De winst van het corona-voorbehoud

Met de vakantie in zicht zijn we weer begonnen aan de planning van een nieuw seizoen in de kerk. Het is een jaarlijks ritueel van zowel terugkijken en evalueren, als vooruitkijken en plannen maken. Het is de tijd van overleggen, to-do-lijstjes en agenda’s. Dit jaar is het toch anders, omdat boven het nieuwe seizoen een corona-wolk hangt. Een dreigende wolk in de verte die al onze plannen kan verstoren. Ik hoop net als iedereen dat het meevalt, dat die wolk overdrijft of slechts een paar kleine, plaatselijke buien veroorzaakt, waarvan de overlast en ellende beperkt blijft. Maar ik besef dat het opnieuw raak kan zijn, met als een van de gevolgen dat onze plannen en activiteiten voor een tweede keer in het water kunnen vallen.

Foto van Tim Mossholder op Unsplash

Een agenda is een vreemd attribuut in onzekere tijden. Hoeveel afspraken heb ik de afgelopen maanden niet doorgestreept? Daardoor besef ik dat alles wat ik er nu in vastleg onder voorbehoud is, terwijl dat boek (ik gebruik nog een ouderwetse papieren exemplaar) normaal houvast geeft en orde schept in mijn bestaan. Aan de ene kant vind ik die onzekerheid lastig, maar aan de andere kant merk ik dat dit corona-voorbehoud ook een gat in het leven slaat, waardoor er iets anders zichtbaar wordt. De onzekerheid van deze tijden is een scheur waardoor een streepje ander licht ons geplande, op zekerheid gerichte leven binnenvalt — om een beeld van zanger Leonard Cohen te gebruiken.

Ik zie drie van die onverwachte lichtstraaltjes door het gat van het corona-voorbehoud binnenvallen.

  • Ik ga er meer van bij de dag leven. Onzekerheid over de toekomst dwingt je om meer in het heden te blijven. Bij C.S. Lewis kwam ik de waardevolle gedachte tegen dat God vooral geïnteresseerd is in de eeuwigheid en het heden. Dat laatste interesseert God omdat het heden het punt is ‘waarop tijd en eeuwigheid elkaar raken’ en waar we ‘vrijheid en werkelijkheid’ kunnen vinden. Nu ik door het corona-virus veel sterker besef dat de toekomst onzeker is, word ik met mijn neus op het heden gedrukt. Nu is de tijd waarin ik zo goed en echt mogelijk leven mag en moet en voor morgen en later geldt het voorbehoud van de bijbelschrijver Jakobus: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’
  • Als onze plannen en vaste patronen in de war worden geschopt, komt er ook ruimte voor improvisatie. In de afgelopen maanden hebben we op allerlei manieren moeten improviseren om toch contact te houden, te zorgen voor elkaar, te vergaderen en te vieren in de kerk. Dat heeft veel energie gekost en het was lang niet altijd ideaal, maar er ontstond ook ruimte om onbekommerd wat te proberen en hoe mooi was de saamhorigheid van de amateurs (liefhebbers) die er samen het beste van maakten?
  • Het verschil tussen vertrouwen en zekerheid is helderder geworden. In onze op veiligheid, controle en zekerheid gerichte samenleving beseften we opeens hoe kwetsbaar we zijn en hoe onzeker ons leven is. Bij het boodschappen doen, als je begon te hoesten, als je de alarmerende nieuwsberichten zag, kwam het op vertrouwen aan, omdat er simpelweg geen zekerheid was of omdat de zekerheden waar sommigen voor kozen er zo angstig en egoïstisch uitzagen dat ze mij niet konden overtuigen. Ik heb het als een geschenk ervaren om vertrouwen te kunnen zoeken en vinden bij God, om in de crisis, zonder grip en zekerheid toch houvast en vrede te ontvangen. De blijvende onzekerheid voor de komende tijd is lastig, maar ook een uitnodiging tot en test van vertrouwen op God. God, die volgens Jezus niet alleen voor de vogels en de lelies zorgt, maar ook voor dat kwetsbare, angstige schepsel dat mens heet.

