Jezus blijft maar bruiloftsgast

Nog nooit heb ik zoveel huwelijken ingezegend als het afgelopen jaar, deels doordat de pandemie leidde tot uitstel van bruiloften. Maar hoe vaak ik ook twee geliefden in de echt verbind, het blijft altijd een voorrecht, omdat je als voorganger even onderdeel bent van iets dat ik het best kan omschrijven als vreugde. Elke keer weer word ik verrast door de vreugde en vrolijkheid die op een bruiloft heersen en die ook de viering en inzegening in de kerk tot een feest maken.

Foto: Chris Dickens op Unsplash.

Tijdens een van de huwelijksdiensten dit jaar lazen we het verhaal van Jezus die op de bruiloft in Kana water in wijn verandert (Johannes 2:1-11). Ik herinnerde me een passage uit de roman De gebroeders Karamazov van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski, waar dit verhaal in voorkomt. De jongste broer, Aljosja, hoort tijdens de nachtwake voor zijn overleden geliefde starets Zosima, dit bijbelverhaal lezen. Half dromend bedenkt hij zich dat de eerste keer dat Christus een wonder op aarde deed, zijn hart niet naar het leed, maar naar de vreugde van de mensen uitging. Jezus’ eerste wonder zorgde op een bruiloft voor wijn, die volgens de Bijbel het hart van de mensen verheugt. Zijn eerste goddelijke teken toonde niet de God die zich bekommert om zieken, zondaren en armen, maar de God die zich druk maakt om de feestvreugde van ons mensen.

Het lijkt erop dat Jezus altijd weer te gast is op een bruiloft om, net als ooit in Kana, te zorgen voor onbekommerde vrolijkheid en vreugde. Hoe serieus het sluiten van een huwelijk ook is en hoezeer het leed en de lasten van het leven ook op een bruiloft aanwezig kunnen zijn, toch valt dat in het niet vergeleken bij de heerlijkheid van de oprechte liefde van twee mensen en de vrienden en familie die met hen vrolijk zijn. Een bruiloft is licht — in twee betekenissen: mensen stralen altijd (een beetje) en het leven voelt niet zwaar, maar licht — als een vrolijk veertje dat door lucht dwarrelt.

Nu vind ik leven best een opgave en geloven maakt het voor mij lang niet altijd lichter. Bovendien zijn onze tijden nu ook niet echt vrolijk te noemen. En er is ook zoiets als ‘de ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, wanneer je maar een beetje oppervlakkig en ijdel leeft. Daarbij komt dat ik vroeger vaak gewaarschuwd ben tegen lichte kerken en vrolijk geloof. Dat alles maakt dat ik eerder neig naar ernst en zwaarte en vooral oog heb voor het hart van God dat uitgaat naar het leed en de nood van ons mensen.

Maar gelukkig verschijnt Jezus altijd weer als gast op bruiloften, opdat wij nooit zullen vergeten dat Gods hart ook echt uitgaat naar de vreugde van zijn kinderen.

Gewoon God en verder niet veel meer

‘Hij geloofde in God en niet zo gek veel meer’ (‘He believed in God and precious little else’), zo schreef de Engelse krant The Times bij het overlijden van de mij verder onbekende Anglicaanse priester Herbert Kelly (1860-1950). Sinds ik dat zinnetje ergens tegenkwam, is het in mijn hoofd blijven hangen. Het fascineert me. Wat is dat voor geloof, als je alleen in God gelooft en de rest er niet echt toe doet? Kan dat eigenlijk wel, zo simpel geloven?

Foto: Jeremy Bishop op Unsplash.com

Het roept in ieder geval een verlangen bij mij wakker. Een verlangen naar simpel en kernachtig geloven. In de kerk kunnen we zo met van alles en nog wat bezig zijn dat je gemakkelijk kunt vergeten dat het om God gaat. En geloven kan zo belast worden met lastige en ingewikkelde vragen dat God verdwijnt in een dikke mist van twijfels en bezwaren. Daarbij zijn we in onze cultuur zo gefocust op wat wij voelen, beleven en vinden, dat ons geloven en spirituele zoeken al onze aandacht vragen en God in wie we geloven en om wie het gaat er uiteindelijk nogal bekaaid vanaf komt.

