Goddelijk

Het Parool leek op aswoensdag wel een religieus blad. Op de voorpagina prijkten tegen een zwarte achtergrond drie juichende godenzonen — boven hen de extatische meditatie van sportverslaggever Henk Spaan met de titel ‘Goddelijk’ in kapitaal wit.

copyright: Het Parool; foto ANP Alaf Kraak

Ajax had dinsdagavond het machtige Real Madrid in hun eigen heilige voetbaltempel Bernabéu vernederd en zich op magistrale wijze toegang verschaft tot de kwartfinales van de Champions League. Voor dat wonder werden alle superlatieven die het Nederlands rijk is van stal gehaald, met als summum ‘goddelijk’.

Nu heeft het profvoetbal in onze wereld natuurlijk ook een goddelijke status. Als je bedenkt hoeveel geld, aandacht en woorden er wereldwijd aan voetbal worden besteed, besef je dat we het niet meer over een gewoon spelletje hebben. En als je aan het begin van een wedstrijd de Champions League hymne hoort, krijg je het idee dat je eerder een deelnemer aan een religieuze hoogmis, dan een kijker naar een sportwedstrijd bent. Sociologen zeggen terecht dat sport, en voetbal in het bijzonder, voor een deel de rol van religie heeft overgenomen in onze ontkerkelijkte samenleving. Voetbal is een religie en dinsdag was Ajax de god die Amsterdam even het hemelse geluk deed smaken.

Vanuit het christelijk geloof bezien, is hier dus sprake van afgoderij, dat is: iets of iemand de plek, status en eer geven die alleen God toekomt. En afgoderij is een probleem, omdat afgoden wel de plek van God innemen, maar dat nooit kunnen waarmaken. Dusan Tadic kan je met zijn pirouette en goal in de kruising misschien wel een hemels gevoel geven, maar verder heeft hij je niet veel te bieden. Bovendien leert het leven ons dat het hemelse gevoel dat de lokale voetbalgod zijn dienaars en aanbidders schenkt nogal wisselvallig is. Dat was dinsdag pijnlijk te merken in de vernedering van de Madrileense godenzonen en de tranen en fluitconcerten van hun volgelingen. En dan heb ik het nog niet over de oppergod Mammon (de bijbelse god van geld en bezit) die in de religie van het profvoetbal schaamteloos aanbeden wordt.

Maar als inwoner van de Amsterdam, die bovendien in zijn jonge jaren op het veldje voor zijn ouderlijk huis altijd een Ajax-held speelde, wil ik niet zuur doen. Ik gun iedereen (en mijzelf) oprecht dat kortstondige moment van geluk en euforie. Bovendien heeft de overwinning van Ajax ook wel een echt goddelijke smaak. Je proefde dinsdagavond in die afgodische tempel iets van de ware God. Zat het goddelijke van die 1-4 triomf niet vooral in het feit dat de kleine David het won van de Goliath met het grote geld? Dat de hoogmoedige kampioenen die de overwinning in hun zak leken te hebben te kijk werden gezet? Dat de oude, vermoeide goden werden weggespeeld door een elftal dat geloof en moed uitstraalde? Dat er iets gebeurde dat je voor onmogelijk hield? Dat ís ook Goddelijk: een verrassende, onmogelijke overwinning, die de logica, wetten en verwachtingspatronen van positie en geld doorbreekt.

Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen de Ajax-goden en de ware God wel op. Die laatste vecht, verliest en wint in de echte wereld met en voor de mensen met hun bloed, zweet en tranen, terwijl voetbal een spelletje in een arena en voor de camera’s blijft. De ware God behaalde zijn onmogelijke overwinning immers aan het kruis — een mislukking aan een martelwerktuig. Die God is als je het goed bekijkt veel minder goddelijk dan de afgoden, wier goddelijkheid alleen blinkt in de triomf en de glitter en de glorie van een voetbaltempel. De goddelijkheid van de ware God verschijnt vreemd genoeg in het menselijke lijden van zijn Zoon Jezus. En die vreemde triomf door het lijden en de dood heen geeft je als mens niet alleen een smaak van hemels geluk, maar ook houvast, troost en hoop in je gewone sterfelijke mensenleven.