De opmerking van C.S. Lewis is te vinden in Brieven uit de hel, XV. Het citaat van Jakobus in het bijbelboek Jakobus 4:15 en de Jezus’ onderwijs over onbezorgd leven in het evangelie van Mattheüs 6:24-34.

Ontsmettingsgel als heilig teken

Afgelopen zondag heb ik eindelijk weer een kind gedoopt. Gedekt door de onlangs toegekende status van het contactberoep, mocht ik volkomen legaal de heilige grens van de anderhalve meter overschrijden om met drie handen water de kleine Thomas in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te dopen. Eén ding was echter anders — het nieuwe normaal, zoals dat heet in het communicatiejargon van de overheid. Voordat mijn handen het doopwater aanraakten, moest ik ze ontsmetten met handgel uit een blauw flesje dat daarvoor achter de bos bloemen gereed stond.

Het voelde als een nieuw ritueel: voor aller oog je handen grondig reinigen, om pas daarna over te gaan tot het tweeduizend jaar oude sacrament van de doop. Mijn eerste gedachte was dat hier het oude en het nieuwe normaal goed bij elkaar passen. Is de doop ook niet een teken van reiniging? Van een grondig bad, waarin God een mens eens goed schoonmaakt? Het kwaad dat aan ons mensen kleeft, zit dieper en is taaier en besmettelijker dan we denken. Hebben de demonstranten in deze dagen het niet over het wereldwijde hardnekkige virus van het racisme? En dat gaat ook over mij, al heb ik een afkeer van racisme. Tegen het virus van egoïsme en kwaad is water alleen niet genoeg. Toen die glibberige gel door mijn vingers gleed, besefte ik het: ik heb een sterker middel nodig, een ontsmettingsmiddel voor mijn handen, mijn ogen, mijn lichaam en mijn ziel.

In de roman Dit zijn de namen van Tommy Wieringa, komt de hoofdpersoon, politiecommissaris Pontus Beg, tijdens een rondleiding in een synagoge bij de mikwe, het bad voor rituele reiniging. Daar wordt hij diep geraakt. ‘Een druppel viel. Begs hart kromp omdat hij al zo lang niet zo’n sereen geluid gehoord had. De rimpeling op het water stierf vlug weg. Hij zou zich willen uitkleden, de treden afdalen tot op de bodem van het bassin, zijn lichaam onderdompelen, het reinigen van het vuil van de wereld. Zelfs van het vuil dat er niet afging, zou hij zich schoonwassen. Een nieuwe ziel. Daar diep in de aarde, bij het magische water, leek zoiets werkelijk mogelijk. Wat een aangename, troostende gedachte … Zijn oude ziel afleggen, dat rafelige, versleten ding, er een nieuwe voor in de plaats krijgen. Wie wilde dat niet? Wie zou zoiets afwijzen?’ Wieringa had dit over de doop kunnen schrijven.

Het ontsmettingsmiddel en het water afgelopen zondag waren tekens van zo’n nieuw, goddelijk leven, waar je in deze oude, vermoeide wereld zo naar kunt verlangen: je rafelige, versleten ziel kwijtraken en er een nieuwe, gave voor in de plaats krijgen. Ja, wie zou zoiets afwijzen?

Het citaat uit Dit zijn de namen is te vinden op blz. 130 (zevende druk 2013).

Vijf lessen van een verzetsdominee

Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, zouden we allemaal graag de helden zijn geweest — verzetstrijders, Engelandvaarders of mensen die onderduikers schuilhielden. Al valt natuurlijk nog te bezien of wij in hun tijd en hun schoenen hetzelfde zouden hebben gedaan. ‘Wat maakt een mens een held?’ is de spannende vraag die Freek de Jonge stelt in zijn lied over verzetsdominee Jan Koopmans, die in de oorlog in dezelfde kerk werkte als ik nu. Als antwoord op die vraag vijf lessen uit het leven van deze oorlogsheld, die ook we ook vandaag, in onze crisistijd, niet mogen vergeten.