Wat me in dat zinnetje over Kelly zo raakt is de eenvoud. En volgens mij kunnen we daar best wel wat van gebruiken vandaag. Ik moet denken aan wat Jezus zei tegen de drukke Martha: ‘Je maakt je druk over veel dingen, maar slechts één ding is nodig.’ (Lukas 10:41-42) En is dat ene niet in de eerste plaats God zelf, die we mogen liefhebben met heel onze ziel en zaligheid? God, die, in de woorden van de Engelse mystica Evelyn Underhill, ‘het enige interessante ding aan religie’ is.

Je richten op dat ene ding maakt je ook vrij. Misschien is dat wat me het meest fascineert: de vrijheid van een leven dat geconcentreerd is op één ding, waardoor je je dus niet druk hoeft te maken over heel veel andere dingen. De vrijheid van een geloof dat leeft met en van God en heel veel ballast kan afwerpen. 

Ik heb me ook afgevraagd of zo’n vrij en eenvoudig geloof niet asociaal en egoïstisch is. Misschien was eerwaarde Kelly wel gewoon het type mens die zijn eigen plan trekt en zich verder van niets en niemand wat aantrekt. Toch denk ik dat dit niet zo is. Als je gelooft, kom je immers in aanraking een Ander, die je ook (of misschien wel: vooral) vrij maakt van jezelf. Ik geloof in God. Punt. Angstaanjagend, maar ook onbevreesd vrij. 

Help, de toeristen zijn terug!

Een collega van mij grapte dat met Pasen de toeristen ook weer waren opgestaan. En gelijk had hij. Het is inderdaad weer een vanouds gezellige drukte in het als UNESCO-werelderfgoed geclassificeerde centrum van Amsterdam. In parken en winkelstraten hoor je weer de kakofonie van talen, op de grachten moet je weer oppassen voor de colonnes Zuid-Europeanen die zich met de fietsvaardigheden van een kleuterklas door de stad verplaatsen en rond het Anne Frank Huis waan je je opnieuw in de Efteling.

Foto: Angelina Davydova op Unsplash

Het oude normaal is dan toch echt terug. Na twee jaar pandemie en alle onrust en onzekerheid in de wereld geeft dat ook wel het geruststellende gevoel dat niet alles veranderd is. En ik neem aan dat de mensen die voor hun brood afhankelijk zijn van het toerisme opgelucht ademhalen dat de citytrippers en dagjesmensen nu weer in groten getale in de stad verschijnen.

Maar om eerlijk te zijn stemt de aanblik van die hordes toeristen mij niet echt vrolijk. En dan gaat het me niet eens zozeer over de overlast. De losgeslagen land- en stadgenoten die op Koningsdag denken dat de Jordaan één groot urinoir is, zijn een ergere plaag. En wat zou ik klagen over toeristen, als ze in Oekraïne lijden onder een stroom van gewapende bezoekers die hun land komen slopen? Nee, over de overlast zal ik zwijgen.

Als ik de toeristen als lemmings door de stad zie trekken, kijk ik in een spiegel waarin ik een beeld van mezelf ontwaar. Het massatoerisme is immers één van de dominante uitingen van onze westerse levensstijl, gericht op het geluk van eten, drinken, spullen en entertainment. Met Pasen werd duidelijk dat het corona-virus die manier van leven niet echt heeft aangetast. De hoop op een nieuw normaal, die in 2020 even de kop op stak, is samen met de opgewonden corona-demonstranten uit ons leven verdreven. De oude gewoontes en hardnekkige patronen van onze westerse levensstijl bleken zoals gevreesd sterker.