Gebed na #Nashville

Eeuwige God,
Gij die volgens onze traditie geslacht noch gender bezit —
Heilige, Enige, Unieke —
geef ons alstUblieft even rust.
De mensen vinden zoveel,
maar ik ben zoekend
naar U en uw wijsheid.

Ik bid U: denk aan alle homo’s
en transgenders
en aan hun geliefden.
Het is allemaal zo pijnlijk en vermoeiend voor hen.
Ze lezen, horen, denken dat ze er eigenlijk niet hadden mogen zijn,
als onbedoelde uitzonderingen in een door U vastbepaalde orde.
Ze horen dat ze vooral pastoraal bejegend moeten worden,
als de zwarte schapen van de kudde.
Ik smeek U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
met een staf die hen vertroost
en hen in groene weiden en naar stille wateren leidt.

Ik bid U: denk aan al die mannen (en vrouwen)
die bezorgd zijn over de teloorgang van de ordening van het huwelijk
en wat dat aan pijn en chaos geeft,
die ongerust zijn dat ze hun overtuiging moeten opgeven.
Ik heb met enkelen van hen op school gezeten
en met anderen gestudeerd.
Gij weet dat ze oprecht geloven dat ze moeten spreken,
vanwege uw heiligheid en het heil van mensen.
Ik bid U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
en zij uw zwart-witte schapen.

Ik bid U: denk aan uw kerk,
die kwetsbare kudde van uw Zoon,
verdeeld en dolend in de tijd.
Wees Gij toch onze Herder
en wijs ons een weg.
Dat vraag ik U,
in Naam van de Goede Herder,
die nooit getrouwd is geweest
en daarom de bruidegom
van ons allen kan zijn.
Amen



Is mijn leven een verhaal?

Deze week mocht ik in een interview voor het radioprogramma Onderweg bijna een uur lang vertellen over mijn levensweg tot nu toe. Als predikant heb ik het voorrecht dat mensen vaak (een deel van) hun levensverhaal aan mij vertellen, maar nu waren de rollen dus omgedraaid. Collega Elsbeth Gruteke vroeg vriendelijk en nieuwsgierig naar het mijne.

levensverhaal

Het is wel een boeiende en confronterende oefening om het verhaal van je leven te vertellen. Op het gesprek terugkijkend, vraag ik me af wat een leven tot een verhaal maakt. Zijn dat de bijzondere momenten en de verrassende wendingen of is dat een rode draad die door de jaren heen zichtbaar wordt? Kun je een bestemming en richting in je leven zien, of is het — als je eerlijk bent — gewoon een aaneenschakeling van gebeurtenissen, toevalligheden, fragmenten en menselijke keuzes, waarmee je zo goed en zo kwaad het gaat je leven leeft?

Al nadenkend en vertellend stuitte ik ook op de vraag of mijn leven het wel waard was om te vertellen. Is het wel een goed verhaal? Wat is het gewicht van vijfenveertig jaren mensenleven? Zijn die niet veel meer dan ‘lucht en leegte’ en ‘najagen van wind’, zoals de bijbelse Prediker verzucht?

En toch … Als iemand je uitnodigt om iets te vertellen ontstaat er als vanzelf een verhaal — een klein verhaal van een mensenleven, dat verbonden met de levensverhalen van anderen en met het grote verhaal van God het waard is om te vertellen. Dat laatste is ook het mooiste: dat mijn levensverhaal verbonden is geraakt met dat wonderlijk goede verhaal van God. Frederick Buechner, een van mijn favoriete vertellers, heeft dat verhaal van God een tragedie, komedie en sprookje ineen genoemd. Juist dat tragische, komische en sprookjesachtige verhaal van God maakt van mijn kleine leven een verhaal dat het waard is om te leven én te vertellen.