Titelpagina van de illegale Brochure ‘Bijna te laat!’ die Koopmans in november 1940 schreef
  1. Zorg voor diepe wortels. In een crisis helpt het als je ergens voor staat en de wortels van je overtuiging en je geloof dieper gaan dan wat oppervlakkige ideeën en wisselende emoties. Koopmans daagt ons uit om in schokkende tijden vanuit een overtuigd geloof te leven of om dat te zoeken.
  2. Weet wat er speelt. Er waren in Koopmans’ tijd natuurlijk veel meer mensen met een sterke en diepe overtuiging, maar Koopmans had door brede contacten een scherper zicht op wat er in het Nazisme speelde, waardoor hij als één van de eersten in Nederland waarschuwde voor de vernietiging van de Joden.
  3. Leef voor meer dan alleen overleven. Koopmans kwam op voor de Joden, een andere bevolkingsgroep, die bovendien door de bezetter bewust apart werd gezet. Koning Willem Alexander gaf in zijn toespraak tijdens de dodenherdenking dit jaar aan dat de Joodse Nederlanders in de oorlog teveel in de steek zijn gelaten, iets dat Koopmans de kerken, die in zijn ogen veel te voorzichtig en traag waren, ook verweet. Een crisis — ook die van vandaag — maakt vaak heel scherp duidelijk of er in ons leven meer is dan alleen de drang om zelf te overleven.
  4. Vlucht niet weg. Het is bijzonder dat veel van de oorlogshelden die tot op vandaag blijven inspireren mensen waren, die er heel bewust voor kozen om niet weg te vluchten van lijden. Ik denk bijvoorbeeld aan Etty Hillesum, die ervoor koos om met haar Joodse volksgenoten naar de kampen te gaan in plaats van onder te duiken. Vanuit eenzelfde overtuiging keerde Dietrich Bonhoeffer in 1939 terug uit het veilige Amerika om met zijn volk mee te lijden en zich te verzetten tegen het Nazi-bewind. Koopmans kiest er in 1943 voor om na enkele jaren van secretariaatswerk weer gewoon als dominee met de mensen in zijn kerk en de Jordaan de bezetting te ondergaan.
  5. Doe wat je kunt, op de plek waar je bent. Koopmans is betrokken bij het kerkelijk verzet, hij preekt en schrijft pamfletten, boekjes en brieven, hij zet zich onder protest en zonder veel illusies in voor de christen-Joden, die door de bezetter eerst apart werden behandeld, en als dominee in de Jordaan begint hij gewoon met allerlei kerkenwerk en zet zich in voor hen die lijden aan armoede en honger. Heldendom heeft veel minder met superhelden of grote daden te maken, dan met de volharding en moed waarmee je op de plek waar je bent, kiest voor wat waar, goed en rechtvaardig is.

Volgens mij hebben deze vijf lessen van verzetsdominee Jan Koopmans ons genoeg te zeggen en te leren in onze crisistijd.

Vandaag zit Jezus in het verpleeghuis

Het corona-virus maakt vooral slachtoffers onder de ouderen in onze samenleving. De strategie van de meeste overheden is om hen zoveel mogelijk te beschermen tegen het virus en daarmee tegelijk een overbelasting van de medische zorg te voorkomen. Nu het langzaam duidelijk wordt dat het virus niet snel zal verdwijnen en deze strategie dus grote economische, sociale en persoonlijke offers vraagt, komen we voor de afweging te staan wat het zwaarst weegt: de levens van vooral ouderen of het gezamenlijke belang van vrijheid, welvaart en sociaal geluk.