Als ik goed in die spiegel van de toeristen kijk, weet ik niet of ik moet lachen of huilen. Hoe lachwekkend is het spektakel van al die mensen die, met identieke kleding en schoenen aan, hun smartphone als de afstandbediening van hun bestaan in de hand, op weg zijn naar dezelfde hotspots? Hoe bizar zijn de pretpark-taferelen voor het huis waar tijdens de Tweede Wereldoorlog een Joods meisje verstopt zat? Hoe angstaanjagend leeg is het eentonige schouwspel van de etende, drinkende, selfies en foto’s makende, door de stad slenterende massa niet? ‘De aanwezigheid van toeristen holt een bijzondere plaats uit. De vakantie maakt bijzondere plaatsen leeg,’ schrijft de Amerikaanse theoloog William Cavanaugh (in het Engels: ‘vacation vacates particular places’)

In deze spiegel kijkend, staar ik in de leegte van de toeristische levensstijl — constant op zoek naar vulling van je leven, terwijl je op deze manier je leven juist uitholt en de plaatsen waar je komt leeggezogen achterlaat, op zoek naar weer een nieuwe belevenis op een volgende plek. De overvolle toeristische plekken ademen, ondanks de drukte en reuring, leegte uit.

Hoe lang zullen wij en onze vermoeide, vervuilde aarde dit oude, lege normaal nog volhouden? Laten we bidden dat we van toeristen pelgrims zullen worden. Pelgrims die op reis gaan naar plekken en ervaringen die je leven diep veranderen en vullen met liefde en wijsheid. Pelgrims die de dwaze en gelovige lef hebben om op citytrip te gaan naar het nieuwe Jeruzalem, het Mokum dat stralend van leven ons onrustige zoeken en verlangen zal verzadigen.

Verliefd op God?

Het voelde als een coming-out. Met lichte schaamte kwam het er bij mij uit: ‘Ja, ik ben weleens verliefd op God.’ Vier paar tienerogen keken me eerst glazig en daarna met een mengeling van medelijden en spot aan. Het voelde ook awkward en dwaas: een veertiger die in een suf kerkelijk zaaltje met een paar tieners over verliefdheid begon en stelde dat je ook op God verliefd kon worden. In het (wat mij betreft goede) gesprek dat volgde bleek dat zij zich niks bij verliefd worden op God konden voorstellen en zich afvroegen of God niet te anders en te groot was voor onze verliefdheid. Is verliefdheid niet een te menselijke manier om God te benaderen? En we noemen God toch Vader, bij een relatie tussen ouder en kind past toch geen verliefdheid?

Foto: Nick Fewings op Unsplash

Ze hebben een punt: verliefdheid is een menselijke ervaring die je niet zomaar op de verhouding tussen God en mensen kunt toepassen. God is niet je vriendje of vriendinnetje. Geloven is gelukkig veel meer dan met vlinders in je buik je aan God overgeven. En verliefdheid op God kan ook een manier zijn om een gebrek aan liefde van en voor mensen te compenseren. Maar dit gezegd hebbend, blijf ik erbij dat verliefdheid een menselijke ervaring is die op een bepaalde manier ook een plek heeft in onze verhouding met God. De Deense denker Søren Kierkegaard merkt ergens op dat gelovigen eigenlijk de meest verliefde mensen op aarde zouden moeten zijn. Ik kan het citaat nergens meer vinden, maar ik denk dat Kierkegaard niet doelt op de romantische gevoelens van verliefdheid, maar op de ervaring van helemaal gegrepen zijn en meegenomen worden door de liefde van God.

Er is een boek in de Bijbel dat je het boek van deze verliefdheid kunt noemen: het Hooglied. Hooglied is een verzameling liefdesgedichten die beginnen met het hartstochtelijke verlangen naar een kus: ‘Laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond.’ Nu kun je deze gedichten lezen als Oosterse liefdespoëzie, waarin twee geliefden naar elkaar verlangen en zingen over de intimiteit en onschuld van de liefde. Maar zowel in het jodendom als in het christendom is het Hooglied in de eerste plaats gezien als een lied dat gaat over God en de gelovige(n) die naar elkaar verlangen en elkaar beminnen. De liefde van God en voor God is geen abstract of theoretisch idee, maar is even hartstochtelijk als de liefde van een verliefd koppel. Bernardus van Clairvaux, die 86 preken hield voor zijn medemonniken over de eerste twee hoofdstukken van het Hooglied, zegt in één van die preken dat ‘God liefheeft met de bedoeling bemind te worden.’ Behoort dat niet tot het wezen van de liefde? Die pas tot haar bestemming komt als ze in vrijheid wordt beantwoord met wederliefde — voor anderen, voor jezelf en ook voor God?