Het gesprek wordt op zaterdag 20 oktober 2018 om 22.00 uur uitgezonden op NPO radio 5. De podcast is vanaf maandag 22 oktober te beluisteren op website van Onderweg.

De gedachten van Buechner zijn te vinden in zijn boekje Telling the Truth: the Gospel as Tragedy, Comedy and Fairy Tale (Harper, San Francisco)

Zware kerk

“Dat is wel een zware kerk, hoor,” zei de man die een tafeltje naast mij zat op een terras  met uitzicht op onze kerk. Zijn gesprekspartner viel hem met enig misprijzen bij: “Ja, die zijn wel streng.” Ik overwoog een reactie, maar het lukte me niet om de woorden te vinden die pasten bij de situatie. Dat onvermogen had vooral te maken met dat ‘zwaar’. Want wat is dat precies: een zware kerk?

zwarekerk
Patrick Brown, Barclay Church Bruntsfield (flickr.com)

Een zware kerk kan een kerk zijn waar men zwaar aan het geloof tilt, in de zin dat dit wordt beleefd als een ernstige zaak en iets van grote waarde. Daartegenover staat dan een lichte kerk, waar men niet zo zwaar aan God en geloven tilt. Als ik dan moet kiezen, kies ik toch voor zwaar. Als je gelooft, kun je het beter serieus nemen. Hoewel God niet gewichtig of zwaar is, zoals mensen die zichzelf veel te serieus nemen, gaat het bij geloven wel om liefde. En liefde vraagt je hele hart en je hele bestaan.

De man op het terras kan bij die zware kerk ook gedacht hebben aan gelovigen die in donkere kleding en met een somber gezicht zondag aan zondag horen over zonde, hel en verdoemenis. Dat voelt voor de meeste mensen als een zware last. God als de donkere hemel die dreigend boven je hoofd hangt. Zulke zware godsdienst kan mij gestolen worden. Zo’n drukkend geloof doet namelijk geen recht aan de vreugde, het vertrouwen en de liefde die meer dan alle somberheid en zonde passen bij het geloof in God die ons ondanks en met alles liefheeft.

Of misschien bedoelden mijn terrasburen met zwaar wel conservatief, traditioneel, orthodox, ouderwets of nog weer een ander etiket voor mensen die nog niet mee zijn met de vooruitgang van onze cultuur. Gilbert Chesterton schreef ooit: “De hele moderne wereld heeft zichzelf verdeeld in conservatieven en progressieven.” Waaraan hij met enige ironie toevoegde: “Het werk van progressieven is: doorgaan met fouten maken. Het werk van conservatieven is: voorkomen dat fouten worden hersteld.” Dat is niet het enige probleem van die tweedeling. Het punt is ook dat het christelijk geloof en een heleboel (kerk)mensen niet zo simpel zijn op te delen. Je kunt conservatief denken over de bescherming van het ongeboren leven en de waarde van het huwelijk, maar progressief als het gaat over de zorg voor het milieu, gelijkheid op economisch gebied en openheid voor vluchtelingen. En ik ken traditionele kerken die verrassend gastvrij en open zijn voor mensen die anders zijn en leven dan binnen de traditionele overtuiging gebruikelijk is. Zoals ik trouwens ook progressieve mensen en kerken ken, die verrassend bekrompen neerkijken op mensen die niet zo ruimdenkend en vooruitstrevend in het leven staan als zij.

