Toeristen in de kapel

Je ziet ze komen op sneakers, slippers of wandelschoenen, reisgids in de hand en mobiel of camera in de aanslag. Toeristen in Amsterdam. Uitgenodigd door een open deur in de monumentale Noorderkerk en een bord dat ze welkom zijn in de Noorderkapel stappen ze het portaal in, werpen een blik in het kleine kapelletje, kijken of ze toch nog ergens toegang tot de kerk kunnen krijgen en maken dan snel rechtsomkeert — op weg naar de volgende bezienswaardigheid of een horecagelegenheid.

Foto Toeristen in Amsterdam (Elias Ehmann op Unsplash)

Sinds vorig jaar is onze kerk een kapelletje rijker, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen en een kaarsje aan te steken. De kapel kent een aantal vaste bezoekers en uit het gastenboek blijkt dat ook voorbijgangers uit binnen- of buitenland er even stil worden en God zoeken. Een oudere mevrouw uit de buurt vond in de kapel God weer terug, nam contact op en kon gesteund door bezoek uit de kerk het laatste stukje van haar levensweg in vrede gaan. Maar verreweg de grootste groep bezoekers wordt gevormd door de toeristen, voor wie deze kleine kapel een teleurstelling is, omdat ze niet gekomen zijn om stil te worden of te bidden, maar om iets te zien.

Naar mijn gevoel is dit kapelbezoek illustratief voor de rol van de kerk in onze tijd. Naast de gelovigen die samen de kerk vormen, druppelen er verrassend genoeg altijd weer mensen binnen die op zoek zijn: Godzoekers, stiltezoekers, mensen met een diep heimwee of een gebroken hart. Maar de grote stroom mensen komt de kerk hooguit als een toerist binnen. Voor hen is een kerk niet meer dan een monument van een dode of vage god of een religieuze attractie in het openluchtmuseum Europa. Dat te beseffen doet pijn, juist omdat dit ook te maken heeft met de kerk in het Westen, die weinig spirituele aantrekkingskracht heeft en daarom vooral als een instituut uit het verleden wordt beleefd.

Maar het zegt ook iets over de geest van onze tijd. Als ik op een morgen een tijdje naar de toeristen rond onze kerk kijk, overvalt mij een triest gevoel van leegheid, van walging soms. Ik besef daarbij dat ik zelf op andere plekken ook toerist ben en ik begrijp ook dat de meeste toeristen onze kapel niet willen bezoeken (ze zouden er trouwens ook niet allemaal in passen). Het gaat me om onze toeristische manier van leven. Het massatoerisme, dat met zijn onrust en drukte het centrum van Amsterdam beheerst, is een spiegel van onze belachelijk oppervlakkige en ook wel tragische manier van leven, zoals Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in zijn laatste roman Grand Hotel Europa. Op zoek naar steeds weer nieuwe belevenissen en plekken, komen we maar moeilijk tot onszelf en tot de kern. Al consumerend en reizend — om de saaiheid of de stress van het leven te ontvluchten — blijven we aan de oppervlakte, met als gevolg dat we snel weer verder moeten, naar nog meer, anders en verder. Dat is de tragiek van het toeristische leven, zoals de Amerikaanse mysticus Thomas Merton schreef: ‘De mensen die het meest reizen, zien het minste.’

Het kruis van Jan Palach en Jan Zajíc

In Praag zag ik een kruis verwerkt in het trottoir op het Wenceslausplein. Het was een gedenkkruis voor de studenten Jan Palach en Jan Zajíc, die zich uit protest tegen de militaire bezetting na de Praagse Lente in 1969 op dat plein in brand staken.

Monument voor Jan Palach en Jan Zajíc door Barbora Veselá, Praag

Het is een monument dat je naar de keel grijpt. Een verbogen en verbrand kruis op de grond. Je ziet een kronkelend mensenlichaam dat brandt als een fakkel. Het kruis staat niet rechtop, zoals we gewend zijn, maar ligt plat op de grond — je kunt er zo overheen lopen of op spugen.