En natuurlijk is die wederliefde veel meer dan verliefdheid. Maar in die liefde voor God kan de overgave, de passie, de verrukking en het totale die bij verliefdheid horen ook doorbreken. Dat is een geschenk, zoals alle liefde ten diepste een geschenk is dat je overkomt. Maar je kunt er wel naar verlangen — dat je geraakt wordt door Gods liefde en zo ook verliefd wordt op God (‘gekust’ zegt het Hooglied). En zo simpel begint liefde vaak ook: door ernaar te verlangen. Misschien voelt het dwaas in onze tijd, waarin velen God eerder als een ver en vaag iets dan als een hartstochtelijke minnaar ervaren. En ook wat overdreven onder gelovigen die eerder zuinig en veilig geloven dan dat de hartstocht voor God hen verteert. Maar is de liefde niet altijd een waagstuk en een beetje dwaas?

Zwarte vrijdag

‘Zwarte vrijdag’ klinkt mij wat griezelig in de oren. Zet het in een rijtje met zwarte weduwe, zwarte dood, zwarte kat en zwarte zaterdag, en je vreest horror en ellende. Maar in een ander rijtje krijg je er al weer andere gedachten bij. Zwarte panter, zwarte gospel en het Zwarte Woud roepen eerder bewondering op. Nu speelt de gevoelswaarde van het zwart van deze vrijdag niet zo’n grote rol, omdat we deze vrijdag alleen in het Engels kennen als ‘Black Friday’ — een nieuwe hoogtijdag die van over de Atlantische Oceaan onze novembermaand is binnengewaaid.

Foto door Ashkan Forouzani op Unsplash

Black Friday is de vrijdag na het Amerikaanse Thanksgiving, die als vrije dag in het teken van shopping staat. De verkeersdrukte op die dag schijnt te hebben geleid tot de naamgeving. Frankrijk heeft zwarte zaterdagen en zondagen in de zomervakantie, als de autoroutes vollopen met auto’s en caravans, de VS heeft een zwarte vrijdag met stormlopen op koopjes en files voor de kassa’s in megastores. En die zwarte dag is sinds een jaar of vijf overgewaaid naar Europa. Dat zal wel te maken hebben met de opkomst en concurrentie van de wereldwijd opererende webwinkels en de strategie van winkeliers om ons steeds vroeger en vaker te verleiden tot eindejaarsinkopen.

Black Friday heeft in de VS nog iets van de tweede Thanksgiving Day, zoals de tweede feestdagen in Nederland, maar bij ons is het een louter commerciële dag, een feest ter ere van het consumeren. Daarmee voelt deze vrijdag als een verarming van onze kalender. Ook bij Sinterklaas en Kerst speelt de commercie natuurlijk een grote rol, maar dat zijn toch in de eerste plaats feestdagen met een andere betekenis en invulling dan shopping. Al gun ik ieder winkelier een goede omzet en begrijp ik ook het genot van shopping, toch vraag ik me af of deze feestdag van het shoppen echt een verrijking op onze kalender is.

Het is wonderlijk dat deze nieuwe feestdag vrijwel geruisloos wordt geaccepteerd, terwijl aandacht voor Islamitische feestdagen op onze kalender zo gevoelig ligt in ons land. Ook zijn er heel wat christenen die zich terecht verzetten tegen de viering van Halloween (een feest dat trouwens ook uit de Engelstalige wereld is overgewaaid), terwijl er bij dit shoppingsfeest weinig alarmbellen gaan rinkelen. Het gemak waarmee deze dag onze kalender en ons leven verovert, laat iets zien van het aanzien en de macht van de god van deze feestdag, de Mammon.

Ik vraag me af op welke manier je het beste kan reageren op de opkomst van Black Friday. Een boycot? Een ludieke tegenactie, zoals de Dominicanen in Zwolle een Black Friarday organiseren waarop je in hun kerk een ‘parcours van eenvoud’ kan lopen? Of tegelijk met Black Friday ook Thanksgiving op onze kalender invoeren? Daarvoor hoef je alleen de protestantse dankdag voor gewas en arbeid een paar weken (en in Zeeland zelfs maar één dag) later te houden. Ik zou denken dat je na de jaarlijkse dankdonderdag, waarop je dankbaar hebt gevierd wat je in het afgelopen jaar allemaal hebt ontvangen, geen behoefte hebt om direct weer te gaan kopen. Maar dat is waarschijnlijk te naïef gedacht.

