Vrij om elkaar te bespotten?

‘Je kunt de meeste gelovigen het recht op de vrijheid om de spot te drijven met religie niet uitleggen,’ zo schreef Tommy Wieringa onlangs in het NRC. Hij heeft gelijk. Al heb ik groot respect voor hem als schrijver en columnist, toch lukte het hem niet mij te overtuigen waarom het recht op het bespotten van anderen zo’n wezenlijk goed is.

Foto van Andre Hunter op Unsplash

Wieringa gooit in zijn column het beledigen van andermans godsdienst op één hoop met de vrijheid om ongehinderd en kritisch te spreken over godsdienst, hete hangijzers en taboes. Daarom is hij van mening dat een inperking van de vrijheid om een ander te bespotten en te beledigen niets minder is dan zwichten voor de ‘giftige preutsheid’ van gelovigen, die geen enkele kritiek op hun gesloten ideologie accepteren.

Toch ben ik zo vrij om deze twee zaken uit elkaar te halen, omdat het verwarren van vrije, kritische meningsuiting en belediging die vrijheid in mijn ogen niet vooruit helpt. Volgens artikel 7 van de Nederlandse Grondwet heeft iedere burger het recht op het ongehinderd uiten van zijn mening (behoudens ieders verantwoordelijkheid jegens de wet, die bepaalt dat het aanzetten tot haat of geweld, het spreken van smaad en laster en het beledigen (!) van een persoon of groep niet zijn toegestaan). En ik deel Wieringa’s overtuiging dat dit grondrecht een groot goed is, dat we tegen autoritaire overheden, religieuze drammers en gewelddadige terroristen moeten verdedigen. Maar in een samenleving kun je niet alleen leven met juridische rechten.

De Universele verklaring van de Rechten voor de Mens begint voordat alle rechten worden opgesomd in artikel 1 met: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.’ In dit artikel klinkt de wijsheid door dat de mensheid zonder broederschap — of noem dat voor mijn part gewoon vriendelijkheid of fatsoen — met al die rechten niet heel ver komt. In deze spannende tijden van het heetgebakerde ego en de door polarisatie en vijandbeelden geplaagde wereld is het gevaar groot dat we ons steeds meer terugtrekken op onze juridische rechten en eigen gelijk tegenover anderen. Maar ik ben bang dat er weinig van het samen in de samenleving overblijft als we niet tegelijk een vriendelijke hand uitsteken naar hen die anders zijn en denken.

Het afzien van beledigen en kwetsen lijkt mij een elementaire vorm van vriendelijkheid en wellevendheid. Daarbij: zouden het vrije woord en de kritische spot echt hun kracht verliezen als de sprekers en spotters zichzelf oefenen in een geest van broederschap? Jezus, die zelf trouwens veroordeeld werd voor godslastering en zich niet erg druk maakte als Hij beledigd of bespot werd, vatte de wet en de profeten samen in de gulden regel: ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.’ (Mattheüs 7:12) En ik ga er nog steeds vanuit dat de meeste mensen liever niet beledigd willen worden en niet kunnen lachen om grappen die je vernederen — of je nu religieus bent of niet.

Bidden voor Trump en Wilders

In onze Noorderkapel wordt gebeden voor Donald J. Trump en Geert Wilders, zo lees ik in het gebedenboek waarin bezoekers een groet, gedachte of gebed kunnen achterlaten. Als het over bidden gaat ben ik een zeer tolerant en toegeeflijk persoon. Een persoonlijk gebed is een persoonlijke zaak tussen een mens en de Allerhoogste, waar niemand zich mee te bemoeien heeft. Een kapel is een veilige plek waar gedachten en verlangens niet door de gebedenpolitie worden gecontroleerd op theologische of politieke correctheid. Dus goed dat er in onze kapel ook gebeden voor Donald J. Trump en Geert Wilders naar de hemel worden gezonden — ook zij hebben ze nodig.