Meer dan welk beeld van Jezus aan het kruis ook, laat dit beeld mij iets zien van het zwakke, dwaze en aanstootgevende van God die als Gekruisigde in ons midden is gekomen (1 Korinthiërs 1:18-25). En tegelijk toont dit schokkende beeld de taaie en oersterke kracht van het kruis. Midden in de mega-toeristische hoofdstad van het meest atheïstische land ter wereld stuit je zomaar op het kruis en word je bij je toeristische kladden gegrepen door het verhaal van twee martelaren die vijftig jaar geleden hun leven gaven voor vrijheid en waarheid. Op die plek zie je dat het martelaarschap van die twee jonge mensen sterker is gebleken dan de tanks, de propaganda en de harde hand van het stalinistische regime. Het is een hard en hoopvol teken dat Jezus, Gods eigen martelaar, sterker is dan welke macht ook.

En kijkend naar dat kruis in mensenvorm, besefte ik ook dat je als volgeling van Jezus eigenlijk in een spiegel staat te kijken. Dit kruis van Jan Palach en Jan Zajíc stelt de indringende vraag of mijn leven ook de vorm van het kruis heeft.

Goddelijk

Het Parool leek op aswoensdag wel een religieus blad. Op de voorpagina prijkten tegen een zwarte achtergrond drie juichende godenzonen — boven hen de extatische meditatie van sportverslaggever Henk Spaan met de titel ‘Goddelijk’ in kapitaal wit.

copyright: Het Parool; foto ANP Alaf Kraak

Ajax had dinsdagavond het machtige Real Madrid in hun eigen heilige voetbaltempel Bernabéu vernederd en zich op magistrale wijze toegang verschaft tot de kwartfinales van de Champions League. Voor dat wonder werden alle superlatieven die het Nederlands rijk is van stal gehaald, met als summum ‘goddelijk’.

Nu heeft het profvoetbal in onze wereld natuurlijk ook een goddelijke status. Als je bedenkt hoeveel geld, aandacht en woorden er wereldwijd aan voetbal worden besteed, besef je dat we het niet meer over een gewoon spelletje hebben. En als je aan het begin van een wedstrijd de Champions League hymne hoort, krijg je het idee dat je eerder een deelnemer aan een religieuze hoogmis, dan een kijker naar een sportwedstrijd bent. Sociologen zeggen terecht dat sport, en voetbal in het bijzonder, voor een deel de rol van religie heeft overgenomen in onze ontkerkelijkte samenleving. Voetbal is een religie en dinsdag was Ajax de god die Amsterdam even het hemelse geluk deed smaken.

Vanuit het christelijk geloof bezien, is hier dus sprake van afgoderij, dat is: iets of iemand de plek, status en eer geven die alleen God toekomt. En afgoderij is een probleem, omdat afgoden wel de plek van God innemen, maar dat nooit kunnen waarmaken. Dusan Tadic kan je met zijn pirouette en goal in de kruising misschien wel een hemels gevoel geven, maar verder heeft hij je niet veel te bieden. Bovendien leert het leven ons dat het hemelse gevoel dat de lokale voetbalgod zijn dienaars en aanbidders schenkt nogal wisselvallig is. Dat was dinsdag pijnlijk te merken in de vernedering van de Madrileense godenzonen en de tranen en fluitconcerten van hun volgelingen. En dan heb ik het nog niet over de oppergod Mammon (de bijbelse god van geld en bezit) die in de religie van het profvoetbal schaamteloos aanbeden wordt.