Uiteindelijk schiet je met die etiketten en hokjes weinig op. Hokjes en etiketten zijn vaak veilige, maar oppervlakkige manieren om anderen te beoordelen en om jezelf niet echt bloot te geven. Daarom is het volgens mij de roeping van de kerk en gelovigen om niet in een hokje te passen. Het woord ‘kerk’ betekent zoiets als ‘van de Heer’. En die Heer heeft nooit in een hokje gepast — Hij was revolutionair én conservatief, orthodox én kritisch vernieuwend tegelijk. Als ze Hem in een vakje, een hokje of een partij proberen te persen, breekt Hij er vroeg of laat weer uit. Dat geldt ook voor een zware kerk.

Gij

Hoe spreek je God aan? In de Bijbel is God een wezen tot wie je kunt spreken. God is geen onpersoonlijk iets, geen kosmische energie en ook niet je diepste innerlijke zelf, maar een God die spreekt, hoort, liefheeft, verdriet heeft en boos wordt. Hoewel niet te vatten in menselijke en dus beperkte begrippen als ‘persoon’, openbaart God zich als een Ik met een naam, die mensen aanspreekt bij hun naam en met ‘jij’ en ‘jullie’.

jij
Foto: Antoon Kuper, Jij (flickr.com)

Wie zich aangesproken weet, kan op haar of zijn beurt God aanspreken. En dan komt de vraag: met welk persoonlijk voornaamwoord doe je dat? In het hedendaags Nederlands heb je twee mogelijkheden: ‘U’ of ‘Jij’. De meeste gelovigen (ook ik) kiezen uit eerbied, afstand en/of gewoonte voor de eerste mogelijkheid. Heel af en toe hoor ik iemand tegen God ‘Je’ zeggen. Daarin klinkt nabijheid en intimiteit door, die de formele en afstandelijke beleefdheidsvorm ‘U’ juist mist. Als je bedenkt dat de Bijbelse talen — het Grieks en Hebreeuws — de beleefdheidsvorm niet kennen en dat God in veel andere talen met de vertrouwelijke vorm (‘Du, You, Tu’) wordt aangesproken, blijft het een bijzonder verhaal dat we in het Nederlands God vrijwel alleen op de beleefde en afstandelijke manier aanspreken.

Toch verlang ik niet naar ‘gejij’ en ‘gejou’ tegen God. De Nederlandse jij-vorm is nogal familiair en vrijpostig. Wie ‘Jij’ tegen God zegt, doet al snel alsof God je buurman of je vriendje is. Het wonderlijke en ontzagwekkende geheimenis van God kan maar moeilijk tot uiting komen in het directe en vlakke ‘jij’. Iets wat overigens ook geldt voor de in een deel van de christenheid vaak gebezigde term ‘een persoonlijke relatie met God’ — veel vlakker en nietszeggender kun je de band met God niet omschrijven, dunkt me.

Als we in het Algemeen Nederlands God willen aanspreken moeten we dus kiezen tussen twee kwaden: het al te familiaire ‘Jij’ of het afstandelijke ‘U’. Al is er ook een derde weg, als we het verouderde ‘gij’ weer in ere zouden herstellen. In de roman Stille Zaterdag van Désanne van Brederode zingt een van de hoofdpersonen na verhuizing van Utrecht naar Noord-Brabant de lof van het ‘gij’, waarin afstand en nabijheid, het gewone en het goddelijke met zachte ‘g’ in elkaar overvloeien. Toen ik die hulde aan het zachte ‘gij’ van onder de rivieren las, riep dat veel herkenning op. Na tien jaar Vlaanderen is het ‘gij’ een deel van mijn gewone taal geworden, al gebruikte ik het zelf niet veel en begint het nu in Amsterdam weer langzaam te vervagen. Maar tegen God ben ik wel vaker ‘Gij’ gaan zeggen. Dat ging eigenlijk vanzelf, omdat het Vlaamse ‘gij’ de taal van de Statenvertaling, waarmee ik ben opgegroeid, weer wakker riep. De tale Kanaäns, die het zeventiende-eeuwse eerbiedige ‘Gij’ voor het aanspreken van God heeft bewaard, klonk ook opeens verrassend gewoon in het ‘gij’ en ‘ge’ van het Antwerpse school- of marktplein.

