Is mijn leven een verhaal?

Deze week mocht ik in een interview voor het radioprogramma Onderweg bijna een uur lang vertellen over mijn levensweg tot nu toe. Als predikant heb ik het voorrecht dat mensen vaak (een deel van) hun levensverhaal aan mij vertellen, maar nu waren de rollen dus omgedraaid. Collega Elsbeth Gruteke vroeg vriendelijk en nieuwsgierig naar het mijne.

levensverhaal

Het is wel een boeiende en confronterende oefening om het verhaal van je leven te vertellen. Op het gesprek terugkijkend, vraag ik me af wat een leven tot een verhaal maakt. Zijn dat de bijzondere momenten en de verrassende wendingen of is dat een rode draad die door de jaren heen zichtbaar wordt? Kun je een bestemming en richting in je leven zien, of is het — als je eerlijk bent — gewoon een aaneenschakeling van gebeurtenissen, toevalligheden, fragmenten en menselijke keuzes, waarmee je zo goed en zo kwaad het gaat je leven leeft?

Al nadenkend en vertellend stuitte ik ook op de vraag of mijn leven het wel waard was om te vertellen. Is het wel een goed verhaal? Wat is het gewicht van vijfenveertig jaren mensenleven? Zijn die niet veel meer dan ‘lucht en leegte’ en ‘najagen van wind’, zoals de bijbelse Prediker verzucht?

En toch … Als iemand je uitnodigt om iets te vertellen ontstaat er als vanzelf een verhaal — een klein verhaal van een mensenleven, dat verbonden met de levensverhalen van anderen en met het grote verhaal van God het waard is om te vertellen. Dat laatste is ook het mooiste: dat mijn levensverhaal verbonden is geraakt met dat wonderlijk goede verhaal van God. Frederick Buechner, een van mijn favoriete vertellers, heeft dat verhaal van God een tragedie, komedie en sprookje ineen genoemd. Juist dat tragische, komische en sprookjesachtige verhaal van God maakt van mijn kleine leven een verhaal dat het waard is om te leven én te vertellen.

Het gesprek wordt op zaterdag 20 oktober 2018 om 22.00 uur uitgezonden op NPO radio 5. De podcast is vanaf maandag 22 oktober te beluisteren op website van Onderweg.

De gedachten van Buechner zijn te vinden in zijn boekje Telling the Truth: the Gospel as Tragedy, Comedy and Fairy Tale (Harper, San Francisco)

Zware kerk

“Dat is wel een zware kerk, hoor,” zei de man die een tafeltje naast mij zat op een terras  met uitzicht op onze kerk. Zijn gesprekspartner viel hem met enig misprijzen bij: “Ja, die zijn wel streng.” Ik overwoog een reactie, maar het lukte me niet om de woorden te vinden die pasten bij de situatie. Dat onvermogen had vooral te maken met dat ‘zwaar’. Want wat is dat precies: een zware kerk?

zwarekerk
Patrick Brown, Barclay Church Bruntsfield (flickr.com)

Een zware kerk kan een kerk zijn waar men zwaar aan het geloof tilt, in de zin dat dit wordt beleefd als een ernstige zaak en iets van grote waarde. Daartegenover staat dan een lichte kerk, waar men niet zo zwaar aan God en geloven tilt. Als ik dan moet kiezen, kies ik toch voor zwaar. Als je gelooft, kun je het beter serieus nemen. Hoewel God niet gewichtig of zwaar is, zoals mensen die zichzelf veel te serieus nemen, gaat het bij geloven wel om liefde. En liefde vraagt je hele hart en je hele bestaan.

De man op het terras kan bij die zware kerk ook gedacht hebben aan gelovigen die in donkere kleding en met een somber gezicht zondag aan zondag horen over zonde, hel en verdoemenis. Dat voelt voor de meeste mensen als een zware last. God als de donkere hemel die dreigend boven je hoofd hangt. Zulke zware godsdienst kan mij gestolen worden. Zo’n drukkend geloof doet namelijk geen recht aan de vreugde, het vertrouwen en de liefde die meer dan alle somberheid en zonde passen bij het geloof in God die ons ondanks en met alles liefheeft.