Maar als inwoner van de Amsterdam, die bovendien in zijn jonge jaren op het veldje voor zijn ouderlijk huis altijd een Ajax-held speelde, wil ik niet zuur doen. Ik gun iedereen (en mijzelf) oprecht dat kortstondige moment van geluk en euforie. Bovendien heeft de overwinning van Ajax ook wel een echt goddelijke smaak. Je proefde dinsdagavond in die afgodische tempel iets van de ware God. Zat het goddelijke van die 1-4 triomf niet vooral in het feit dat de kleine David het won van de Goliath met het grote geld? Dat de hoogmoedige kampioenen die de overwinning in hun zak leken te hebben te kijk werden gezet? Dat de oude, vermoeide goden werden weggespeeld door een elftal dat geloof en moed uitstraalde? Dat er iets gebeurde dat je voor onmogelijk hield? Dat ís ook Goddelijk: een verrassende, onmogelijke overwinning, die de logica, wetten en verwachtingspatronen van positie en geld doorbreekt.

Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen de Ajax-goden en de ware God wel op. Die laatste vecht, verliest en wint in de echte wereld met en voor de mensen met hun bloed, zweet en tranen, terwijl voetbal een spelletje in een arena en voor de camera’s blijft. De ware God behaalde zijn onmogelijke overwinning immers aan het kruis — een mislukking aan een martelwerktuig. Die God is als je het goed bekijkt veel minder goddelijk dan de afgoden, wier goddelijkheid alleen blinkt in de triomf en de glitter en de glorie van een voetbaltempel. De goddelijkheid van de ware God verschijnt vreemd genoeg in het menselijke lijden van zijn Zoon Jezus. En die vreemde triomf door het lijden en de dood heen geeft je als mens niet alleen een smaak van hemels geluk, maar ook houvast, troost en hoop in je gewone sterfelijke mensenleven.

Gebed na #Nashville

Eeuwige God,
Gij die volgens onze traditie geslacht noch gender bezit —
Heilige, Enige, Unieke —
geef ons alstUblieft even rust.
De mensen vinden zoveel,
maar ik ben zoekend
naar U en uw wijsheid.

Ik bid U: denk aan alle homo’s
en transgenders
en aan hun geliefden.
Het is allemaal zo pijnlijk en vermoeiend voor hen.
Ze lezen, horen, denken dat ze er eigenlijk niet hadden mogen zijn,
als onbedoelde uitzonderingen in een door U vastbepaalde orde.
Ze horen dat ze vooral pastoraal bejegend moeten worden,
als de zwarte schapen van de kudde.
Ik smeek U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
met een staf die hen vertroost
en hen in groene weiden en naar stille wateren leidt.

Ik bid U: denk aan al die mannen (en vrouwen)
die bezorgd zijn over de teloorgang van de ordening van het huwelijk
en wat dat aan pijn en chaos geeft,
die ongerust zijn dat ze hun overtuiging moeten opgeven.
Ik heb met enkelen van hen op school gezeten
en met anderen gestudeerd.
Gij weet dat ze oprecht geloven dat ze moeten spreken,
vanwege uw heiligheid en het heil van mensen.
Ik bid U dat Gij hen laat weten dat Gij hun Herder zijt,
en zij uw zwart-witte schapen.

Ik bid U: denk aan uw kerk,
die kwetsbare kudde van uw Zoon,
verdeeld en dolend in de tijd.
Wees Gij toch onze Herder
en wijs ons een weg.
Dat vraag ik U,
in Naam van de Goede Herder,
die nooit getrouwd is geweest
en daarom de bruidegom
van ons allen kan zijn.
Amen



Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Boze burger bij de brug

Ik ben eindelijk een boze burger tegengekomen! In levende lijve stond hij (het was een mannelijke boze burger) samen met mij te wachten voor de Willemsbrug, die traag open ging. Ik kende de boze burger van het internet, waar hij frustratie en boosheid spuwt en scheldt, en ook van horen zeggen in de analyses van de samenleving. Maar nu zag ik dat geheimzinnige, bijna mythische wezen met eigen ogen op een grijze Amsterdamse morgen.