Foto van een Trump-rally door David Todd McCarty op Unsplash

Toch laat dat gebed me niet met rust, omdat ik niet zo goed weet wat God ermee aan moet. Dit gebed werd geschreven voordat Trump besmet was met het corona-virus, dus ga ik ervan uit dat het gaat om een gebed van iemand die Trump en Wilders steunt en aan God vraagt of zij de verkiezingen mogen winnen en andere politieke successen behalen. Kun je dit van God verwachten als je beseft dat er vast ook mensen bidden voor Joe Biden en Jesse Klaver? Bidden wordt er voor mij in ieder geval niet geloofwaardiger en begrijpelijker op, als je denkt aan alle tegenstrijdige vragen en verlangens die van de aarde opstijgen naar God. In de film Bruce Almighty wordt Bruce, die een tijdje de rol van God mag overnemen, geconfronteerd met een niet aflatende stroom menselijke gebeden, die hij om van het gezeur af te zijn allemaal inwilligt. De gevolgen laten zich raden: totale chaos omdat alle gebeden om goed weer, winst voor je favoriete sportteam, het winnen van een loterij, het halen van een diploma, het slagen van een date enzovoorts worden ingewilligd. Daarbij teken ik wel aan dat de film de inhoud van de menselijke gebeden wat te egoïstisch en oppervlakkig inschat.

Nu begrijp ik ook wel dat je voor politieke kandidaten kunt bidden omdat je denkt dat zij staan voor wat goed en rechtvaardig is. Zoals je ook tegen een regime of partij kunt bidden die volgens jou onrecht en kwaad veroorzaken. Toch vind ik dat je vandaag, vanwege het gepolariseerde politieke klimaat van onze tijd, daarin heel terughoudend moet zijn. Wie nadrukkelijk bidt voor een politicus of partij (publiekelijk geldt dat zeker) betrekt God bij zijn of haar politieke voorkeur en een politieke strijd, waarbij de kans groot is dat je God voor het karretje van een politieke, en dus altijd ook menselijke zaak spant. Dat is een vorm van afgoderij met kwalijke en gevaarlijke gevolgen, zoals het demoniseren van politieke tegenstanders en het uiteenvallen van het sociale weefsel van een samenleving, iets waarvoor de New Yorkse predikant Timothy Keller zijn Amerikaanse geloofsgenoten in beide kampen onlangs nog waarschuwde.

Eén van de heilzame (en lastige) aspecten van bidden is dat je in de aanwezigheid van God niet alleen je eigen wensen, ideeën en gedachten uit, maar die ook aan de kritiek en zuivering van God blootstelt. Bidden in bijbelse zin is immers altijd tweerichtingsverkeer. In dat verkeer worden je ogen gescherpt voor Gods gerechtigheid, die niet zomaar samenvalt met de gerechtigheid van één politieke beweging of partij. Bovendien maakt bidden je op die manier ook nederig en zachtmoedig, twee christelijke deugden die niet goed passen in een politiek klimaat van superioriteit, zelfingenomenheid en demonisering.

Wie weet werd er in onze kapel wel zo gebeden: voor nederigheid en zachtmoedigheid voor Donald J. Trump en Geert Wilders. Dan neem ik dat gebed gelijk over, ook voor de rest van onze politici. En laten we hopen dat God nog luisteren wil.

Spiritualiteit zonder yogamatje?

Echt vanzelfsprekend is het niet: spiritualiteit en de kerk. Voor mensen die bezig zijn met spiritualiteit is de kerk niet de plek waar ze met hun spirituele verlangens snel naar toe zullen gaan – al kan een kerkgebouw door de sfeer of ouderdom wel spiritueel aanvoelen. Spiritualiteit komt voor velen uit het Oosten en roept beelden op van sereen in lotushouding zittende mensen of dikke Boeddha’s die je vanaf het rek van het tuincentrum vriendelijk toelachen. De kerk daarentegen staat voor heel wat mensen voor een weinig spirituele club waar het gaat over regels en dogma’s en je geconfronteerd wordt met inspiratieloze preken en lange, saaie kerkdiensten. Aardig wat doorgewinterde kerkgangers hebben op hun beurt ook niet zoveel met spiritualiteit, ze vinden het al gauw zweverig en te vaag. Al is dat in de kerken wel aan het veranderen.