Is dat goddelijke en tegelijk zo gewone ‘Gij’ ook niet het geheim van God? God die afdaalde, ons menselijk bestaan (inclusief de taal) heeft gedeeld en ons zo dicht op de huid komt? Zo’n God spreek je toch niet beleefd-afstandelijk of plat-familiair aan? Bij die God past een zacht en eerbiedig ‘Gij!’

Kein Signal

De kerk waar ik gisteren op het Pinksterfeest voorging had een klein schermpje in de preekstoel. Op dat schermpje verschenen de teksten die ook op de muur werden geprojecteerd. Een vriendelijke arbo-maatregel om te voorkomen dat de dominee met omgedraaide en opgeheven nek zich een nekblessure zingt. Na een tijdje viel het beeld echter uit en verscheen in vierkante rode letters het bericht ‘Kein Signal’ (geen signaal).

KeinSignal.001Na nog één lied zou ik beginnen aan de pinksterpreek met de titel ‘De Geest spreekt alle talen’. Was dit een signaal van de Pinkstergeest, die op het feest van het talenwonder natuurlijk zonder problemen in het Duits kon communiceren? Als dat zo was, dan was het een onrustbarend en schrikwekkend signaal, namelijk dat de verbinding verbroken was en de Geest niet van zich zou laten horen. Dat was een harde mededeling op Pinksteren, waarop we de komst van de Geest van God in vuur, wind en talen vierden. Ik kon preken als Brugman en we konden het ‘Kom Heilige Geest’ als een eeuwig refrein blijven zingen, maar de Geest zou geen signaal geven.

De hele dag raakte ik die rode lettertjes niet meer kwijt. Ze bleven haken bij de ervaring van geesteloosheid en leegheid. Ze vonden gemakkelijk een plekje in schuldgevoelens en onzekerheid, die de oorzaak konden zijn van de verbroken verbinding. Ze wreven de boodschap van geestrijke broeders en zusters er nog eens in, dat ik, traditionele gelovige, wel wat meer van de Geest kon gebruiken.

Bij al dat getob, troostte ik mezelf met de gedachte dat ‘Kein Signal’ tenminste nog een signaal was. De Geest had de moeite genomen om mij te melden dat er geen verbinding was. Aan die schrale troost houd ik me dan maar vast. Er is ‘geen leven, dan waar Gij het wekt / in een gemis dat naar U schreit’ zo dichtte Ad den Besten in het Pinksterlied ‘Kom, Heilige Geest, Gij vogel Gods’ (Liedboek 680). De duif van God had in die twee rode Duitse woorden dat gemis weer tot leven gewekt. En — dat geloof ik vast — ook missen, verlangen en zoeken zijn onmiskenbare signalen van het leven dat de Geest wekt.

Ik maak het niet mooier dan het is: ik ben natuurlijk een armzalige Pinkstergelovige. In plaats van miezerig te zitten missen zou ik veel liever in vuur en vlam staan en in alle talen van de wereld over de overvloed Gods spreken. Maar ik geef niet op en bid en wacht op het signaal.

Hoop

Het is weer Pasen. Pasen is het feest van de hoop — van een onbegrensde en alles uitdagende hoop, omdat er een leeg graf is gevonden en Jezus, die gekruisigd en afgedankt was, is opgestaan uit de dood.

Kleinemeisjevandehoop
Foto: Sunshine girl, Melissa Stein

Elk jaar wakkert het vieren van de opstanding van Christus de hoop in mij weer aan. Dat is wel nodig ook, want hoop is een klein en kwetsbaar ding. De hoop kruipt in haar schulp als ze geconfronteerd wordt met dingen die maar niet willen veranderen. Ze verschrompelt als ze hoort dat de oorlog in Syrië al zeven jaar voortduurt. Ze wordt een kopje kleiner gemaakt als de dood onverbiddelijk het leven breekt. Ze dooft langzaam uit als er teveel onverschilligheid in de lucht hangt. Ze kwijnt weg in een wereld die alle kaarten op zekerheid en het hier en nu zet. Ze heeft het niet gemakkelijk, de hoop.