WillemsbrugHij zag er heel gewoon uit met een spijkerbroek en donkere jas aan. Net als ik stond hij op de fiets te wachten voor de open brug. Pas toen hij zachte, maar hoorbare geluiden van ongeduld begon te maken, herkende ik hem. De brug stond al een tijdje open en er kwam maar geen schip aan varen. Waarom stonden wij dan hier te wachten voor een open brug? Er verscheen een bootje van een of andere havendienst, maar dat was zo klein dat het gemakkelijk onder de brug door kon. De boze burger maakte meer en iets luidere geluiden van ongenoegen en het leek erop dat hij een gesprek met de andere slachtoffers zou beginnen. Ik verwachte een boze stem die op gefrustreerde toon lotgenoten zou zoeken. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiele telefoon en begon een filmopname te maken: langzaam draaide hij zijn telefoon van links via de open brug naar rechts, waar het havenbootje nog steeds stil lag te niksen. Op het moment dat hij zijn telefoon opborg, begon het brugdek weer te zakken.

De kans is groot dat de boze burger, aangekomen op zijn werk of thuis, het filmpje via sociale media heeft gedeeld met de boze en cynische opmerking: ‘Lekker wachten voor een boot die niet komt. #tijdgenoegzeker #tijdvooreenbrilbrugwachter.’ Of misschien heeft hij het ook naar de klantendienst van Waternet, dat de bruggen beheert, gestuurd met de vraag om uitleg en schadevergoeding.

Al kijkend naar de boze burger voelde ik overigens dezelfde emoties. Ik was op weg naar een vergadering en had haast, omdat ik te laat was vertrokken. Ongeduldig stond ik te wachten voor die open brug. En het uitblijven van een boot, maakte mij ook boos. Waarom sta ik hier voor niets te wachten? Ik heb wel wat beters te doen dan naar een brugdek en leeg water te kijken.

Achteraf denk ik: de boze burger en ik kunnen wel wat geduld gebruiken. En daarbij een beetje meer mildheid, humor en genade. En misschien zouden we elkaar dan een knipoog geven, goedemorgen wensen of een gesprekje beginnen over de teksten die op de onderkant van het brugdek staan. ‘Wat weten we van elkaar?’ staat er onder andere. Dat zou een leuk gesprek kunnen worden …

Afscheid van een burgervader

Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

Herdenkingsdienst Eberhard van der LaanDat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent.

Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen.

Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.

Reformatie als breuk

Ik las ergens de uitspraak dat de kerk filosofie werd toen ze in Griekenland kwam, wet toen ze in Rome arriveerde en business toen ze ten laatste in Amerika verscheen. Volgens mij zit er veel waarheid in deze uitspraak. Het christendom is een bewegelijke godsdienst, die vanaf begin de missie heeft gekend om het goede nieuws van Jezus over de ganse aardbol te verspreiden. Op die missie is de kerk niet bang om echt de kleur en de vorm aan te nemen van de cultuur die ze voor Christus wil winnen. Dat is het principe ‘voor de Joden een Jood en voor de Grieken een Griek worden’, zoals de eerste grote missionaris van het christendom, de apostel Paulus, het onder woorden bracht (1 Korinthiërs 9:19-22).

rp-p-ob-78-822.jpgDit principe is zowel de kracht als de zwakte van de kerk. Zeker wanneer ze verbonden raakt met de macht en een dominante plek in een cultuur gaat innemen, kan ze zoveel van die cultuur in zich opnemen dat ze haar eigenheid verliest en haar oorsprong verloochent. Dat is vaak gebeurd: Christus die als een Germaanse Held en Krijger of een esoterische wijsheidsleraar uit het Oosten wordt verstaan en vereerd. Of de kerk die langzaam de vorm van een Romeins bestuursapparaat aanneemt. Of de evangelisten die zich voordoen als ordinaire verkopers van het beste spirituele product ever en een kerk runnen naar kapitalistisch model (gericht op groei en winst).

Daarom blijft de kerk geroepen tot hervorming of reformatie. Hervorming is niet een simpel terugkeren naar de bron en het weer gaan doen zoals het in een gouden tijd gedaan zou zijn. Het is ook geen deel van het proces van vooruitgang en vernieuwing, op basis van het moderne westerse dogma dat de mensheid altijd vooruit gaat of zou moeten gaan. Het is de noodzakelijke kritiek op de bestaande vormen van geloof en kerk, getoetst aan de bron waarmee het allemaal is begonnen: Christus zoals Hij aan ons verschijnt in de bijbelse geschriften.