Foto: chris ®️ op Unsplash

En toch is het christendom door en door spiritueel. De kerk is geboren op het Pinksterfeest met de komst van de heilige Geest (in het Latijn Spiritus). Die Geest van kracht, inzicht en liefde was overduidelijk ook in het spreken en doen van Jezus aanwezig. Het is dan ook niet vreemd dat in de loop van de tijd er in de kerk een breed palet van spirituele praktijken en bewegingen is ontstaan. Vandaag worden die – juist omdat ook in de kerk de kaalslag en oppervlakkigheid van het moderne leven wordt gevoeld – ook weer ontdekt.

Dit spirituele verlangen in een zakelijke, vooral op het zichtbare en materiële gerichte wereld, kom ik binnen en buiten de kerk veel tegen. Ik moet daarbij denken aan gras of onkruid dat door het asfalt groeit. Het lijkt onmogelijk en verrast je in deze tijd, maar toch gaan mensen zomaar verlangen naar meer, voelen ze een onrust over hun leven dat vooral bestaat uit kopen en druk zijn of doen ze soms middenin het dagelijks leven een ingrijpende ervaring op van iets groters of diepers op.

Waar het naar mijn gevoel dan op aan komt is of de spirituele weg die je kiest meer is dan een vlucht uit de werkelijkheid. De Sloveense denker Slavoj Žižek is kritisch op veel hedendaagse spiritualiteit, omdat het dezelfde werking heeft als drugs. Mensen proberen door spiritualiteit te ontsnappen aan het ingewikkelde en onzekere leven. Je zoekt rust en balans om het vol te houden in een oppervlakkige en ingewikkelde wereld, maar jij en de wereld worden niet echt aangeraakt, laat staan veranderd. Het is spiritualiteit die je niet bij de realiteit brengt (van wat er aan de hand is met jezelf en de wereld) en je dus ook niet kan bevrijden, maar alleen verdooft en je even een geestelijk tripje uit de realiteit biedt.

Ik geloof dat we spiritualiteit nodig hebben die meer is dan opium en ik ben ervan overtuigd dat het christendom die in huis heeft: een spirituele weg die vrede geeft én onrustig maakt, die stil maakt én tot actie aanzet, die tegelijk hemels en aards is. Een bijbels beeld van zulke spiritualiteit is water in de woestijn. In de woestijn – zowel je innerlijke woestijn, als die van de wereld om ons heen – borrelt er levend water, gaat er iets stromen en bloeien. En het mooie is dat je er niet eens een yogamatje bij nodig hebt of er zelfs bijzonder spiritueel voor moet zijn. Deze spirituele weg vraagt echter wel van je, dat je in de woestijn blijft en niet wegvlucht of -zweeft.

De gedachten van Žižek over de hedendaagse spiritualiteit zijn te vinden in het boek van Tomáš Halík: Niet zonder hoop: religieuze crisis als kans, Utrecht 2019, blz. 39-57.

In de Noorderkerk staan we in het najaar van 2020 stil bij de spirituele weg van het christendom in de serie verdiepingsdiensten op zondagavond over ‘Stromen van leven

De winst van het corona-voorbehoud

Met de vakantie in zicht zijn we weer begonnen aan de planning van een nieuw seizoen in de kerk. Het is een jaarlijks ritueel van zowel terugkijken en evalueren, als vooruitkijken en plannen maken. Het is de tijd van overleggen, to-do-lijstjes en agenda’s. Dit jaar is het toch anders, omdat boven het nieuwe seizoen een corona-wolk hangt. Een dreigende wolk in de verte die al onze plannen kan verstoren. Ik hoop net als iedereen dat het meevalt, dat die wolk overdrijft of slechts een paar kleine, plaatselijke buien veroorzaakt, waarvan de overlast en ellende beperkt blijft. Maar ik besef dat het opnieuw raak kan zijn, met als een van de gevolgen dat onze plannen en activiteiten voor een tweede keer in het water kunnen vallen.

