hangend op een hout tussen hemel en aarde.

Maar het kruis is meer dan dat. Daarom is deze vrijdag ook ‘goed’ gaan heten. Aan het kruis overwon God het menselijke kwaad door het in zijn liefde op te nemen, te oordelen en te vernietigen. Dat nooit te doorgronden gebeuren van Jezus’ lijden en dood maakt het kruis tot plek waar leven uit de dood voortkomt en waar ‘de verschrikkelijke kracht van de nederige liefde’ (zoals Dostojevki het noemde) de menselijke wreedheid, vijandschap en onverschilligheid overwon. Het is de kruising van hemel en aarde, het punt waar God en mens keihard botsen, de mens wordt gebroken en God in zijn grondeloze mensenliefde de stukken weer heelt.

Het kruis in de Noorderkapel heeft aan een kant een schors, waardoor het hout herinnert aan de boom, de bijbelse ceder van de Libanon. Het kruis is ook een boom — de levensboom. Dit kruis herinnert je aan het leven dat verborgen is in Jezus’ lijden en sterven. En daarbij is het een uitnodiging om het kruis ook daadwerkelijk te leven — om verbonden met Jezus de nederige liefde te leren en in de praktijk te brengen. Het kruis kan geen dood symbool of historisch feit blijven, maar wil tot leven komen — op de grond, in menselijke handen en harten. Daarom is het treffend dat de gebogen voet van het cederhouten kruis onderaan gebutst en verweerd is. Dat hoort bij deze levensboom, die niet zonder butsen en zonder aanraking met aarde en vuil tot leven komt.

Gewoon bidden

Bidden houdt voor mij iets heel weerbarstigs — en ik ben niet de enige. Aan de ene kant is bidden simpel. Het is een bezigheid die veel mensen bijna even automatisch doen als ademhalen: contact zoeken met God — met of zonder woorden, samen of alleen, vast gelovend of twijfelend, in alle rust of in paniek, met een innerlijk verlangen of uit gewoonte. Aan de andere kant kost bidden me hoofdbrekens en heb ik het gevoel dat ik, als ik bid, een taal aan het spreken en leren ben waarvan ik nog maar heel weinig begrijp. Maar die weerbarstigheid hoort er misschien ook gewoon bij.

Als de leerlingen van Jezus Hem zien bidden, vraagt een van hen: ‘Heer, leer ons bidden.’ (Lukas 11:1-4) Het is misschien wel de vraag voor het levenslange leerproces van geloven. Hoe moet ik bidden, wat is bidden, wat kunnen we verwachten van God, hoe houden we het vol? Het antwoord van Jezus gaat over de inhoud. Niet hoe je bid, welke vormen, maar wat je bidt. Blijkbaar is dat voor Hem de kern: dat je de goede woorden leert bidden, dat je wordt ingewijd in een gebedstaal die de juiste focus heeft. Je kunt alles vragen, roepen en zeggen in gebed, maar je moet ook een nieuwe taal leren. Een taal waarmee je verbonden raakt met God, doordat die je verlangens en je leven verbindt met wat God geeft en vraagt. Om die taal te leren geeft Jezus de woorden van het Onze Vader, als een soort grammatica van het gebed.

Wie het Onze Vader vaak bidt of gebeden heeft, weet dat die woorden ook sleets kunnen worden — overbekende woorden die je uit je hoofd kent en als een mantra gedachteloos opzegt. Maar wat als we deze woorden met aandacht zouden bidden — wat denk ik ook de bedoeling van Jezus is? Simone Weil (de Frans-Joodse denkster; 1909-1943) vertelt dat ze tijdens haar werk als oogstarbeidster het Onze Vader reciteerde en ze sinds die tijd zichzelf als enige godsdienstoefening had opgelegd ‘het iedere morgen éénmaal met volstrekte aandacht op te zeggen’.

Dat lijkt mij een goede oefening voor wie wil leren bidden (en voor wie het wil volhouden): met volstrekte aandacht het Onze Vader opzeggen. Deze woorden van Jezus, die zelf in eenheid met God leefde, met aandacht en liefde wegen, uitspreken naar God en laten klinken en werken in je eigen leven(tje).

Zo simpel kan leren bidden dan wel weer zijn.