Het is lastig en grappig tegelijk dat ook het verlangen naar hervorming vaak de vorm aanneemt van de cultuur waarin gelovigen leven. Ook vandaag leeft er in de westerse kerken een breedgedragen besef dat het met de kerk anders moet. En wij — beoefenaars van memo’s, zoals de Amerikaanse theoloog Walter Brueggemann de westerse mens typeert — vormen commissies, maken beleid en strategie, zoeken naar behoeften en doelgroepen, vergaderen en organiseren. Zo werken we in de vormen en met de instrumenten van kapitalisme, democratie en bureaucratie van de 21e eeuw aan hervorming. We zijn immers kinderen van onze tijd.

Toch lijkt dit niet genoeg. Mij trof in een boek van de historicus Heiko Oberman over de reformator Martin Luther dat deze volgens Oberman geen plan of programma voor de reformatie had. Luther zelf verstond de reformatie als een gebeuren waaraan ook hij was overgeleverd en dat hem van hogerhand overkwam. Daarmee brak de reformatie het Europese christendom van die dagen open en stuk — kritisch en oordelend, maar ook bevrijdend. Dat lijkt mij een kenmerk van echte reformatie — of ze nu klein in levens van individuele mensen of een kerkgemeenschap of groter in een kerk of samenleving plaatsvindt. De religieuze, sociale of culturele vorm waarin het leven is bekneld geraakt moet doorbroken worden, zodat er een andere vorm geboren kan worden. Die doorbraak en geboorte komt van een andere kant, van God. Dat is de pijnlijke, maar bevrijdende ervaring van reformatie. Ik blijf erop hopen in onze tijd.

Heiko A. Oberman, Luther: mens tussen God en duivel (Kok 1988) p. 310.
Deze post verscheen ook op refo2017.be en in het Nederlands Dagblad

Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, ‘De Bijbel op de weegschaal’

Wij zijn bedelaars

Wat moet ik doen als ik een bedelaar tref? Het gebeurt regelmatig dat je op een station of in een winkelstraat opeens een kartonnen bekertje voor je ziet opdoemen of wordt aangesproken door iemand die geld nodig heeft voor de nachtopvang of een treinticket. Al jaren houd ik aan de ontmoetingen met mijn bedelende medemensen een onrustig gevoel over. Er klopt iets niet. Als ik zonder te geven doorloop, voel ik me een ongevoelig en egoïstisch mens. Maar geven leidt meestal ook tot een ongemakkelijk gevoel — ‘Heb ik er goed aan gedaan? Heb ik hiermee echt iemand geholpen of alleen mijn schuldgevoel afgekocht?’ En wanneer ik probeer om de bedelaar gewoon als mens te ontmoeten en een praatje maak of het voorstel doe om een koffie te gaan drinken, schaam ik me al snel voor mijn goeddoenerij — ‘Zie mij weer bezig als de morele wijsneus die niet gewoon een aalmoes wil geven, maar voor Jezus wil spelen.’

Kreislauf_des_Geldes,_Aachen,_BettlerMisschien is dat onrustige gevoel wel onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van bedelaars in een rijke samenleving. Bedelaars horen er niet te zijn als onze morele inzet en menselijk aanvoelen consequent en ruimhartig vertaald werden in actie. Maar ondanks alle beleid, protest, engagement, opiniestukken, preken en gemoraliseer blijven ze in ons midden. Het is de paradoxale, harde realiteit die de Bijbel al heeft aangevoeld. In de sociale wetten van het bijbelboek Deuteronomium (hoofdstuk 15) lezen we eerst de belofte dat er ‘niemand van u in armoede zal leven’, terwijl nog geen tien verzen verder de constatering volgt dat er bij u altijd armen zullen zijn. Die constatering is overigens geen uiting van onverschilligheid of berusting, maar wordt gevolgd door de oproep tot vrijgevigheid.