Gevaccineerd, noch ongevaccineerd


Nu de anderhalvemeter-maatregel verdwijnt en een coronapas verplicht is voor een café- of concertbezoek, wordt de tweedeling in onze samenleving tussen mensen die gevaccineerd zijn en de ongevaccineerde minderheid verscherpt. Daarover wordt veel gedebatteerd en natuurlijk ook weer gepolariseerd. Een spannende vraag voor mij is of gelovigen daar op een andere manier mee om kunnen gaan. Als antwoord drie bijbelwoorden die wat mij betreft de goede richting wijzen.

Foto: Mat Napo on Unsplash

In de brief aan de Galaten (3:27-28) schrijft de apostel Paulus: ‘U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u omkleed met Christus. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen — u bent allen één in Christus Jezus.’
Ik denk dat we in onze situatie de gevaccineerden en ongevaccineerden aan dit rijtje moeten toevoegen. In Christus zijn er ook geen gevaccineerden en ongevaccineerden. De verschillen tussen ons mensen op allerlei vlak zijn reëel en soms lastig, maar ze worden overstegen door een hogere verbondenheid: namelijk het geloof in onze Heer en Verlosser. Paulus gebruikt het beeld van een mantel die je omslaat: Christus is de mantel die de verschillen bedekt en daarmee ook relativeert. In de kerk word je — althans dat is de bedoeling — niet eerst gezien als man of vrouw, zwart of wit, arm of rijk, homo of hetero, gevaccineerd of ongevaccineerd, maar als kind van God of als kind van God in spe. Dat is de radicale en in deze gepolariseerde tijd ook helende consequentie van het evangelie van Gods genadige liefde voor allen, die we met dezelfde koppigheid als de apostel Paulus zullen moeten vieren, volhouden en verdedigen.

Wat betekent dat ‘in Christus zijn’ concreet voor al dan niet vaccineren? In de eerste plaats een houding van gezonde onbezorgdheid. In de Bergrede draagt Jezus zijn leerlingen op om zich niet bezorgd te maken over eten, drinken en kleding — dat zijn dus de basisbehoeften, die net zo basic zijn als onze gezondheid. ‘Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en de het lichaam meer dan de kleding?’ (Mattheüs 6:25)

Het overheidsbeleid op het gebied van COVID-19 heeft zich niet laten inspireren door deze woorden. Het wordt gedreven door bezorgdheid en het doel om door planning, beïnvloeding en technologie zekerheid en controle over het leven te verkrijgen. En, laten we eerlijk zijn, ook gelovigen zijn onderdeel van onze bezorgde en op controle gerichte cultuur, waarin gezondheid en/of welvaart het hoogste goed zijn.
Veel tegenstanders van vaccinatie zijn echter net zo bezorgd. Ze zijn bezorgd over de effecten van vaccins, over de invloed van de overheid, hun vrijheid en/of geheime complotten tegen de mensheid.
Het zou echt een heel stuk helpen als beide groepen iets minder bezorgd zouden zijn over hun leven en hun lichaam en zich meer zouden richten op het koninkrijk van God en de gerechtigheid daarvan. Dat is volgens Jezus het alternatief voor de bezorgdheid over de basisbehoeften. Immers, als je je minder druk maakt over je eigen gezondheid, kun je je richten op wat God vandaag van ons vraagt en daarmee ook op anderen en hun zorgen.

Let op, ik denk niet dat onbezorgdheid hetzelfde is als onvoorzichtigheid of het bijgelovige idee dat je als gelovige onkwetsbaar kunt zijn voor ziekte (dat is eerder een vorm van God verzoeken). Geloven is je toevertrouwen aan Gods zorg, die ook via de gezondheidszorg en het overheidsbeleid werkt. Ik zie ook in een vaccin die zorg, maar weet ook dat niet iedereen mijn vertrouwen deelt. De heilige onbezorgdheid die we van Jezus kunnen leren en ontvangen geeft ons het vertrouwen en helpt ons om als gevaccineerden en als ongevaccineerden te denken aan anderen en aan meer dan alleen gezondheid, vrijheid of welvaart.

