Teveel Jezus in Florence

Mijn kapper vond het echt niet passen bij een dominee. Terwijl hij mijn haren knipte, vertelde ik over mijn vakantie-ervaringen in Florence. Een prachtige stad, schitterend gelegen, mooie gebouwen en zoveel te zien. Alleen, zo liet ik me ontvallen, was de overvloed aan religieuze kunst me wat teveel geworden. Na het zoveelste schilderij van de kruisiging of doop van Jezus of van Maria met het Kind was ik afgehaakt. Mijn kapper reageerde ongelovig – zelfs een beetje geschokt: een gelovige, en dan nog wel een predikant, zou toch nooit genoeg moeten krijgen van al die prachtige gelovige kunst?

Toen het gebeurde na een paar uur in het Uffizi museum te hebben doorgebracht, moest ik ook even bij mezelf te rade gaan wat nu de reden was van mijn innerlijk afhaken. Lag het aan de veelheid, de overdaad aan kunst die de Medici-familie en anderen hadden laten maken en verzameld en die nu in de verschillende musea en kerken te bewonderen is? Of was het mijn ongemak met de toeristische kermis die Florence is – al die mensen die continue foto’s en selfies maken? Hoeveel keer op een dag zou Jezus daar niet – al dan niet samen met een smilende toerist – op een foto terecht komen? Honderdduizend, een miljoen keer? Of kwam de protestant in mij naar boven, die normaal geen aanstoot neemt aan beelden en schilderijen van gelovige aard (integendeel), maar die nu na de tweehonderdvijftigste afbeelding van de Heer wel begon te protesteren? En misschien had het er ook wel mee te maken dat het me gewoon niet zo goed lukte om onbevangen en aandachtig alles tot me te laten komen.

Het moet de combinatie van die dingen zijn geweest, waarbij de ongelofelijke hoeveelheid religieuze kunst en de absurditeit van het massa-toerisme de protestant in mij wakker riepen. Die kreeg gelukkig niet de neiging om aan een beeldenstorm te beginnen (dat had ook nog gekund), maar stelde alleen een paar ongemakkelijke vragen. Heeft dit nog iets met geloven te maken? Zie jij Jezus eigenlijk nog wel? Nee, dat was het dus. Al die afbeeldingen van Jezus als kind en aan het kruis waren de bomen waardoor ik het bos niet meer kon zien. Het maakte daarbij niet zoveel uit of ze in een museum hingen of stonden of in een kerk, die je toch ook vooral als een museum bezocht. Jezus, die geboren werd in een stal, waarschuwde voor rijkdom en overdaad en stierf als een vervloekte misdadiger, dat vloekt gewoon nogal met de Medici-rijkdom en de toeristische geriefelijkheid waar Hij als veelvuldig kunstwerk onderdeel van is.

Ik moet denken aan het verhaal van de twee zussen Martha en Maria, waarin Jezus zegt dat Martha zich druk maakt over ‘vele dingen’, terwijl er volgens Hem maar ‘één ding’ nodig is. Ook kunst van Jezus kan teveel worden en het ene dat nodig is uit het zicht doen verdwijnen. En als de (innerlijke) protestant denkt dat dit een Rooms probleem is waarvan hij door genade alleen is bevrijd, moet ik hem teleurstellen. Het vele kan op vele manieren opduiken. De veelheid aan woorden bijvoorbeeld. Een overdaad aan mooie, vrome, verheven of ingewikkelde woorden, die net zo goed de bomen kunnen zijn waardoor je het bos van Jezus niet meer ziet. Of mijn kapper daardoor minder geschokt is, durf ik niet te zeggen. Ik zal het hem de volgende keer vragen.

Help, de toeristen zijn terug!

Een collega van mij grapte dat met Pasen de toeristen ook weer waren opgestaan. En gelijk had hij. Het is inderdaad weer een vanouds gezellige drukte in het als UNESCO-werelderfgoed geclassificeerde centrum van Amsterdam. In parken en winkelstraten hoor je weer de kakofonie van talen, op de grachten moet je weer oppassen voor de colonnes Zuid-Europeanen die zich met de fietsvaardigheden van een kleuterklas door de stad verplaatsen en rond het Anne Frank Huis waan je je opnieuw in de Efteling.

Foto: Angelina Davydova op Unsplash

Het oude normaal is dan toch echt terug. Na twee jaar pandemie en alle onrust en onzekerheid in de wereld geeft dat ook wel het geruststellende gevoel dat niet alles veranderd is. En ik neem aan dat de mensen die voor hun brood afhankelijk zijn van het toerisme opgelucht ademhalen dat de citytrippers en dagjesmensen nu weer in groten getale in de stad verschijnen.

Maar om eerlijk te zijn stemt de aanblik van die hordes toeristen mij niet echt vrolijk. En dan gaat het me niet eens zozeer over de overlast. De losgeslagen land- en stadgenoten die op Koningsdag denken dat de Jordaan één groot urinoir is, zijn een ergere plaag. En wat zou ik klagen over toeristen, als ze in Oekraïne lijden onder een stroom van gewapende bezoekers die hun land komen slopen? Nee, over de overlast zal ik zwijgen.