Of misschien bedoelden mijn terrasburen met zwaar wel conservatief, traditioneel, orthodox, ouderwets of nog weer een ander etiket voor mensen die nog niet mee zijn met de vooruitgang van onze cultuur. Gilbert Chesterton schreef ooit: “De hele moderne wereld heeft zichzelf verdeeld in conservatieven en progressieven.” Waaraan hij met enige ironie toevoegde: “Het werk van progressieven is: doorgaan met fouten maken. Het werk van conservatieven is: voorkomen dat fouten worden hersteld.” Dat is niet het enige probleem van die tweedeling. Het punt is ook dat het christelijk geloof en een heleboel (kerk)mensen niet zo simpel zijn op te delen. Je kunt conservatief denken over de bescherming van het ongeboren leven en de waarde van het huwelijk, maar progressief als het gaat over de zorg voor het milieu, gelijkheid op economisch gebied en openheid voor vluchtelingen. En ik ken traditionele kerken die verrassend gastvrij en open zijn voor mensen die anders zijn en leven dan binnen de traditionele overtuiging gebruikelijk is. Zoals ik trouwens ook progressieve mensen en kerken ken, die verrassend bekrompen neerkijken op mensen die niet zo ruimdenkend en vooruitstrevend in het leven staan als zij.

Uiteindelijk schiet je met die etiketten en hokjes weinig op. Hokjes en etiketten zijn vaak veilige, maar oppervlakkige manieren om anderen te beoordelen en om jezelf niet echt bloot te geven. Daarom is het volgens mij de roeping van de kerk en gelovigen om niet in een hokje te passen. Het woord ‘kerk’ betekent zoiets als ‘van de Heer’. En die Heer heeft nooit in een hokje gepast — Hij was revolutionair én conservatief, orthodox én kritisch vernieuwend tegelijk. Als ze Hem in een vakje, een hokje of een partij proberen te persen, breekt Hij er vroeg of laat weer uit. Dat geldt ook voor een zware kerk.

Gij

Hoe spreek je God aan? In de Bijbel is God een wezen tot wie je kunt spreken. God is geen onpersoonlijk iets, geen kosmische energie en ook niet je diepste innerlijke zelf, maar een God die spreekt, hoort, liefheeft, verdriet heeft en boos wordt. Hoewel niet te vatten in menselijke en dus beperkte begrippen als ‘persoon’, openbaart God zich als een Ik met een naam, die mensen aanspreekt bij hun naam en met ‘jij’ en ‘jullie’.

jij
Foto: Antoon Kuper, Jij (flickr.com)

Wie zich aangesproken weet, kan op haar of zijn beurt God aanspreken. En dan komt de vraag: met welk persoonlijk voornaamwoord doe je dat? In het hedendaags Nederlands heb je twee mogelijkheden: ‘U’ of ‘Jij’. De meeste gelovigen (ook ik) kiezen uit eerbied, afstand en/of gewoonte voor de eerste mogelijkheid. Heel af en toe hoor ik iemand tegen God ‘Je’ zeggen. Daarin klinkt nabijheid en intimiteit door, die de formele en afstandelijke beleefdheidsvorm ‘U’ juist mist. Als je bedenkt dat de Bijbelse talen — het Grieks en Hebreeuws — de beleefdheidsvorm niet kennen en dat God in veel andere talen met de vertrouwelijke vorm (‘Du, You, Tu’) wordt aangesproken, blijft het een bijzonder verhaal dat we in het Nederlands God vrijwel alleen op de beleefde en afstandelijke manier aanspreken.