En dat brengt me tenslotte bij wat Paulus aan de Korinthiërs schrijft over ‘de wereld gebruiken, alsof je die niet gebruikt’ (1 Korinthiërs 7:29-32a). In dat ‘alsof’ zit een wijsheid die helpt om niet zó in de dingen van ons bestaan op te gaan dat we erdoor worden ingepakt of opgevreten en ze ons het zicht op God en zijn rijk benemen. Dus is de oproep vandaag: Laten zij die gevaccineerd zijn, zijn alsof ze niet gevaccineerd zijn en zij die niet gevaccineerd zijn, alsof ze dat wel zijn. Willem Engel wees alsof je Hugo de Jonge bent. En laat Diederik Gommers zijn als Doutzen Kroes. Ik besef dat dit gemakkelijker is gezegd dan gedaan. Maar nu ik — die gevaccineerd ben — dat ‘alsof’ even tot me laat doordringen, geeft het rust en begrip voor anderen en schept het een wonderlijke vrijheid. Die vrijheid (die ons misschien iets verder helpt) wens ik iedereen in deze verkrampte coronawereld van harte toe!

Kleuterdominee

De afgelopen weken was ik op dinsdagmorgen even kleuterdominee. De groepen 1/2 van een school in de buurt komen sinds enkele jaren naar de Noorderkerk als ze het thema ‘Christendom’ behandelen. Door het corona-virus konden de bezoeken aan de kerk dit jaar helaas niet doorgaan. Als alternatief maakten enkele gemeenteleden een filmpje over het kerkgebouw en het paasverhaal en spraken we af dat elke kleutergroep een gesprekje met de dominee zou hebben via een online-verbinding. Zo zat ik dus de afgelopen weken achter mijn computerscherm met aan de andere kant steeds een klasje vrolijke vier- en vijfjarige vragenstellers.

Foto door nappy op Pexels.com

Ze vroegen me over de kerk hoe het orgel werkt, waarom er een preekstoel is en waarom er een haantje op de toren staat. Over God, de hemel en de tien geboden kregen we af en toe een heus theologisch gesprek. Over Pasen hadden ze ook veel te vragen: waarom werd Jezus dood gemaakt, hoe kon Hij weer levend worden, bestaat de Paashaas echt, eten we in de kerk chocolade paaseitjes? En ook wilden ze weten hoe je dominee kunt worden en wat voor kleren ik draag. Naast alle vragen en antwoorden was er elke keer ook wel een kleuter die even voor de camera vriendelijk ‘hallo’ kwam zeggen of vertellen dat zij wel of niet gedoopt was. Na een tijdje nam de concentratie af en de onrust toe en namen we vrolijk zwaaiend afscheid.

De ontmoetingen met deze kinderen hebben me verrast. Al deze vragen had ik niet verwacht (dat was wellicht anders geweest als ik vaker kleuters zou spreken). Maar wat me vooral heeft geraakt is het ongedwongen en vrolijke gesprek over geloof, kerk en God met kinderen met allerlei verschillende (geloofs)achtergronden. Ik vond het een verademing, middenin een heftig maatschappelijk klimaat waarin ook kerk en religie snel in een sfeer van afstandelijkheid of zelfs wij-zij terechtkomen.

Ik begrijp na deze ontmoetingen ook weer iets beter waarom Jezus bijzondere aandacht voor kinderen had. Wanneer zijn leerlingen kinderen bij Hem vandaan proberen te houden (omdat die niet belangrijk en serieus genoeg waren), grijpt Hij in en zegt: ‘Laat de kinderen bij Mij komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er zeker niet binnengaan.’ Daarna neemt Hij ze in zijn armen en zegent ze. Als kleuterdominee had ik het voorrecht om de afgelopen tijd even iets van die kinderlijke openheid te ervaren. Voor mij een klein en hoopvol teken van God. Nu hoop ik maar dat ik als kleuterdominee dat ook was voor die kleuters.