In een gedicht ziet de Fransman Charles Péguy (zelf gestorven in 1914 in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog) de hoop als een klein meisje dat tussen haar beide grote zussen geloof en liefde onopvallend over de weg wandelt. Het is een mooi beeld: een klein meisje — nog niet bezwaard door het leven, nog voordat het grote lijden van de pubertijd begint, nog lichtvoetig, speels en zichzelf vergetend. Ze is klein en kwetsbaar, ze wordt snel over het hoofd gezien. ‘De mensen, het hele christenvolk, kijken steeds naar de twee grote zussen’ geloof en liefde … ‘Ze zien ternauwernood de kleine zus, die in het midden loopt’, aldus Péguy.

Maar ze is taai, verbazingwekkend taai. ‘Ik sta er zelf versteld van’, zo laat Péguy God zeggen over dat kleine meisje dat Hij in zijn goedheid aan de mensen geeft en dat steeds weer opduikt om ons voor wanhoop en cynisme te behoeden. Op Pasen duikt ze ook weer op — uit de dood, tegen alle verwachting in, in verschijningen van de Opgestane die we niet kunnen vastpakken of vasthouden. Ze blijft het kleine meisje van de hoop, dat zelfs op haar feest niet opvalt tussen de legers paashazen, de miljoenen kilo’s chocolade paaseieren, de duizenden gele narcissen en het eindeloze ‘Halleluja’ dat vandaag door kerken schalt. Maar juist klein en simpel piept ze door de scheuren van ons leven, verschijnt ze waar er weinig meer te hopen en te verwachten valt en wijst ze lachend met haar kleine vingertje naar dat graf dat leeg is.

Een hoopvol Paasfeest gewenst!

 

Margriet van de Kooi schreef een mooi boekje over de hoop, geïnspireerd op het gedicht van Charles Péguy over het  kleine meisje van de hoop: Het kleine meisje van de hoop: Nieuwe gesprekken over God en ons (Boekencentrum, 2016).

Heilzame onrust

Vorige week zondag viel tijdens het zingen in de kerk mijn oog op een gebed dat stond afgedrukt in het liedboek waaruit we zongen.
‘Laat niet toe dat wij leven
alsof wij niets meer te verwachten hebben.
Wek in ons de heilzame onrust
omwille van het uur waarop uw Zoon zal wederkomen,
Jezus Christus, onze Heer.’

restless
Foto: Restless, stttijn 

Het was de ‘heilzame onrust’ die me raakte. Al veel langer is dat zo. Een bijbeltekst, een lied of een verhaal dat over onrust gaat of me onrustig maakt, weet me vaak te pakken. Weer gebeurde het. Tijdens een weekend om er even tussenuit te zijn en rust te vinden, in een Zeeuwse dorpskerk waar de zondagse dienst braaf voortkabbelde, trof de engel van de onrust opnieuw mijn hart.

Ik weet niet goed waar die ontvankelijkheid voor onrust vandaan komt. Is het de rebelse tiener die af en toe nog even zijn gezicht laat zien? Of het onrustige verlangen naar God, dat in dit leven nooit langer dan een paar minuten gestild wordt? Of het latente gevoel van onbehagen dat er zoveel blijvend mis is in de wereld, waardoor je niet mag rusten? Of het diepgewortelde idee dat je altijd in beweging moet blijven en rust roest? Al deze factoren zullen wel meespelen dat onrust snel bij mij blijft haken.