Toch verlang ik niet naar ‘gejij’ en ‘gejou’ tegen God. De Nederlandse jij-vorm is nogal familiair en vrijpostig. Wie ‘Jij’ tegen God zegt, doet al snel alsof God je buurman of je vriendje is. Het wonderlijke en ontzagwekkende geheimenis van God kan maar moeilijk tot uiting komen in het directe en vlakke ‘jij’. Iets wat overigens ook geldt voor de in een deel van de christenheid vaak gebezigde term ‘een persoonlijke relatie met God’ — veel vlakker en nietszeggender kun je de band met God niet omschrijven, dunkt me.

Als we in het Algemeen Nederlands God willen aanspreken moeten we dus kiezen tussen twee kwaden: het al te familiaire ‘Jij’ of het afstandelijke ‘U’. Al is er ook een derde weg, als we het verouderde ‘gij’ weer in ere zouden herstellen. In de roman Stille Zaterdag van Désanne van Brederode zingt een van de hoofdpersonen na verhuizing van Utrecht naar Noord-Brabant de lof van het ‘gij’, waarin afstand en nabijheid, het gewone en het goddelijke met zachte ‘g’ in elkaar overvloeien. Toen ik die hulde aan het zachte ‘gij’ van onder de rivieren las, riep dat veel herkenning op. Na tien jaar Vlaanderen is het ‘gij’ een deel van mijn gewone taal geworden, al gebruikte ik het zelf niet veel en begint het nu in Amsterdam weer langzaam te vervagen. Maar tegen God ben ik wel vaker ‘Gij’ gaan zeggen. Dat ging eigenlijk vanzelf, omdat het Vlaamse ‘gij’ de taal van de Statenvertaling, waarmee ik ben opgegroeid, weer wakker riep. De tale Kanaäns, die het zeventiende-eeuwse eerbiedige ‘Gij’ voor het aanspreken van God heeft bewaard, klonk ook opeens verrassend gewoon in het ‘gij’ en ‘ge’ van het Antwerpse school- of marktplein.

Is dat goddelijke en tegelijk zo gewone ‘Gij’ ook niet het geheim van God? God die afdaalde, ons menselijk bestaan (inclusief de taal) heeft gedeeld en ons zo dicht op de huid komt? Zo’n God spreek je toch niet beleefd-afstandelijk of plat-familiair aan? Bij die God past een zacht en eerbiedig ‘Gij!’

Kerk zonder vertrouwen

Het was even slikken. ‘We vertrouwen de politie het meest en de kerk het minst’, zo kopte de NOS deze week naar aanleiding van een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar het vertrouwen van de Nederlanders in elkaar en de samenleving. De politie krijgt het vertrouwen van bijna 75% van de Nederlanders, terwijl de kerk het moet doen met een magere 31%. De banken doen het zelfs 8% beter dan het instituut dat het woord vertrouwen in zijn geloofsbelijdenis heeft staan.

Noorder_tussenhuizen
De Noorderkerk gezien vanaf de Lindengracht

Deze cijfers zijn een serieuze realitycheck voor mij, die zoveel houdt van de kerk en merkt hoe waardevol en goed dat lichaam van Christus is, ondanks alle falen en onvolmaaktheid. Hoe kan het dat zo’n 70% van de Nederlanders de kerk niet vertrouwt? Ik weet natuurlijk dat de kerk niet populair is en dat slechts een minderheid van de Nederlanders met enige regelmaat een kerk van binnen ziet. Maar dat is nog iets anders dan het feit dat zo’n groot deel van de bevolking geen vertrouwen in de kerk heeft.