Foto van Tim Mossholder op Unsplash

Een agenda is een vreemd attribuut in onzekere tijden. Hoeveel afspraken heb ik de afgelopen maanden niet doorgestreept? Daardoor besef ik dat alles wat ik er nu in vastleg onder voorbehoud is, terwijl dat boek (ik gebruik nog een ouderwetse papieren exemplaar) normaal houvast geeft en orde schept in mijn bestaan. Aan de ene kant vind ik die onzekerheid lastig, maar aan de andere kant merk ik dat dit corona-voorbehoud ook een gat in het leven slaat, waardoor er iets anders zichtbaar wordt. De onzekerheid van deze tijden is een scheur waardoor een streepje ander licht ons geplande, op zekerheid gerichte leven binnenvalt — om een beeld van zanger Leonard Cohen te gebruiken.

Ik zie drie van die onverwachte lichtstraaltjes door het gat van het corona-voorbehoud binnenvallen.

  • Ik ga er meer van bij de dag leven. Onzekerheid over de toekomst dwingt je om meer in het heden te blijven. Bij C.S. Lewis kwam ik de waardevolle gedachte tegen dat God vooral geïnteresseerd is in de eeuwigheid en het heden. Dat laatste interesseert God omdat het heden het punt is ‘waarop tijd en eeuwigheid elkaar raken’ en waar we ‘vrijheid en werkelijkheid’ kunnen vinden. Nu ik door het corona-virus veel sterker besef dat de toekomst onzeker is, word ik met mijn neus op het heden gedrukt. Nu is de tijd waarin ik zo goed en echt mogelijk leven mag en moet en voor morgen en later geldt het voorbehoud van de bijbelschrijver Jakobus: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’
  • Als onze plannen en vaste patronen in de war worden geschopt, komt er ook ruimte voor improvisatie. In de afgelopen maanden hebben we op allerlei manieren moeten improviseren om toch contact te houden, te zorgen voor elkaar, te vergaderen en te vieren in de kerk. Dat heeft veel energie gekost en het was lang niet altijd ideaal, maar er ontstond ook ruimte om onbekommerd wat te proberen en hoe mooi was de saamhorigheid van de amateurs (liefhebbers) die er samen het beste van maakten?
  • Het verschil tussen vertrouwen en zekerheid is helderder geworden. In onze op veiligheid, controle en zekerheid gerichte samenleving beseften we opeens hoe kwetsbaar we zijn en hoe onzeker ons leven is. Bij het boodschappen doen, als je begon te hoesten, als je de alarmerende nieuwsberichten zag, kwam het op vertrouwen aan, omdat er simpelweg geen zekerheid was of omdat de zekerheden waar sommigen voor kozen er zo angstig en egoïstisch uitzagen dat ze mij niet konden overtuigen. Ik heb het als een geschenk ervaren om vertrouwen te kunnen zoeken en vinden bij God, om in de crisis, zonder grip en zekerheid toch houvast en vrede te ontvangen. De blijvende onzekerheid voor de komende tijd is lastig, maar ook een uitnodiging tot en test van vertrouwen op God. God, die volgens Jezus niet alleen voor de vogels en de lelies zorgt, maar ook voor dat kwetsbare, angstige schepsel dat mens heet.

De opmerking van C.S. Lewis is te vinden in Brieven uit de hel, XV. Het citaat van Jakobus in het bijbelboek Jakobus 4:15 en Jezus’ onderwijs over onbezorgd leven in het evangelie van Mattheüs 6:24-34.

Ontsmettingsgel als heilig teken

Afgelopen zondag heb ik eindelijk weer een kind gedoopt. Gedekt door de onlangs toegekende status van het contactberoep, mocht ik volkomen legaal de heilige grens van de anderhalve meter overschrijden om met drie handen water de kleine Thomas in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te dopen. Eén ding was echter anders — het nieuwe normaal, zoals dat heet in het communicatiejargon van de overheid. Voordat mijn handen het doopwater aanraakten, moest ik ze ontsmetten met handgel uit een blauw flesje dat daarvoor achter de bos bloemen gereed stond.