Aan de andere kant verlang ik naar rust en stilte. En ook daarin ben ik niet de enige. Stilte, onthaasting en rust zijn kostbare goederen geworden, waar veel mensen in de drukte van de ratrace en de onophoudelijke prikkels van onze communicatie naar zoeken. Ook mijn geloof geeft rust. ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid en belast door het leven gaan en Ik zal je rust geven,’ belooft Jezus in een van de mooiste teksten uit het evangelie. (Mattheüs 11:28) Die rust ervaar ik ook in de zondagse kerkdienst, in de stilte van het bidden en als je iemand in alle rust ontmoet.

Maar — wonderlijk genoeg — komt in die rust en stilte vaak toch weer de onrust boven. En dat is heilzaam, zegt het gebed. Er is heilloze onrust, die je als een kip zonder kop doet rondrennen en nergens brengt. Maar onrust kan ook heilzaam zijn: dat je verwachting krijgt en los wordt getrokken uit de onverschilligheid en de onzalige en oppervlakkige rust van een comfortabel en verwend leventje. Dat gaat niet vanzelf is mijn ervaring. Steeds weer moet ik wakker gemaakt worden — door de onrust dat het zo niet langer kan, door het rusteloze verlangen naar God en ook doordat er iets te verwachten is. Laat ons niet leven, zegt het gebed, alsof we niets te verwachten hebben. Ja, je kunt leven alsof er niets meer te verwachten is. Dat kan op allerlei manieren — tevreden, apathisch, krampachtig of druk. Maar er is een uur waarvan zoveel te verwachten is, dat je er heilzaam onrustig van wordt of zou moeten worden.

Stilte

Tijdens een leerhuis deze week over biddend bijbellezen, geleid door dr. Jos Douma, waren we een kwartier stil, mediterend over een bijbeltekst. Het was een wonderlijke ervaring om in een zaaltje van onze kerk, waar bijna altijd woorden klinken, gewoon stil te zijn.

silence
Foto: freeside, Silence

Als dominee ben je weinig stil — je spreekt, je vraagt, je antwoordt, je preekt, je bidt, je leest, je schrijft. Eigenlijk ben je altijd met woorden in de weer. Dat kwartiertje stilte deze week deed me niet alleen goed, het stelde me ook de kritische vraag naar de inflatie van het woord. Doet de veelheid van mijn woorden de waarde en de zuiverheid ervan niet afnemen? Dat geldt voor onze samenleving waarin continue wordt gesproken, gedebatteerd, gechat, geappt, gebabbeld, gebeld, maar ook voor mij. Ben ik niet teveel een woordenkramer, een babbelaar over God en geloof, een goedbedoelende, maar oppervlakkige prater? De bijbelse Prediker waarschuwt dat je in de aanwezigheid van God niet teveel moet praten — ‘wees spaarzaam met je woorden’ (Prediker 5:1). Als ik eerlijk ben: aan die waarschuwing laat ik me als professional van het woord weinig gelegen liggen.

Om me wat op deze vraag te bezinnen, vond ik een boek over de woestijnvaders, de monniken die vanaf het jaar 300 de woestijn van Egypte introkken om onder andere stilte te zoeken en zwijgen te leren. Ik las over een zekere Pambo (303-374 AD), die zich 18 jaar in de stilte terugtrekt om te leren zijn tong zuiver te gebruiken en ook om nuchter het ‘geen woorden, maar daden’ in de praktijk te brengen. Ook als hij terugkeert uit zijn zelfgekozen stilte, spreekt hij niet veel. Maar de woorden die hij spreekt, zijn vol van wijsheid en zegen. ‘De waarde van woorden wordt zichtbaar in de stilte’ is het motto dat in het boek bij Pambo staat. Ik neem me opnieuw voor om de stilte te zoeken, eerst te zwijgen, het babbelen en praten af te leren — juist uit respect voor het woord en uit verlangen om woorden te horen en te spreken die waardevol zijn. Ik word stil.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.