Het verhaal over Jezus en de kinderen is te vinden in het Evangelie van Markus 10:13-16

Gebed voor de relschoppers

Foto: Florian Olivo op Unsplash

O God, ik wil helemaal niet voor die ellendelingen bidden.
Ik haat dat vernielen en stelen
en ben bang voor het geweld van de groep — samen durven ze wel.
Nee, ik bid liever alleen voor politiemensen, bewakers, bestuurders,
winkeliers met kapotte ramen en lege schappen,
en buurtbewoners die sinds zondag slecht slapen.
Liever bid ik nog om uw zegen over wapenstok, traangas en waterkanon,
dan voor die lafaards, verscholen in hoodies en achter maskers.

En toch bid ik U ook voor de relschoppers.
Ik geloof dat ik niet anders kan en mag —
‘heb je vijanden lief,’ leerde ons uw Zoon.
Daarom, bid ik, voor hen, o God,
dat ik hun gezicht mag zien —
hun menselijk gezicht,
en ik ze in hun jonge ogen kijken kan.
Doe hun hoodies af, o God,
blaas hun maskers weg,
dat hun gezicht verschijnt,
en zij ook uw gezicht zullen zien.
Amen

Wat als Jezus tijdens een pandemie was geboren?

Wat als Jezus was geboren tijdens de Corona-pandemie?
Was Hij dan wel in Bethlehem geboren? Want de Romeinse keizer had de volkstelling, waardoor Jozef en zijn hoogzwangere vrouw van Nazareth naar Bethlehem moesten reizen, vast uitgesteld om het reisverkeer in zijn rijk te beperken. Of had hij belastinginkomsten (waarvoor volkstellingen nodig waren) voorrang gegeven boven de volksgezondheid, zodat Maria en haar timmerman toch naar de stad van David waren afgereisd?

Foto: Martin Vysoudil op Unsplash

In het kerstverhaal wordt verteld dat er in de herberg van Bethlehem geen plaats voor de heilige familie was, waarschijnlijk omdat die vol zat. Zou dat met een pandemie anders zijn geweest? De hotels zitten nu met de feestdagen boordevol, omdat dit de enige manier is om buitenshuis te eten. Maar toen Jezus werd geboren was Kerst nog geen feestdag, dus grote kans dat de herberg tijdens de pandemie nog kamers over had en Jezus dus niet in een kribbe in een stal op aarde kwam, maar zijn eerste levenslicht zag in een keurig kinderbedje op een Bethlehemse hotelkamer.

Dan had de engel de herders in het veld dus naar de herberg moeten sturen. De herders waren natuurlijk gewoon buiten aan het werk. Ook tijdens een pandemie moesten ze immers op hun schapen passen. Op anderhalve meter had de engel het Breaking News over de geboorte van Gods nieuwe koning aan hen verkondigd. En de engelenschaar had ook gewoon het ‘Ere zij God’ mogen zingen, omdat ze het buiten deden, in de oneindige kosmos waar de aerosolen niet blijven hangen. Alleen zouden de herders even hebben geaarzeld voordat ze naar het stadje gingen om te kijken naar het kind dat de wereld zo nodig had. ‘Zouden ze ons nu wel willen ontvangen? Hoeveel mensen mogen er eigenlijk op bezoek in die herberg? Hebben we mondkapjes bij ons?’ Maar ze zouden vast zijn gegaan.

De wijzen uit het Oosten waren echter niet op kraambezoek gekomen. Ze waren niet voor niets wijs en begrepen dus dat je midden in een pandemie zo min mogelijk moest reizen. Omdat ze de grote, bijzondere ster van de nieuwe koning aan de hemel hadden zien stralen, was er wel een vuurtje van verlangen en hoop in hun hart aangestoken. Ze moesten iets doen en hadden hun goud, wierook en mirre als pakket laten versturen naar de nieuwe koning van de Joden. Of alles goed was aangekomen blijft natuurlijk de vraag. Of de geschenken waren bij koning Herodes terechtgekomen, die ze had opgevat als een wat laat cadeau voor zijn troonsbestijging meer dan 30 jaar eerder, of een onoplettende pakketbezorger had ze toevallig toch bij de kleine koning Jezus in Bethlehem bezorgd. In ieder geval had de pandemie ervoor gezorgd dat de kleine kinderen van Bethlehem niet door Herodes waren vermoord en dat Jezus en zijn ouders niet hadden moeten vluchten naar Egypte om daar een paar jaar in een AZC te verblijven.