Het voelde als een nieuw ritueel: voor aller oog je handen grondig reinigen, om pas daarna over te gaan tot het tweeduizend jaar oude sacrament van de doop. Mijn eerste gedachte was dat hier het oude en het nieuwe normaal goed bij elkaar passen. Is de doop ook niet een teken van reiniging? Van een grondig bad, waarin God een mens eens goed schoonmaakt? Het kwaad dat aan ons mensen kleeft, zit dieper en is taaier en besmettelijker dan we denken. Hebben de demonstranten in deze dagen het niet over het wereldwijde hardnekkige virus van het racisme? En dat gaat ook over mij, al heb ik een afkeer van racisme. Tegen het virus van egoïsme en kwaad is water alleen niet genoeg. Toen die glibberige gel door mijn vingers gleed, besefte ik het: ik heb een sterker middel nodig, een ontsmettingsmiddel voor mijn handen, mijn ogen, mijn lichaam en mijn ziel.

In de roman Dit zijn de namen van Tommy Wieringa, komt de hoofdpersoon, politiecommissaris Pontus Beg, tijdens een rondleiding in een synagoge bij de mikwe, het bad voor rituele reiniging. Daar wordt hij diep geraakt. ‘Een druppel viel. Begs hart kromp omdat hij al zo lang niet zo’n sereen geluid gehoord had. De rimpeling op het water stierf vlug weg. Hij zou zich willen uitkleden, de treden afdalen tot op de bodem van het bassin, zijn lichaam onderdompelen, het reinigen van het vuil van de wereld. Zelfs van het vuil dat er niet afging, zou hij zich schoonwassen. Een nieuwe ziel. Daar diep in de aarde, bij het magische water, leek zoiets werkelijk mogelijk. Wat een aangename, troostende gedachte … Zijn oude ziel afleggen, dat rafelige, versleten ding, er een nieuwe voor in de plaats krijgen. Wie wilde dat niet? Wie zou zoiets afwijzen?’ Wieringa had dit over de doop kunnen schrijven.

Het ontsmettingsmiddel en het water afgelopen zondag waren tekens van zo’n nieuw, goddelijk leven, waar je in deze oude, vermoeide wereld zo naar kunt verlangen: je rafelige, versleten ziel kwijtraken en er een nieuwe, gave voor in de plaats krijgen. Ja, wie zou zoiets afwijzen?

Het citaat uit Dit zijn de namen is te vinden op blz. 130 (zevende druk 2013).

Vijf lessen van een verzetsdominee

Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, zouden we allemaal graag de helden zijn geweest — verzetstrijders, Engelandvaarders of mensen die onderduikers schuilhielden. Al valt natuurlijk nog te bezien of wij in hun tijd en hun schoenen hetzelfde zouden hebben gedaan. ‘Wat maakt een mens een held?’ is de spannende vraag die Freek de Jonge stelt in zijn lied over verzetsdominee Jan Koopmans, die in de oorlog in dezelfde kerk werkte als ik nu. Als antwoord op die vraag vijf lessen uit het leven van deze oorlogsheld, die ook we ook vandaag, in onze crisistijd, niet mogen vergeten.