Ik schaam me diep voor dit grote gebrek aan vertrouwen van de mensen. Dat is een doodzonde voor een gemeenschap van wie de Stichter zei dat ze het licht in de wereld zou moeten zijn — transparant, eerlijk, goed en stralend onder de mensen. Het onderzoek heeft de mensen niet gevraagd naar de redenen voor hun gebrek aan vertrouwen. Daarnaar blijft het gissen. Regelmatig hoor ik echter dat mensen die onze monumentale Noorderkerk een keer van binnen willen bekijken, nauwelijks de drempel over durven stappen. Ze vragen zich af: Moet je geen lid zijn of tenminste gelovig, mag je wel zomaar naar binnen, hoe moet je je gedragen in een kerk? Zou het gebrek aan vertrouwen met deze schroom te maken hebben? Dat mensen het idee hebben dat de kerk een verheven en heilig genootschap is van een God die allerlei hoge morele en gelovige eisen stelt? Ja, als je dan uit het nieuws en/of eigen ervaring merkt dat het er in de praktijk van de kerk toch wat minder heilig en hoogstaand aan toegaat, dan wekt dat natuurlijk geen vertrouwen.

De Amerikaanse christen-activist Shane Claiborne gaat in zijn boek The Irresistible Revolution in op het gevaar dat gelovige, activistische en idealistische mensen en organisaties zodanig opgaan in hun eigen verheven zaak en gelijk, dat ze de mensen en hun noden vergeten. Als antwoord op dat gevaar zegt hij: ‘Ik denk dat onze wereld een wanhopige behoefte heeft aan minnaars (lovers), mensen die diepe, echte relaties bouwen met medeworstelaars onderweg en die de gezichten van de mensen kennen …’ Dat heeft de kerk nodig: dat we gewoon met liefde onder de mensen zijn, dat we een gemeenschap van lovers zijn, niet verheven boven en beter dan anderen, maar worstelend om de liefde van God — die als Lover onder de mensen is gekomen — te kennen en in de praktijk te brengen. En als ik het goed heb, is dat ook altijd de bedoeling geweest.

Citaat: Shane Claiborne, The Irresistible Revolution, Zondervan: Grand Rapids, 2006, blz. 295.

Kein Signal

De kerk waar ik gisteren op het Pinksterfeest voorging had een klein schermpje in de preekstoel. Op dat schermpje verschenen de teksten die ook op de muur werden geprojecteerd. Een vriendelijke arbo-maatregel om te voorkomen dat de dominee met omgedraaide en opgeheven nek zich een nekblessure zingt. Na een tijdje viel het beeld echter uit en verscheen in vierkante rode letters het bericht ‘Kein Signal’ (geen signaal).

KeinSignal.001Na nog één lied zou ik beginnen aan de pinksterpreek met de titel ‘De Geest spreekt alle talen’. Was dit een signaal van de Pinkstergeest, die op het feest van het talenwonder natuurlijk zonder problemen in het Duits kon communiceren? Als dat zo was, dan was het een onrustbarend en schrikwekkend signaal, namelijk dat de verbinding verbroken was en de Geest niet van zich zou laten horen. Dat was een harde mededeling op Pinksteren, waarop we de komst van de Geest van God in vuur, wind en talen vierden. Ik kon preken als Brugman en we konden het ‘Kom Heilige Geest’ als een eeuwig refrein blijven zingen, maar de Geest zou geen signaal geven.

De hele dag raakte ik die rode lettertjes niet meer kwijt. Ze bleven haken bij de ervaring van geesteloosheid en leegheid. Ze vonden gemakkelijk een plekje in schuldgevoelens en onzekerheid, die de oorzaak konden zijn van de verbroken verbinding. Ze wreven de boodschap van geestrijke broeders en zusters er nog eens in, dat ik, traditionele gelovige, wel wat meer van de Geest kon gebruiken.

Bij al dat getob, troostte ik mezelf met de gedachte dat ‘Kein Signal’ tenminste nog een signaal was. De Geest had de moeite genomen om mij te melden dat er geen verbinding was. Aan die schrale troost houd ik me dan maar vast. Er is ‘geen leven, dan waar Gij het wekt / in een gemis dat naar U schreit’ zo dichtte Ad den Besten in het Pinksterlied ‘Kom, Heilige Geest, Gij vogel Gods’ (Liedboek 680). De duif van God had in die twee rode Duitse woorden dat gemis weer tot leven gewekt. En — dat geloof ik vast — ook missen, verlangen en zoeken zijn onmiskenbare signalen van het leven dat de Geest wekt.