Als ik de toeristen als lemmings door de stad zie trekken, kijk ik in een spiegel waarin ik een beeld van mezelf ontwaar. Het massatoerisme is immers één van de dominante uitingen van onze westerse levensstijl, gericht op het geluk van eten, drinken, spullen en entertainment. Met Pasen werd duidelijk dat het corona-virus die manier van leven niet echt heeft aangetast. De hoop op een nieuw normaal, die in 2020 even de kop op stak, is samen met de opgewonden corona-demonstranten uit ons leven verdreven. De oude gewoontes en hardnekkige patronen van onze westerse levensstijl bleken zoals gevreesd sterker.

Als ik goed in die spiegel van de toeristen kijk, weet ik niet of ik moet lachen of huilen. Hoe lachwekkend is het spektakel van al die mensen die, met identieke kleding en schoenen aan, hun smartphone als de afstandbediening van hun bestaan in de hand, op weg zijn naar dezelfde hotspots? Hoe bizar zijn de pretpark-taferelen voor het huis waar tijdens de Tweede Wereldoorlog een Joods meisje verstopt zat? Hoe angstaanjagend leeg is het eentonige schouwspel van de etende, drinkende, selfies en foto’s makende, door de stad slenterende massa niet? ‘De aanwezigheid van toeristen holt een bijzondere plaats uit. De vakantie maakt bijzondere plaatsen leeg,’ schrijft de Amerikaanse theoloog William Cavanaugh (in het Engels: ‘vacation vacates particular places’)

In deze spiegel kijkend, staar ik in de leegte van de toeristische levensstijl — constant op zoek naar vulling van je leven, terwijl je op deze manier je leven juist uitholt en de plaatsen waar je komt leeggezogen achterlaat, op zoek naar weer een nieuwe belevenis op een volgende plek. De overvolle toeristische plekken ademen, ondanks de drukte en reuring, leegte uit.

Hoe lang zullen wij en onze vermoeide, vervuilde aarde dit oude, lege normaal nog volhouden? Laten we bidden dat we van toeristen pelgrims zullen worden. Pelgrims die op reis gaan naar plekken en ervaringen die je leven diep veranderen en vullen met liefde en wijsheid. Pelgrims die de dwaze en gelovige lef hebben om op citytrip te gaan naar het nieuwe Jeruzalem, het Mokum dat stralend van leven ons onrustige zoeken en verlangen zal verzadigen.

Toeristen in de kapel

Je ziet ze komen op sneakers, slippers of wandelschoenen, reisgids in de hand en mobiel of camera in de aanslag. Toeristen in Amsterdam. Uitgenodigd door een open deur in de monumentale Noorderkerk en een bord dat ze welkom zijn in de Noorderkapel stappen ze het portaal in, werpen een blik in het kleine kapelletje, kijken of ze toch nog ergens toegang tot de kerk kunnen krijgen en maken dan snel rechtsomkeert — op weg naar de volgende bezienswaardigheid of een horecagelegenheid.

Foto Toeristen in Amsterdam (Elias Ehmann op Unsplash)

Sinds vorig jaar is onze kerk een kapelletje rijker, waar mensen een aantal morgens in de week welkom zijn om te bidden, stil te zijn, een tekst te lezen en een kaarsje aan te steken. De kapel kent een aantal vaste bezoekers en uit het gastenboek blijkt dat ook voorbijgangers uit binnen- of buitenland er even stil worden en God zoeken. Een oudere mevrouw uit de buurt vond in de kapel God weer terug, nam contact op en kon gesteund door bezoek uit de kerk het laatste stukje van haar levensweg in vrede gaan. Maar verreweg de grootste groep bezoekers wordt gevormd door de toeristen, voor wie deze kleine kapel een teleurstelling is, omdat ze niet gekomen zijn om stil te worden of te bidden, maar om iets te zien.

Naar mijn gevoel is dit kapelbezoek illustratief voor de rol van de kerk in onze tijd. Naast de gelovigen die samen de kerk vormen, druppelen er verrassend genoeg altijd weer mensen binnen die op zoek zijn: Godzoekers, stiltezoekers, mensen met een diep heimwee of een gebroken hart. Maar de grote stroom mensen komt de kerk hooguit als een toerist binnen. Voor hen is een kerk niet meer dan een monument van een dode of vage god of een religieuze attractie in het openluchtmuseum Europa. Dat te beseffen doet pijn, juist omdat dit ook te maken heeft met de kerk in het Westen, die weinig spirituele aantrekkingskracht heeft en daarom vooral als een instituut uit het verleden wordt beleefd.

Maar het zegt ook iets over de geest van onze tijd. Als ik op een morgen een tijdje naar de toeristen rond onze kerk kijk, overvalt mij een triest gevoel van leegheid, van walging soms. Ik besef daarbij dat ik zelf op andere plekken ook toerist ben en ik begrijp ook dat de meeste toeristen onze kapel niet willen bezoeken (ze zouden er trouwens ook niet allemaal in passen). Het gaat me om onze toeristische manier van leven. Het massatoerisme, dat met zijn onrust en drukte het centrum van Amsterdam beheerst, is een spiegel van onze belachelijk oppervlakkige en ook wel tragische manier van leven, zoals Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in zijn laatste roman Grand Hotel Europa. Op zoek naar steeds weer nieuwe belevenissen en plekken, komen we maar moeilijk tot onszelf en tot de kern. Al consumerend en reizend — om de saaiheid of de stress van het leven te ontvluchten — blijven we aan de oppervlakte, met als gevolg dat we snel weer verder moeten, naar nog meer, anders en verder. Dat is de tragiek van het toeristische leven, zoals de Amerikaanse mysticus Thomas Merton schreef: ‘De mensen die het meest reizen, zien het minste.’