Titelpagina van de illegale Brochure ‘Bijna te laat!’ die Koopmans in november 1940 schreef
  1. Zorg voor diepe wortels. In een crisis helpt het als je ergens voor staat en de wortels van je overtuiging en je geloof dieper gaan dan wat oppervlakkige ideeën en wisselende emoties. Koopmans daagt ons uit om in schokkende tijden vanuit een overtuigd geloof te leven of om dat te zoeken.
  2. Weet wat er speelt. Er waren in Koopmans’ tijd natuurlijk veel meer mensen met een sterke en diepe overtuiging, maar Koopmans had door brede contacten een scherper zicht op wat er in het Nazisme speelde, waardoor hij als één van de eersten in Nederland waarschuwde voor de vernietiging van de Joden.
  3. Leef voor meer dan alleen overleven. Koopmans kwam op voor de Joden, een andere bevolkingsgroep, die bovendien door de bezetter bewust apart werd gezet. Koning Willem Alexander gaf in zijn toespraak tijdens de dodenherdenking dit jaar aan dat de Joodse Nederlanders in de oorlog teveel in de steek zijn gelaten, iets dat Koopmans de kerken, die in zijn ogen veel te voorzichtig en traag waren, ook verweet. Een crisis — ook die van vandaag — maakt vaak heel scherp duidelijk of er in ons leven meer is dan alleen de drang om zelf te overleven.
  4. Vlucht niet weg. Het is bijzonder dat veel van de oorlogshelden die tot op vandaag blijven inspireren mensen waren, die er heel bewust voor kozen om niet weg te vluchten van lijden. Ik denk bijvoorbeeld aan Etty Hillesum, die ervoor koos om met haar Joodse volksgenoten naar de kampen te gaan in plaats van onder te duiken. Vanuit eenzelfde overtuiging keerde Dietrich Bonhoeffer in 1939 terug uit het veilige Amerika om met zijn volk mee te lijden en zich te verzetten tegen het Nazi-bewind. Koopmans kiest er in 1943 voor om na enkele jaren van secretariaatswerk weer gewoon als dominee met de mensen in zijn kerk en de Jordaan de bezetting te ondergaan.
  5. Doe wat je kunt, op de plek waar je bent. Koopmans is betrokken bij het kerkelijk verzet, hij preekt en schrijft pamfletten, boekjes en brieven, hij zet zich onder protest en zonder veel illusies in voor de christen-Joden, die door de bezetter eerst apart werden behandeld, en als dominee in de Jordaan begint hij gewoon met allerlei kerkenwerk en zet zich in voor hen die lijden aan armoede en honger. Heldendom heeft veel minder met superhelden of grote daden te maken, dan met de volharding en moed waarmee je op de plek waar je bent, kiest voor wat waar, goed en rechtvaardig is.

Volgens mij hebben deze vijf lessen van verzetsdominee Jan Koopmans ons genoeg te zeggen en te leren in onze crisistijd.

Vandaag zit Jezus in het verpleeghuis

Het corona-virus maakt vooral slachtoffers onder de ouderen in onze samenleving. De strategie van de meeste overheden is om hen zoveel mogelijk te beschermen tegen het virus en daarmee tegelijk een overbelasting van de medische zorg te voorkomen. Nu het langzaam duidelijk wordt dat het virus niet snel zal verdwijnen en deze strategie dus grote economische, sociale en persoonlijke offers vraagt, komen we voor de afweging te staan wat het zwaarst weegt: de levens van vooral ouderen of het gezamenlijke belang van vrijheid, welvaart en sociaal geluk.

Foto: Dominik Lange op Unsplash

Deze ellendige afweging komt vooral aan de orde in de discussie over de economische schade van de lockdown-maatregelen. In de Verenigde Staten pleitte een Republikeins congreslid om de Amerikaanse ‘way of life’ (die voor hem vooral bestaat uit economische activiteit en welvaart) voorrang te geven boven de levens van ouderen. Een andere, zeventigjarige politicus gaf aan dat hij en andere ouderen bereid zijn om hun gezondheid en leven te riskeren voor de economie (alsof de economie een godheid is). In Nederland haalde BNR-columniste Marianne Zwagerman de toorn van velen op de hals door het corona-virus te vergelijken met een zeis die door ‘het dorre hout’ gaat en ijskoud te stellen dat we in de corona-crisis de welvaart van onze kinderen om zeep helpen omdat we de dood niet goed kunnen accepteren.
Op een persoonlijke manier speelt dit pijnlijke dilemma ook bij de afweging van bezoek aan of van ouderen: tussen het risico op besmetting en overlijden aan de ene kant en de ellende van eenzaamheid en afstand aan de andere kant.