Ik maak het niet mooier dan het is: ik ben natuurlijk een armzalige Pinkstergelovige. In plaats van miezerig te zitten missen zou ik veel liever in vuur en vlam staan en in alle talen van de wereld over de overvloed Gods spreken. Maar ik geef niet op en bid en wacht op het signaal.

Hoop

Het is weer Pasen. Pasen is het feest van de hoop — van een onbegrensde en alles uitdagende hoop, omdat er een leeg graf is gevonden en Jezus, die gekruisigd en afgedankt was, is opgestaan uit de dood.

Kleinemeisjevandehoop
Foto: Sunshine girl, Melissa Stein

Elk jaar wakkert het vieren van de opstanding van Christus de hoop in mij weer aan. Dat is wel nodig ook, want hoop is een klein en kwetsbaar ding. De hoop kruipt in haar schulp als ze geconfronteerd wordt met dingen die maar niet willen veranderen. Ze verschrompelt als ze hoort dat de oorlog in Syrië al zeven jaar voortduurt. Ze wordt een kopje kleiner gemaakt als de dood onverbiddelijk het leven breekt. Ze dooft langzaam uit als er teveel onverschilligheid in de lucht hangt. Ze kwijnt weg in een wereld die alle kaarten op zekerheid en het hier en nu zet. Ze heeft het niet gemakkelijk, de hoop.

In een gedicht ziet de Fransman Charles Péguy (zelf gestorven in 1914 in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog) de hoop als een klein meisje dat tussen haar beide grote zussen geloof en liefde onopvallend over de weg wandelt. Het is een mooi beeld: een klein meisje — nog niet bezwaard door het leven, nog voordat het grote lijden van de pubertijd begint, nog lichtvoetig, speels en zichzelf vergetend. Ze is klein en kwetsbaar, ze wordt snel over het hoofd gezien. ‘De mensen, het hele christenvolk, kijken steeds naar de twee grote zussen’ geloof en liefde … ‘Ze zien ternauwernood de kleine zus, die in het midden loopt’, aldus Péguy.

Maar ze is taai, verbazingwekkend taai. ‘Ik sta er zelf versteld van’, zo laat Péguy God zeggen over dat kleine meisje dat Hij in zijn goedheid aan de mensen geeft en dat steeds weer opduikt om ons voor wanhoop en cynisme te behoeden. Op Pasen duikt ze ook weer op — uit de dood, tegen alle verwachting in, in verschijningen van de Opgestane die we niet kunnen vastpakken of vasthouden. Ze blijft het kleine meisje van de hoop, dat zelfs op haar feest niet opvalt tussen de legers paashazen, de miljoenen kilo’s chocolade paaseieren, de duizenden gele narcissen en het eindeloze ‘Halleluja’ dat vandaag door kerken schalt. Maar juist klein en simpel piept ze door de scheuren van ons leven, verschijnt ze waar er weinig meer te hopen en te verwachten valt en wijst ze lachend met haar kleine vingertje naar dat graf dat leeg is.

Een hoopvol Paasfeest gewenst!

 

Margriet van de Kooi schreef een mooi boekje over de hoop, geïnspireerd op het gedicht van Charles Péguy over het  kleine meisje van de hoop: Het kleine meisje van de hoop: Nieuwe gesprekken over God en ons (Boekencentrum, 2016).

