Help, de toeristen zijn terug!

Een collega van mij grapte dat met Pasen de toeristen ook weer waren opgestaan. En gelijk had hij. Het is inderdaad weer een vanouds gezellige drukte in het als UNESCO-werelderfgoed geclassificeerde centrum van Amsterdam. In parken en winkelstraten hoor je weer de kakofonie van talen, op de grachten moet je weer oppassen voor de colonnes Zuid-Europeanen die zich met de fietsvaardigheden van een kleuterklas door de stad verplaatsen en rond het Anne Frank Huis waan je je opnieuw in de Efteling.

Foto: Angelina Davydova op Unsplash

Het oude normaal is dan toch echt terug. Na twee jaar pandemie en alle onrust en onzekerheid in de wereld geeft dat ook wel het geruststellende gevoel dat niet alles veranderd is. En ik neem aan dat de mensen die voor hun brood afhankelijk zijn van het toerisme opgelucht ademhalen dat de citytrippers en dagjesmensen nu weer in groten getale in de stad verschijnen.

Maar om eerlijk te zijn stemt de aanblik van die hordes toeristen mij niet echt vrolijk. En dan gaat het me niet eens zozeer over de overlast. De losgeslagen land- en stadgenoten die op Koningsdag denken dat de Jordaan één groot urinoir is, zijn een ergere plaag. En wat zou ik klagen over toeristen, als ze in Oekraïne lijden onder een stroom van gewapende bezoekers die hun land komen slopen? Nee, over de overlast zal ik zwijgen.

Als ik de toeristen als lemmings door de stad zie trekken, kijk ik in een spiegel waarin ik een beeld van mezelf ontwaar. Het massatoerisme is immers één van de dominante uitingen van onze westerse levensstijl, gericht op het geluk van eten, drinken, spullen en entertainment. Met Pasen werd duidelijk dat het corona-virus die manier van leven niet echt heeft aangetast. De hoop op een nieuw normaal, die in 2020 even de kop op stak, is samen met de opgewonden corona-demonstranten uit ons leven verdreven. De oude gewoontes en hardnekkige patronen van onze westerse levensstijl bleken zoals gevreesd sterker.

Als ik goed in die spiegel van de toeristen kijk, weet ik niet of ik moet lachen of huilen. Hoe lachwekkend is het spektakel van al die mensen die, met identieke kleding en schoenen aan, hun smartphone als de afstandbediening van hun bestaan in de hand, op weg zijn naar dezelfde hotspots? Hoe bizar zijn de pretpark-taferelen voor het huis waar tijdens de Tweede Wereldoorlog een Joods meisje verstopt zat? Hoe angstaanjagend leeg is het eentonige schouwspel van de etende, drinkende, selfies en foto’s makende, door de stad slenterende massa niet? ‘De aanwezigheid van toeristen holt een bijzondere plaats uit. De vakantie maakt bijzondere plaatsen leeg,’ schrijft de Amerikaanse theoloog William Cavanaugh (in het Engels: ‘vacation vacates particular places’)

In deze spiegel kijkend, staar ik in de leegte van de toeristische levensstijl — constant op zoek naar vulling van je leven, terwijl je op deze manier je leven juist uitholt en de plaatsen waar je komt leeggezogen achterlaat, op zoek naar weer een nieuwe belevenis op een volgende plek. De overvolle toeristische plekken ademen, ondanks de drukte en reuring, leegte uit.

Hoe lang zullen wij en onze vermoeide, vervuilde aarde dit oude, lege normaal nog volhouden? Laten we bidden dat we van toeristen pelgrims zullen worden. Pelgrims die op reis gaan naar plekken en ervaringen die je leven diep veranderen en vullen met liefde en wijsheid. Pelgrims die de dwaze en gelovige lef hebben om op citytrip te gaan naar het nieuwe Jeruzalem, het Mokum dat stralend van leven ons onrustige zoeken en verlangen zal verzadigen.

Verveling

Nu de schoolvakantie bijna voorbij is, heb ik behoefte om over één wonderlijk vakantiefenomeen door te denken. Dat fenomeen is verveling. Regelmatig zag ik in de lange vakantiemaanden de verveling voorbij komen. Zij bestond uit de volgende ingrediënten: niet weten wat te doen, alleen een computer-, tv- of nog weer een ander scherm is de aandacht waard en alle suggesties om iets anders te gaan doen stuiten op een klagelijk en vermoeid ‘Geen zin’ of ‘Zoooo saaaaai!’ Het ergste van al is dat ik — een druk, zogenaamd volwassen mens, met veel taken en mogelijkheden — die verveling maar al te goed herken.

vervelingVerveling kan ontstaan uit te weinig mogelijkheden, bijvoorbeeld als je eenzaam, om gezondheidsreden lichamelijk beperkt of werkloos bent. Maar verveling komt ook op bij genoeg of teveel mogelijkheden. ‘Hoe verklaren we de ironie dat juist de maatschappij die … de wereld heeft veranderd in een enorme pret-en-spel-fabriek … dat juist de maatschappij die de minste reden heeft om zich te vervelen, zich het meest verveelt?’, zo vraagt de Amerikaanse ethicus Peter Kreeft zich af. Een terechte vraag, vind ik, denkend aan de hoeveelheid pret en spel dat onze kinderen tot hun beschikking hebben.

Een antwoord op die vraag zou kunnen zijn dat die enorme pret-en-spel-fabriek (en ook veel van ons werken en druk doen) ons niet echt kunnen bevredigen en een gevoel van leegte oproepen of achterlaten. Dat gevoel noemen we dan verveling — een soort kosmische geeuw over ons zinloze, oppervlakkige leven.

De denker die de verveling op deze manier heeft gepeild, is de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal (1623-1662). Hij verbaast zich over de verstrooiing en drukdoenerij waarmee mensen hun leven vullen. Volgens Pascal doen wij dat om maar niet te moeten nadenken over onze ellendige situatie. ‘Het enige goed van de mensen bestaat er dus in afgeleid te worden van het denken aan hun situatie, hetzij door een bezigheid die hen daarvan afbrengt, hetzij door een of andere aangename nieuwe passie, waardoor ze beheerst worden: het spel, de jacht, een fascinerend schouwspel, kortom, door wat men verstrooiing noemt.’ (Fragment 136, Pensées) Zo bezien is verveling de reactie van onze ziel op de confrontatie met onszelf en onze leegte en ongeluk. Een vervelend gevoel dat we niet gelukkig zijn, dat het niet klopt, dat dit geen leven is — zoals dat ook tot uiting komt in de verschillende vormen van ‘leeftijdsverveling’: de twintigerstwijfel, het dertigersdilemma en de midlifecrisis.

Meestal reageren we op verveling door iets (anders) te gaan doen — weer verstrooiing te zoeken, zou Pascal zeggen. En zo heb ik deze vakantie ook geprobeerd om de verveling op te lossen. Maar misschien zouden we die vervelende verveling beter een tijdje uithouden en als uitnodiging aanvaarden om het gemis en de leegte onder ogen te zien en te zoeken naar een ander, dieper geluk.