Laten we gewoon erkennen dat deze crisis ons voor lastige en zwaarwegende afwegingen plaatst, vooral omdat het over mensenlevens gaat. Zwagermans beeld van dor hout voor ouderen is daarbij niet alleen kwetsend, maar ook gevaarlijk, omdat het ontmenselijkt en dit menselijke dilemma tot een economische kwestie maakt, die je vooral pragmatisch moet benaderen en oplossen. Als gelovige denk ik dat twee verhalen van Jezus ons in deze afweging kunnen helpen. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37) wordt Jezus gevraagd wie precies onze naaste is, die wij moeten liefhebben. Als antwoord draait Hij deze vraag om en laat Hij je in de huid van een slachtoffer, dat mensen naast zich nodig heeft, kruipen. In ons geval: kijk in deze crisis met de ogen van de ouderen en anderen die extra kwetsbaar zijn. Jezus verscherpt die manier van kijken nog in de gelijkenis van de schapen en de bokken over het laatste oordeel (Mattheüs 25:31-46). In dat verhaal zijn de zieken, vreemdelingen, armen en gevangenen de mensen met wie Hij zich identificeert — ‘je hebt Mij bezocht als je naar een van mijn zieke of gevangen broers of zussen hebt omgezien,’ zegt Jezus tegen de verraste rechtvaardigen die zover helemaal niet gedacht hebben. Voor ons vandaag zegt dit verhaal dat Jezus dus in een verpleeghuis te vinden is — als een van de kwetsbare ouderen die onze zorg nodig hebben én die ons iets te geven en te leren hebben.

Als je zo naar ouderen kijkt en met hen bent — als mensen en dus niet als dor hout dat de beste tijd heeft gehad en waardeloos is voor de economie — kun je zuiverder en barmhartiger de afweging maken wanneer we ons vol moeten inzetten voor het leven (ook al vraagt dat offers) en wanneer we juist ruimte moeten maken voor het sterven (ook al doet dat pijn). En daarbij blijft de vraag van Jezus of we onze medemens in nood werkelijk zien en nabij komen sowieso staan.

De troost van de lente

Het gekwetter en gefluit van vogels in de Jordaan. Een tulp op punt van openbreken in een bloembak op de Noordermarkt. De zachtgroene blaadjes van de boom voor mijn raam. Stoepkrijtende en rennende kinderen in de straat. Allemaal tekens van de lente, de jongste en lichtste van de vier seizoenen.

Foto: Katya O. op Unsplash

Dit jaar is de lente anders. Bij het zonnige weerbericht van de komende week staat een covid-19-waarschuwing: ‘het is verleidelijk om met dit weer op pad te gaan, maar blijf thuis!’ Het lentelied dat we op de lagere school zo vaak zongen dat ik het nooit meer kan vergeten ‘Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal’ geldt niet voor dit corona-jaar. En Pasen wordt ook anders.

Het Paasfeest is hét feest van de lente. Ik kan er niets aan doen, maar voor mij is Jezus opgestaan op een stralende lentemorgen, in een tuin vol narcissen, tulpen en krokussen, terwijl de vogels Hem, de koning van het Leven, met een kwetterend ‘Halleluja’ begroetten. Als het op Pasen echt lente is, dan klopt het helemaal — en de weersverwachting zegt dat de kans groot is dat het dit jaar op Pasen ook echt lente is.

Je kunt dat zien als een wrede speling van het lot of een listige verleiding van een kwaadaardig virus. Mensen vechten voor het leven, zieken gaan dood, ouderen zitten eenzaam achter een raam, een gezin zit geïrriteerd opgesloten in een klein huis, je hangt in je eentje verveeld achter een scherm en dan verschijnt daar de lachende lente, die aan de andere kant van het raam je geniepig wenkt: ‘Kom naar buiten, proef het leven …’

Maar je kunt de lente dit jaar ook als een troost ervaren. Terwijl je met eenzame, donkere gedachten, met je handen in het haar of met verdriet en verlies in je hart binnen zit, gaat het leven toch verder met een nieuw begin. Terwijl je keihard vecht voor het overleven van de zieken, geeft het leven buiten je een steuntje in de rug. Terwijl wij in de crisis zitten en niet goed weten hoe het verder zal gaan, wordt het toch Pasen — een echt lentepasen nog wel — omdat Jezus ook in dit rotte corona-jaar leeft en altijd weer opstaat.