Foto: Dominik Lange op Unsplash

Deze ellendige afweging komt vooral aan de orde in de discussie over de economische schade van de lockdown-maatregelen. In de Verenigde Staten pleitte een Republikeins congreslid om de Amerikaanse ‘way of life’ (die voor hem vooral bestaat uit economische activiteit en welvaart) voorrang te geven boven de levens van ouderen. Een andere, zeventigjarige politicus gaf aan dat hij en andere ouderen bereid zijn om hun gezondheid en leven te riskeren voor de economie (alsof de economie een godheid is). In Nederland haalde BNR-columniste Marianne Zwagerman de toorn van velen op de hals door het corona-virus te vergelijken met een zeis die door ‘het dorre hout’ gaat en ijskoud te stellen dat we in de corona-crisis de welvaart van onze kinderen om zeep helpen omdat we de dood niet goed kunnen accepteren.
Op een persoonlijke manier speelt dit pijnlijke dilemma ook bij de afweging van bezoek aan of van ouderen: tussen het risico op besmetting en overlijden aan de ene kant en de ellende van eenzaamheid en afstand aan de andere kant.

Laten we gewoon erkennen dat deze crisis ons voor lastige en zwaarwegende afwegingen plaatst, vooral omdat het over mensenlevens gaat. Zwagermans beeld van dor hout voor ouderen is daarbij niet alleen kwetsend, maar ook gevaarlijk, omdat het ontmenselijkt en dit menselijke dilemma tot een economische kwestie maakt, die je vooral pragmatisch moet benaderen en oplossen. Als gelovige denk ik dat twee verhalen van Jezus ons in deze afweging kunnen helpen. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37) wordt Jezus gevraagd wie precies onze naaste is, die wij moeten liefhebben. Als antwoord draait Hij deze vraag om en laat Hij je in de huid van een slachtoffer, dat mensen naast zich nodig heeft, kruipen. In ons geval: kijk in deze crisis met de ogen van de ouderen en anderen die extra kwetsbaar zijn. Jezus verscherpt die manier van kijken nog in de gelijkenis van de schapen en de bokken over het laatste oordeel (Mattheüs 25:31-46). In dat verhaal zijn de zieken, vreemdelingen, armen en gevangenen de mensen met wie Hij zich identificeert — ‘je hebt Mij bezocht als je naar een van mijn zieke of gevangen broers of zussen hebt omgezien,’ zegt Jezus tegen de verraste rechtvaardigen die zover helemaal niet gedacht hebben. Voor ons vandaag zegt dit verhaal dat Jezus dus in een verpleeghuis te vinden is — als een van de kwetsbare ouderen die onze zorg nodig hebben én die ons iets te geven en te leren hebben.

Als je zo naar ouderen kijkt en met hen bent — als mensen en dus niet als dor hout dat de beste tijd heeft gehad en waardeloos is voor de economie — kun je zuiverder en barmhartiger de afweging maken wanneer we ons vol moeten inzetten voor het leven (ook al vraagt dat offers) en wanneer we juist ruimte moeten maken voor het sterven (ook al doet dat pijn). En daarbij blijft de vraag van Jezus of we onze medemens in nood werkelijk zien en nabij komen sowieso staan.

De troost van de lente

Het gekwetter en gefluit van vogels in de Jordaan. Een tulp op punt van openbreken in een bloembak op de Noordermarkt. De zachtgroene blaadjes van de boom voor mijn raam. Stoepkrijtende en rennende kinderen in de straat. Allemaal tekens van de lente, de jongste en lichtste van de vier seizoenen.

Foto: Katya O. op Unsplash

Dit jaar is de lente anders. Bij het zonnige weerbericht van de komende week staat een covid-19-waarschuwing: ‘het is verleidelijk om met dit weer op pad te gaan, maar blijf thuis!’ Het lentelied dat we op de lagere school zo vaak zongen dat ik het nooit meer kan vergeten ‘Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal’ geldt niet voor dit corona-jaar. En Pasen wordt ook anders.