Juist omdat armoede en bedelarij als extreme en zichtbare vorm daarvan een ongemakkelijke realiteit in onze samenleving zijn, lijkt het me goed om dat onrustig makende gevoel bij de confrontatie met bedelende mensen niet weg te duwen. In veel steden bestaan regels die bedelaars uit het straatbeeld proberen te weren. De stad Antwerpen, waar ik woon, weert bedelaars van de plekken waar veel shoppers en toeristen komen. Dus zijn de grotere winkelstraten en toeristische trekpleisters voor hen verboden gebied. En als die regels niet worden gerespecteerd, kun je als toerist of shopper de bedelaars gewoon negeren of ze wegdenken met simpele oordelen als ‘Eigen schuld’, ‘Laat ze eerst van de drugs afblijven’ of ‘Er zitten criminele bendes achter’. Maar de werkelijkheid is meestal niet zo simpel, zoals de oplossing dat ook niet is. En die lastige werkelijkheid moet je niet wegpoetsen of wegkijken, maar juist in de ogen zien.

Als je dat doet en daarbij beseft dat de werkelijkheid van bedelen en armoede niet eenvoudig is, zal het antwoord op mijn vraag wat ik moet doen ook niet zo simpel zijn. Geven is volgens mij spiritueel zeer gezond en ik vind ook dat je beter teveel goed kan doen, dan te weinig. Maar geven vanuit schuldgevoel, plichtsbesef of medelijden is niet altijd goed en zinvol. Goed doen vraagt immers ook om doordachte reacties die recht doen aan de situatie en aan de ander die een beroep op mij doet. Dat betekent volgens mij ook dat een maatschappelijke reactie van belang is.

Ik denk vooral dat het goed is als ik een bedelend medemens gewoon tegemoet treed als mens. Weliswaar een mens die medelijden en soms evenzeer afkeer en irritatie oproept, maar toch een mens. Hoe groot het verschil ook mag zijn tussen enerzijds de Oost-Europese vrouw met kromme voeten en een bordje met de nog krommere tekst waaruit ik opmaak dat ze ook nog voor kinderen moet zorgen en anderzijds de Westerse middenklasse man die ik ben, we zijn allebei mensen. En wanneer ik dat niet zo voel of zie (omdat ik druk ben, me te hoog acht of zij zich te laag opstelt), geloof ik het. Zij en ik, wij zijn allebei mensen en schepselen van God. Dat brengt ons bij elkaar en maakt dat zij voor mij een medemens is die een appèl op mij doet en dat ik voor haar een medemens ben met wie zij contact maakt.

Is het echt zo moeilijk om de ander als mens te zien? Je moet dan wel door het verschil en de ongelijkwaardige relatie van het bedelen heenkijken. Je moet daarbij ook jezelf en je middenklassestatus niet al te serieus nemen. Soms moet je natuurlijk ook door de bril van het geloof kijken: hier zit of staat een schepsel van God. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het kan. Als ik erover nadenk komen er herinneringen boven aan korte ontmoetingen — een paar woorden, een gesprekje bij een beker koffie, even oogcontact, een grap en een lach. Gewoon menselijk, waarbij dat verschil tussen bedelaar en aalmoesgever werd overbrugd of zelfs omgedraaid. Dat ik iets ontving in die ontmoeting waar ik niet om had gevraagd, maar diep van binnen wel naar verlangde.