Bij het graf van Jan Koopmans

Langs lege grachten en door stille straten fietste ik vanmiddag naar begraafplaats Zorgvlied. Vandaag, 24 maart, is de sterfdag van één van mijn voorgangers in de Noorderkerk. Dominee Jan Koopmans overleed precies vijfenzeventig jaar geleden aan de gevolgen van een verdwaalde kogel van een Duits vuurpeloton dat in het Weteringplantsoen dertig willekeurige mensen doodschoot.

Onder een blauwe lentehemel lag Zorgvlied erbij als een oase van rust — bijna te vredig voor deze plek van de dood. Op een hoekje, onder een boom vond ik het graf van Koopmans. De strakke, sobere grafsteen met geen woord teveel ademt de geest van deze dominee-verzetsheld. Freek de Jonge schreef een pakkend lied over deze atypische held, ‘een calvinistische dominee nog wel’ die volgens hem maar gewoon deed wat hij als consequentie van zijn geloof moest doen: in naam van God zijn stem verheffen en opkomen voor zijn Joodse medemensen.

Juist die calvinistische soberheid ontroerde me vandaag, nu de corona-crisis ons leven grotendeels heeft stilgelegd en gestript tot op de basale vragen van dood en (samen)leven. Een crisis, zo heeft Koopmans in zijn tijd laten zien, vraagt niet om veel en grote woorden, maar om een sober, volhardend geloof en nuchtere, moedige daden. Door de corona-crisis zijn de geplande herdenkingen van Koopmans’ vijfenzeventigste sterfjaar afgeblazen. In zekere zin paste het dus ook wel bij Jan Koopmans dat ik vandaag in mijn eentje in de lentezon bij zijn calvinistische graf stond. Ik heb maar stil gebeden dat ik, die op dezelfde preekstoel als Koopmans mag staan, zijn geloof zal navolgen — ook in de crisis en de vragen van vandaag.

Gebed in tijden van Corona

Eeuwige God,
Nu ons leven is stilgevallen,
een virus zand in de machine heeft gestrooid,
een crisis de normale gang van zaken heeft verstoord,
keren we ons tot U en bidden:

in onze angst en onzekerheid, om vertrouwen,
in onze overlevingsdrang, om oog voor elkaar,
in ons zoeken naar veiligheid, om overgave,
in onze onmacht en kwetsbaarheid, om vrede.

Wij bidden U, barmhartige Vader, voor hen die ziek zijn
om bescherming, genezing en goede zorg.
Wij bidden U, voor hen die sterven
om uw genade en nabijheid.
Wij bidden U, voor hen die zorgen,
artsen, verpleegkundigen, verzorgenden,
om moed, kracht, volharding en zegen.
Wij bidden U, voor hen die besturen
om wijsheid, daadkracht en zegen.

Wij bidden U, heilige God, ook om de moed en openheid
om in deze crisis ons te laten storen en uw stem te horen
om in het stilgevallen leven tot inkeer en inzicht te komen
om oog te krijgen voor het lijden en onrecht in de wereld
om te beseffen wie we zijn en waar het op aan komt.

Bewaar ons, genadige Vader, in en door deze crisis heen,
en maak met ons een nieuw begin,
in de Naam van Jezus,
die ons uw oersterke liefde heeft geschonken —
door crisis, lijden en dood heen.
Amen

Afbeelding: Posters van Dr. Li Wenliang, oogarts in Wuhan, die waarschuwde voor de uitbraak van het corona-virus
Adli Wahid op Unsplash.