Het Paasfeest is hét feest van de lente. Ik kan er niets aan doen, maar voor mij is Jezus opgestaan op een stralende lentemorgen, in een tuin vol narcissen, tulpen en krokussen, terwijl de vogels Hem, de koning van het Leven, met een kwetterend ‘Halleluja’ begroetten. Als het op Pasen echt lente is, dan klopt het helemaal — en de weersverwachting zegt dat de kans groot is dat het dit jaar op Pasen ook echt lente is.

Je kunt dat zien als een wrede speling van het lot of een listige verleiding van een kwaadaardig virus. Mensen vechten voor het leven, zieken gaan dood, ouderen zitten eenzaam achter een raam, een gezin zit geïrriteerd opgesloten in een klein huis, je hangt in je eentje verveeld achter een scherm en dan verschijnt daar de lachende lente, die aan de andere kant van het raam je geniepig wenkt: ‘Kom naar buiten, proef het leven …’

Maar je kunt de lente dit jaar ook als een troost ervaren. Terwijl je met eenzame, donkere gedachten, met je handen in het haar of met verdriet en verlies in je hart binnen zit, gaat het leven toch verder met een nieuw begin. Terwijl je keihard vecht voor het overleven van de zieken, geeft het leven buiten je een steuntje in de rug. Terwijl wij in de crisis zitten en niet goed weten hoe het verder zal gaan, wordt het toch Pasen — een echt lentepasen nog wel — omdat Jezus ook in dit rotte corona-jaar leeft en altijd weer opstaat.

Bij het graf van Jan Koopmans

Langs lege grachten en door stille straten fietste ik vanmiddag naar begraafplaats Zorgvlied. Vandaag, 24 maart, is de sterfdag van één van mijn voorgangers in de Noorderkerk. Dominee Jan Koopmans overleed precies vijfenzeventig jaar geleden aan de gevolgen van een verdwaalde kogel van een Duits vuurpeloton dat in het Weteringplantsoen dertig willekeurige mensen doodschoot.

Onder een blauwe lentehemel lag Zorgvlied erbij als een oase van rust — bijna te vredig voor deze plek van de dood. Op een hoekje, onder een boom vond ik het graf van Koopmans. De strakke, sobere grafsteen met geen woord teveel ademt de geest van deze dominee-verzetsheld. Freek de Jonge schreef een pakkend lied over deze atypische held, ‘een calvinistische dominee nog wel’ die volgens hem maar gewoon deed wat hij als consequentie van zijn geloof moest doen: in naam van God zijn stem verheffen en opkomen voor zijn Joodse medemensen.

Juist die calvinistische soberheid ontroerde me vandaag, nu de corona-crisis ons leven grotendeels heeft stilgelegd en gestript tot op de basale vragen van dood en (samen)leven. Een crisis, zo heeft Koopmans in zijn tijd laten zien, vraagt niet om veel en grote woorden, maar om een sober, volhardend geloof en nuchtere, moedige daden. Door de corona-crisis zijn de geplande herdenkingen van Koopmans’ vijfenzeventigste sterfjaar afgeblazen. In zekere zin paste het dus ook wel bij Jan Koopmans dat ik vandaag in mijn eentje in de lentezon bij zijn calvinistische graf stond. Ik heb maar stil gebeden dat ik, die op dezelfde preekstoel als Koopmans mag staan, zijn geloof zal navolgen — ook in de crisis en de vragen van vandaag.

Gebed in tijden van Corona

Eeuwige God,
Nu ons leven is stilgevallen,
een virus zand in de machine heeft gestrooid,
een crisis de normale gang van zaken heeft verstoord,
keren we ons tot U en bidden:

in onze angst en onzekerheid, om vertrouwen,
in onze overlevingsdrang, om oog voor elkaar,
in ons zoeken naar veiligheid, om overgave,
in onze onmacht en kwetsbaarheid, om vrede.

Wij bidden U, barmhartige Vader, voor hen die ziek zijn
om bescherming, genezing en goede zorg.
Wij bidden U, voor hen die sterven
om uw genade en nabijheid.
Wij bidden U, voor hen die zorgen,
artsen, verpleegkundigen, verzorgenden,
om moed, kracht, volharding en zegen.
Wij bidden U, voor hen die besturen
om wijsheid, daadkracht en zegen.