Ik ben uiteindelijk ook een bedelaar — een mens die moet leven van wat anderen en God mij geven. ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar,’ waren de laatste geschreven woorden van de Duitse reformator Martin Luther. Hoewel het Luther ging om de houding van een mens die de heilige Schriften leest en probeert te verstaan, zijn die woorden hun eigen leven gaan leiden. Dat lijkt me in dit geval alleen maar mooi. Wij zijn allemaal bedelaars. Hoezeer de goden van vandaag ons ook modelleren naar hun eigen beeld — het beeld van de consument die zich gelukkig koopt, van de sterren die hun succes en aandacht verdienen en van het individu dat verantwoordelijk is voor eigen welslagen en geluk. Het zijn dominante beelden vandaag van wat mens zijn inhoudt, maar ze kunnen nooit het beeld van de bedelende mens wegdrukken — de mens die ten diepste en uiteindelijk verlangt om eenvoudig gezien, gekend en bemind te worden.

Deze blog is ook geplaatst op De (s)preekstoel van Knack.be

Afbeelding: Karl-Henning Seemann, Kreislauf des Geldes, detail Bettler (Aachen, Duitsland)

Verveling

Nu de schoolvakantie bijna voorbij is, heb ik behoefte om over één wonderlijk vakantiefenomeen door te denken. Dat fenomeen is verveling. Regelmatig zag ik in de lange vakantiemaanden de verveling voorbij komen. Zij bestond uit de volgende ingrediënten: niet weten wat te doen, alleen een computer-, tv- of nog weer een ander scherm is de aandacht waard en alle suggesties om iets anders te gaan doen stuiten op een klagelijk en vermoeid ‘Geen zin’ of ‘Zoooo saaaaai!’ Het ergste van al is dat ik — een druk, zogenaamd volwassen mens, met veel taken en mogelijkheden — die verveling maar al te goed herken.

vervelingVerveling kan ontstaan uit te weinig mogelijkheden, bijvoorbeeld als je eenzaam, om gezondheidsreden lichamelijk beperkt of werkloos bent. Maar verveling komt ook op bij genoeg of teveel mogelijkheden. ‘Hoe verklaren we de ironie dat juist de maatschappij die … de wereld heeft veranderd in een enorme pret-en-spel-fabriek … dat juist de maatschappij die de minste reden heeft om zich te vervelen, zich het meest verveelt?’, zo vraagt de Amerikaanse ethicus Peter Kreeft zich af. Een terechte vraag, vind ik, denkend aan de hoeveelheid pret en spel dat onze kinderen tot hun beschikking hebben.

Een antwoord op die vraag zou kunnen zijn dat die enorme pret-en-spel-fabriek (en ook veel van ons werken en druk doen) ons niet echt kunnen bevredigen en een gevoel van leegte oproepen of achterlaten. Dat gevoel noemen we dan verveling — een soort kosmische geeuw over ons zinloze, oppervlakkige leven.

De denker die de verveling op deze manier heeft gepeild, is de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal (1623-1662). Hij verbaast zich over de verstrooiing en drukdoenerij waarmee mensen hun leven vullen. Volgens Pascal doen wij dat om maar niet te moeten nadenken over onze ellendige situatie. ‘Het enige goed van de mensen bestaat er dus in afgeleid te worden van het denken aan hun situatie, hetzij door een bezigheid die hen daarvan afbrengt, hetzij door een of andere aangename nieuwe passie, waardoor ze beheerst worden: het spel, de jacht, een fascinerend schouwspel, kortom, door wat men verstrooiing noemt.’ (Fragment 136, Pensées) Zo bezien is verveling de reactie van onze ziel op de confrontatie met onszelf en onze leegte en ongeluk. Een vervelend gevoel dat we niet gelukkig zijn, dat het niet klopt, dat dit geen leven is — zoals dat ook tot uiting komt in de verschillende vormen van ‘leeftijdsverveling’: de twintigerstwijfel, het dertigersdilemma en de midlifecrisis.

Meestal reageren we op verveling door iets (anders) te gaan doen — weer verstrooiing te zoeken, zou Pascal zeggen. En zo heb ik deze vakantie ook geprobeerd om de verveling op te lossen. Maar misschien zouden we die vervelende verveling beter een tijdje uithouden en als uitnodiging aanvaarden om het gemis en de leegte onder ogen te zien en te zoeken naar een ander, dieper geluk.