Heilzame onrust

Vorige week zondag viel tijdens het zingen in de kerk mijn oog op een gebed dat stond afgedrukt in het liedboek waaruit we zongen.
‘Laat niet toe dat wij leven
alsof wij niets meer te verwachten hebben.
Wek in ons de heilzame onrust
omwille van het uur waarop uw Zoon zal wederkomen,
Jezus Christus, onze Heer.’

restless
Foto: Restless, stttijn 

Het was de ‘heilzame onrust’ die me raakte. Al veel langer is dat zo. Een bijbeltekst, een lied of een verhaal dat over onrust gaat of me onrustig maakt, weet me vaak te pakken. Weer gebeurde het. Tijdens een weekend om er even tussenuit te zijn en rust te vinden, in een Zeeuwse dorpskerk waar de zondagse dienst braaf voortkabbelde, trof de engel van de onrust opnieuw mijn hart.

Ik weet niet goed waar die ontvankelijkheid voor onrust vandaan komt. Is het de rebelse tiener die af en toe nog even zijn gezicht laat zien? Of het onrustige verlangen naar God, dat in dit leven nooit langer dan een paar minuten gestild wordt? Of het latente gevoel van onbehagen dat er zoveel blijvend mis is in de wereld, waardoor je niet mag rusten? Of het diepgewortelde idee dat je altijd in beweging moet blijven en rust roest? Al deze factoren zullen wel meespelen dat onrust snel bij mij blijft haken.

Aan de andere kant verlang ik naar rust en stilte. En ook daarin ben ik niet de enige. Stilte, onthaasting en rust zijn kostbare goederen geworden, waar veel mensen in de drukte van de ratrace en de onophoudelijke prikkels van onze communicatie naar zoeken. Ook mijn geloof geeft rust. ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid en belast door het leven gaan en Ik zal je rust geven,’ belooft Jezus in een van de mooiste teksten uit het evangelie. (Mattheüs 11:28) Die rust ervaar ik ook in de zondagse kerkdienst, in de stilte van het bidden en als je iemand in alle rust ontmoet.

Maar — wonderlijk genoeg — komt in die rust en stilte vaak toch weer de onrust boven. En dat is heilzaam, zegt het gebed. Er is heilloze onrust, die je als een kip zonder kop doet rondrennen en nergens brengt. Maar onrust kan ook heilzaam zijn: dat je verwachting krijgt en los wordt getrokken uit de onverschilligheid en de onzalige en oppervlakkige rust van een comfortabel en verwend leventje. Dat gaat niet vanzelf is mijn ervaring. Steeds weer moet ik wakker gemaakt worden — door de onrust dat het zo niet langer kan, door het rusteloze verlangen naar God en ook doordat er iets te verwachten is. Laat ons niet leven, zegt het gebed, alsof we niets te verwachten hebben. Ja, je kunt leven alsof er niets meer te verwachten is. Dat kan op allerlei manieren — tevreden, apathisch, krampachtig of druk. Maar er is een uur waarvan zoveel te verwachten is, dat je er heilzaam onrustig van wordt of zou moeten worden.

Stilte

Tijdens een leerhuis deze week over biddend bijbellezen, geleid door dr. Jos Douma, waren we een kwartier stil, mediterend over een bijbeltekst. Het was een wonderlijke ervaring om in een zaaltje van onze kerk, waar bijna altijd woorden klinken, gewoon stil te zijn.

silence
Foto: freeside, Silence

Als dominee ben je weinig stil — je spreekt, je vraagt, je antwoordt, je preekt, je bidt, je leest, je schrijft. Eigenlijk ben je altijd met woorden in de weer. Dat kwartiertje stilte deze week deed me niet alleen goed, het stelde me ook de kritische vraag naar de inflatie van het woord. Doet de veelheid van mijn woorden de waarde en de zuiverheid ervan niet afnemen? Dat geldt voor onze samenleving waarin continue wordt gesproken, gedebatteerd, gechat, geappt, gebabbeld, gebeld, maar ook voor mij. Ben ik niet teveel een woordenkramer, een babbelaar over God en geloof, een goedbedoelende, maar oppervlakkige prater? De bijbelse Prediker waarschuwt dat je in de aanwezigheid van God niet teveel moet praten — ‘wees spaarzaam met je woorden’ (Prediker 5:1). Als ik eerlijk ben: aan die waarschuwing laat ik me als professional van het woord weinig gelegen liggen.