Wij bidden U, heilige God, ook om de moed en openheid
om in deze crisis ons te laten storen en uw stem te horen
om in het stilgevallen leven tot inkeer en inzicht te komen
om oog te krijgen voor het lijden en onrecht in de wereld
om te beseffen wie we zijn en waar het op aan komt.

Bewaar ons, genadige Vader, in en door deze crisis heen,
en maak met ons een nieuw begin,
in de Naam van Jezus,
die ons uw oersterke liefde heeft geschonken —
door crisis, lijden en dood heen.
Amen

Afbeelding: Posters van Dr. Li Wenliang, oogarts in Wuhan, die waarschuwde voor de uitbraak van het corona-virus
Adli Wahid op Unsplash.

Gods dwazen

In de christelijke traditie geldt hoogmoed als de grootste zonde. Een zonde die, volgens de Engelse schrijver C.S. Lewis, iedereen, inclusief de vromen en gelovigen, treft. Voorbeelden te over. In de Griekse havenstad Korinthe vonden Jezus’ eerste volgelingen dat zij, als wijze en spirituele mensen, het erg met zichzelf hadden getroffen, met als gevolg conflict, verdeeldheid en concurrentie over groepen en leiders. Daarop reagerend, schreef de apostel Paulus over Gods strategie om de hoogmoed klein te krijgen: ‘Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen.’ (1 Korinthiërs 1:27-28, Nieuwe Bijbelvertaling) God, zo heeft Paulus gemerkt, heeft ervoor gekozen om op de meest verachtelijke, dwaze en zwakke manier in de wereld te komen en mensen te verlossen — door de dwaasheid van de gekruisigde Christus en zijn even dwaze en onaanzienlijke volgelingen.

Driftwood Christ (Wrakhouten Christus); beeld van R. Baker, St. Mary’s Church Rye, Zuid-Engeland

Dit is geen toeval, maar een wet in Gods economie; zo werkt Hij. God kiest voor wat in de wereld niet meetelt en voor hen die als dwaas en zwak worden vergeten of weggezet. Daarmee draait Hij de rollen om en ondermijnt Hij de gangbare rang- en pikordes. Je komt dat overal tegen in het grote verhaal van God. In een boek haalde ik tien bijbelse buitenstaanders en randfiguren naar voren — sommige onaanzienlijk en veracht, andere eerder vreemd en van buiten, maar allemaal laten ze iets zien van hoe God hoogmoed en status doorprikt. Deze verhalen liggen mij na aan het hart, omdat ik in mijn leven iets van de bevrijdende kracht en werking van Gods tegendraadse manier van doen heb ervaren.

Ik ben God diep dankbaar voor zijn dwazen die mijn levenspad hebben gekruist. Ik zie ze nog staan in de Grote kerk van Gorinchem: een groep verstandelijk gehandicapten die op een zondagmorgen hun geloofsbelijdenis aflegden. Ik herinner me vooral die ene man nog. Hij was het die in elke dienst bij het laatste lied met grote overgave meeblies op zijn fluit. Op die morgen blies hij de dwaze verlossing van de nederige God recht mijn hart in. Later was er Marie-Louise op een bijbelkring in Brussel — een kwetsbare, lichamelijk beperkte vrouw, die vanwege haar eenvoudige puurheid een onuitwisbare indruk op mij maakte. Zij was een levende vraag van God aan mij, die op de rand van het werkende leven rook aan zoveel dat meetelde en iets was in de wereld. Waar wilde ik bijhoren, wat bepaalde wie ik was, waar wilde ik voor gaan? Bijna twintig jaar verder was het een vrolijke, chaotische verjaardag van vrouwen en kinderen zonder verblijfsvergunning, waarop ik iets proefde van een simpel godsvertrouwen waarvan ik de kracht nauwelijks kende. Bij deze mensen, die in onze samenleving letterlijk geen status hadden, verscheen Christus — zwak en toch sterk, veracht, maar zo levend en echt.