Als Jezus tijdens een pandemie was geboren, was het anders gegaan, maar ook weer niet zo anders. Hij was gewoon geboren en het had ons in onze pandemie wat extra getroost dat ook Gods Zoon de ellende en ongemakken van een pandemie had meegemaakt. Kerst vieren tijdens een pandemie zou dan ook minder vreemd voelen. Maar misschien is het ook helemaal niet zo vreemd als je bedenkt dat Kerst gaat over God die ons menselijk bestaan heeft gedeeld en bemind tot het bittere einde — met alles wat daarbij hoort, ook pandemieën en hun gevolgen. 

Daarom alvast een gezegend pandemie-Kerstfeest gewenst!

Vrij om elkaar te bespotten?

‘Je kunt de meeste gelovigen het recht op de vrijheid om de spot te drijven met religie niet uitleggen,’ zo schreef Tommy Wieringa onlangs in het NRC. Hij heeft gelijk. Al heb ik groot respect voor hem als schrijver en columnist, toch lukte het hem niet mij te overtuigen waarom het recht op het bespotten van anderen zo’n wezenlijk goed is.

Foto van Andre Hunter op Unsplash

Wieringa gooit in zijn column het beledigen van andermans godsdienst op één hoop met de vrijheid om ongehinderd en kritisch te spreken over godsdienst, hete hangijzers en taboes. Daarom is hij van mening dat een inperking van de vrijheid om een ander te bespotten en te beledigen niets minder is dan zwichten voor de ‘giftige preutsheid’ van gelovigen, die geen enkele kritiek op hun gesloten ideologie accepteren.

Toch ben ik zo vrij om deze twee zaken uit elkaar te halen, omdat het verwarren van vrije, kritische meningsuiting en belediging die vrijheid in mijn ogen niet vooruit helpt. Volgens artikel 7 van de Nederlandse Grondwet heeft iedere burger het recht op het ongehinderd uiten van zijn mening (behoudens ieders verantwoordelijkheid jegens de wet, die bepaalt dat het aanzetten tot haat of geweld, het spreken van smaad en laster en het beledigen (!) van een persoon of groep niet zijn toegestaan). En ik deel Wieringa’s overtuiging dat dit grondrecht een groot goed is, dat we tegen autoritaire overheden, religieuze drammers en gewelddadige terroristen moeten verdedigen. Maar in een samenleving kun je niet alleen leven met juridische rechten.

De Universele verklaring van de Rechten voor de Mens begint voordat alle rechten worden opgesomd in artikel 1 met: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.’ In dit artikel klinkt de wijsheid door dat de mensheid zonder broederschap — of noem dat voor mijn part gewoon vriendelijkheid of fatsoen — met al die rechten niet heel ver komt. In deze spannende tijden van het heetgebakerde ego en de door polarisatie en vijandbeelden geplaagde wereld is het gevaar groot dat we ons steeds meer terugtrekken op onze juridische rechten en eigen gelijk tegenover anderen. Maar ik ben bang dat er weinig van het samen in de samenleving overblijft als we niet tegelijk een vriendelijke hand uitsteken naar hen die anders zijn en denken.

Het afzien van beledigen en kwetsen lijkt mij een elementaire vorm van vriendelijkheid en wellevendheid. Daarbij: zouden het vrije woord en de kritische spot echt hun kracht verliezen als de sprekers en spotters zichzelf oefenen in een geest van broederschap? Jezus, die zelf trouwens veroordeeld werd voor godslastering en zich niet erg druk maakte als Hij beledigd of bespot werd, vatte de wet en de profeten samen in de gulden regel: ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.’ (Mattheüs 7:12) En ik ga er nog steeds vanuit dat de meeste mensen liever niet beledigd willen worden en niet kunnen lachen om grappen die je vernederen — of je nu religieus bent of niet.