Om me wat op deze vraag te bezinnen, vond ik een boek over de woestijnvaders, de monniken die vanaf het jaar 300 de woestijn van Egypte introkken om onder andere stilte te zoeken en zwijgen te leren. Ik las over een zekere Pambo (303-374 AD), die zich 18 jaar in de stilte terugtrekt om te leren zijn tong zuiver te gebruiken en ook om nuchter het ‘geen woorden, maar daden’ in de praktijk te brengen. Ook als hij terugkeert uit zijn zelfgekozen stilte, spreekt hij niet veel. Maar de woorden die hij spreekt, zijn vol van wijsheid en zegen. ‘De waarde van woorden wordt zichtbaar in de stilte’ is het motto dat in het boek bij Pambo staat. Ik neem me opnieuw voor om de stilte te zoeken, eerst te zwijgen, het babbelen en praten af te leren — juist uit respect voor het woord en uit verlangen om woorden te horen en te spreken die waardevol zijn. Ik word stil.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Paddington-traan

paddington2Vandaag ben ik naar de film geweest met twee dochters en twee nichtjes. Ze hadden Paddington 2 gekozen. Het was heerlijk om op een stormachtige middag in de kerstvakantie naar een grappige en avontuurlijke film, met in de hoofdrol een hartveroverend schattig beertje, te kijken. En toen gebeurde er helemaal aan het einde van de film nog iets verrassend. Na een heel avontuur vol grappige, spannende en ontroerende momenten, rolde er tot mijn eigen verbazing een klein traantje over mijn gezicht.

De ontknoping van de film is een voorspelbaar en licht sentimenteel happy end, waar hedendaagse familiefilms in grossieren. En toch pakte het mij. Ik schaam mij niet zo snel voor tranen, ook niet als ze komen tijdens een film. Maar nu leek de traan ongepast, omdat ik naar een voorspelbare feelgood animatiefilm zat te kijken (en niet naar een diepzinnig en ernstig epos als de Lord of the Rings of een film die je meeneemt in het pijnlijke drama van het leven).

Ik zag een gang vol met gelukkige mensen die vol verwachting naar de voordeur staan te kijken. Er is zojuist aangebeld en Paddington loopt ongelovig naar de deur voor de ontmoeting waardoor alle avonturen, angsten en kleerscheuren van de afgelopen anderhalf uur het waard zijn geweest en waarin alles wat goed en mooi is tot een goed einde komt. En dat riep een traan tevoorschijn.

Wat was dit voor traan? Waarom huil je bij het zien van iets dat goed en mooi is? Zegt die Paddington-traan iets over mijn verlangen dat het goede het in the end wint en dat het leven en de liefde toch sterker zijn dan de leugen en het kwade? En is deze traan een teken van God? De Amerikaanse schrijver Frederick Buechner zegt dat je heel opmerkzaam moet zijn op je tranen, vooral als ze onverwachts komen. ‘Ze vertellen je niet alleen iets over het geheim van wie jij bent, maar vaker wel dan niet spreekt God door hen tot je over het geheim waar je vandaan komt en roept Hij je naar waar je, wil je ziel gered worden, nu naartoe zal moeten gaan.’

Een traan als stem van God, die zegt dat we van het geheim van goedheid en liefde vandaan komen en we — als we onze ziel en ons leven willen redden — naar die goedheid en liefde moeten terugkeren en daarin dieper en verder moeten gaan. Het was nog niet bij mij opgekomen dat zo’n schattig beertje zoiets kon zeggen.

Citaat: Frederick Buechner, Whistling in the dark (Harper, San Francisco) blz. 117.