Geloven betekent voor mij ook: oog krijgen voor God die juist verschijnt in mensen die wij zwak, onbelangrijk of dwaas vinden én tegelijk zelf ook een beetje een dwaas van en voor God worden.

Verliefd op het vuil

In mijn ouderlijk huis lag vroeger een wc-tapijt. Volgens schrijver Tommy Wieringa had dat eigenlijk niet gekund: ‘Een tapijtje voor de wc lijkt me iets katholieks’, schrijft hij naar aanleiding van een verblijf in een bed & breakfast in het Belgische Kortrijk. ‘Alle ongerechtigheid wordt er onzichtbaar in opgenomen. Een protestant zou zoiets niet doen, die wil het vuil zien.’ Dat gold dus niet voor mijn toch zeer calvinistische moeder en het is dat mijn vrouw een wc-tapijt vies vond, anders had ook ik ons eigen protestantse huis voorzien van een gezellig, voor warme voeten zorgend en plas opnemend badstoffen matje.

Foto door Ian Espinosa, Unsplash

Ook al klopt Wieringa’s veronderstelling niet, dat wc-tapijten niet bij protestanten passen, zijn gedachte dat protestanten het vuil willen zien, is niet helemaal misplaatst. Vooral zijn ene zinnetje over protestantse preken bleef bij mij haken: ‘Ik heb met wellust over het vuil van de wereld horen preken in kale kerken, de protestant is verliefd op het vuil.’ Hij had bij mij in de kerk kunnen zitten. Af en toe betrap ik mezelf op die wellust als ik net iets te graag spreek over de donkere kanten van de mens en de rotzooi in de wereld. Of toch stiekem een heel klein beetje geniet van het vuil dat in een bijbelverhaal of mensenleven aan de orde is. Dit genot is een vreemde vorm van onwaarachtigheid, misschien wel onwaarachtiger dan een wc-tapijtje dat het vuil moet bedekken.

Verliefd op het vuil — dat is wel een protestants trekje. Je bespeurt het in de opmerking van de ernstige gelovige die in een preek de zonde heeft gemist. Het is zichtbaar in de eindeloze aandacht van gelovigen voor de bekeringsverhalen van ruige zondaren die na een wild of duister leven door Jezus in hun kraag zijn gegrepen. Je hoort het ook in de maatschappijkritische preken over het demonische systeem dat ons in de wurggreep heeft. Het duikt op in de vorm van de onbarmhartige zelfkritiek en zelfkastijding van mensen die zich niet goed genoeg vinden. Ook ontwaar je het in de profetieën van de eindtijd vol doemdenken, afval en vernietiging. Zelfs in het zingen en spreken over de gemartelde, lijdende en verlaten Verlosser aan het kruis kan het verschijnen, die verknochtheid aan zonde, duisternis en vernietiging.

Maar de protestanten staan niet alleen met hun verliefdheid op het vuil. Volgens historicus Rutger Bregman is het beeld van de mens als een verdorven, egoïstisch wezen diep geworteld in de westerse cultuur. Politiek, media, wetenschap en filosofie gaan er in zijn ogen allemaal vanuit dat onder een dun laagje vernis van beschaving, rationaliteit of vroomheid de echte mens met zijn verdorven en gevaarlijke natuur schuilgaat. In zijn boek De meeste mensen deugen stelt Bregman dat dit pessimistische beeld van de mens niet klopt en dat het hoog tijd wordt om het te herzien. Omdat ik me betrapt voel in mijn verliefdheid op het vuil, neem ik de uitdaging aan om de komende tijd Bregmans pleidooi voor een minder negatief beeld van de mens serieus te lezen en te overwegen. Al was het alleen maar om te voorkomen dat de goedheid van de mens onder een wc-tapijtje verdwijnt.

De opmerkingen van Tommy Wieringa zijn te vinden in zijn bundel korte verhalen Totdat het voorbij is, de citaten op blz. 14.

Verhalen alsjeblieft

Van alle vadertaken vond ik het vertellen of voorlezen van een verhaal aan onze kinderen de mooiste. Helaas is met de lagere school ook het voorlezen uit ons leven verdwenen. Lezen staat sowieso onder druk in onze tijd, omdat het beeldscherm en de film het boek naar de rand van het leven hebben geconcurreerd. Daar valt veel over zeggen, maar het betekent niet dat de verhalen uit het leven zijn verdwenen. Ze worden minder gelezen, maar gelukkig wel gekeken en gespeeld. Want zonder verhalen zou het leven arm en oppervlakkig zijn.

Foto: Ben White op Unsplash

Dat geldt ook voor het christelijk geloof, dat gebaseerd is op het grote verhaal en de talloze kleine verhalen van God en mensen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Jezus een verhalenverteller was. Hij vertelde hele gewone verhalen, die gelijkenissen worden genoemd. Die verhalen van Jezus, zegt de Amerikaanse theoloog Eugene Peterson, ‘klinken door en door alledaags: gewone verhalen over land en zaden, maaltijden en munten en schapen, bandieten en slachtoffers, boeren en kooplieden. En ze zijn totaal seculier: van zijn ongeveer veertig gelijkenissen die zijn opgetekend in de evangeliën, speelt er slechts één zich af in de kerk en maar een paar noemen de naam van God.’

Ik vind het jammer dat Jezus op dit gebied in de kerk zo weinig navolging heeft gekregen. Zijn gelijkenissen worden bestudeerd, uitgelegd en bepreekt, maar heel weinig nagedaan — gewoon door net als Hij een verhaal te vertellen, waardoor God stilletjes bij ons binnenkomt en ons uitdaagt. Een verhaal geeft namelijk geen uitleg of informatie over hoe het zit of wat je moet doen. Peterson heeft gelijk als hij stelt dat de verhalen van Jezus ‘geen illustraties (zijn) die de dingen gemakkelijker maken, ze maken de dingen moeilijker omdat ze vragen om gebruik van onze verbeelding.’ Een verhaal neemt je mee in een andere werkelijkheid en daagt je uit om je in te leven en je te verbeelden wat jij zou doen.

Het korte verhaal van Jezus over een koopman en een parel (Mattheüs 13:45-46) is een goed voorbeeld van hoe dat werkt. Jezus vertelt dat het koninkrijk van God te vergelijken is met een ondernemer in luxegoederen die op zoek is naar echt kostbare juwelen. Op een dag vindt hij een parel die zoveel waard is, dat hij alles wat hij heeft verkoopt om die ene te kopen. Dit verhaal prikkelt direct en roept allerlei vragen op. Wat is dat voor een parel? Wat bezielt die koopman om alles te verkopen — is dat niet wat overdreven en link? Wat heeft dit met God te maken? En wat als ik in de schoenen van die koopman zou staan?

Ik hoop dat we het in de kerk aandurven om meer van zulke verhalen te vertellen — nieuwe en oude verhalen. In de Bijbel zelf staan immers ook zoveel goede verhalen, die smeken om gewoon weer als verhaal verteld en gelezen te worden, zodat God via onze verbeelding onze levens kan binnenglippen. Daarom heb ik in een boek een tiental bijbelverhalen opnieuw met verbeelding verteld, in de hoop dat ze doen wat de goede verhalen van God altijd doen: de lezers meenemen en uitdagen en zo in contact brengen met God en zijn verrassende manier van doen.

Het boek Randfiguren met verhalende bijbelstudies is uitgegeven bij KokBoekencentrum en verkrijgbaar bij de (internet)boekhandel.

De gedachten en de citaten van Eugene Peterson over Jezus’ gelijkenissen zijn te vinden in: The Contemplative Pastor (Eerdmans, Grand Rapids, 1989) blz. 32-33.