Kerk zonder vertrouwen

Het was even slikken. ‘We vertrouwen de politie het meest en de kerk het minst’, zo kopte de NOS deze week naar aanleiding van een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar het vertrouwen van de Nederlanders in elkaar en de samenleving. De politie krijgt het vertrouwen van bijna 75% van de Nederlanders, terwijl de kerk het moet doen met een magere 31%. De banken doen het zelfs 8% beter dan het instituut dat het woord vertrouwen in zijn geloofsbelijdenis heeft staan.

Noorder_tussenhuizen
De Noorderkerk gezien vanaf de Lindengracht

Deze cijfers zijn een serieuze realitycheck voor mij, die zoveel houdt van de kerk en merkt hoe waardevol en goed dat lichaam van Christus is, ondanks alle falen en onvolmaaktheid. Hoe kan het dat zo’n 70% van de Nederlanders de kerk niet vertrouwt? Ik weet natuurlijk dat de kerk niet populair is en dat slechts een minderheid van de Nederlanders met enige regelmaat een kerk van binnen ziet. Maar dat is nog iets anders dan het feit dat zo’n groot deel van de bevolking geen vertrouwen in de kerk heeft.

Ik schaam me diep voor dit grote gebrek aan vertrouwen van de mensen. Dat is een doodzonde voor een gemeenschap van wie de Stichter zei dat ze het licht in de wereld zou moeten zijn — transparant, eerlijk, goed en stralend onder de mensen. Het onderzoek heeft de mensen niet gevraagd naar de redenen voor hun gebrek aan vertrouwen. Daarnaar blijft het gissen. Regelmatig hoor ik echter dat mensen die onze monumentale Noorderkerk een keer van binnen willen bekijken, nauwelijks de drempel over durven stappen. Ze vragen zich af: Moet je geen lid zijn of tenminste gelovig, mag je wel zomaar naar binnen, hoe moet je je gedragen in een kerk? Zou het gebrek aan vertrouwen met deze schroom te maken hebben? Dat mensen het idee hebben dat de kerk een verheven en heilig genootschap is van een God die allerlei hoge morele en gelovige eisen stelt? Ja, als je dan uit het nieuws en/of eigen ervaring merkt dat het er in de praktijk van de kerk toch wat minder heilig en hoogstaand aan toegaat, dan wekt dat natuurlijk geen vertrouwen.

De Amerikaanse christen-activist Shane Claiborne gaat in zijn boek The Irresistible Revolution in op het gevaar dat gelovige, activistische en idealistische mensen en organisaties zodanig opgaan in hun eigen verheven zaak en gelijk, dat ze de mensen en hun noden vergeten. Als antwoord op dat gevaar zegt hij: ‘Ik denk dat onze wereld een wanhopige behoefte heeft aan minnaars (lovers), mensen die diepe, echte relaties bouwen met medeworstelaars onderweg en die de gezichten van de mensen kennen …’ Dat heeft de kerk nodig: dat we gewoon met liefde onder de mensen zijn, dat we een gemeenschap van lovers zijn, niet verheven boven en beter dan anderen, maar worstelend om de liefde van God — die als Lover onder de mensen is gekomen — te kennen en in de praktijk te brengen. En als ik het goed heb, is dat ook altijd de bedoeling geweest.

Citaat: Shane Claiborne, The Irresistible Revolution, Zondervan: Grand Rapids, 2006, blz. 295.

Kein Signal

De kerk waar ik gisteren op het Pinksterfeest voorging had een klein schermpje in de preekstoel. Op dat schermpje verschenen de teksten die ook op de muur werden geprojecteerd. Een vriendelijke arbo-maatregel om te voorkomen dat de dominee met omgedraaide en opgeheven nek zich een nekblessure zingt. Na een tijdje viel het beeld echter uit en verscheen in vierkante rode letters het bericht ‘Kein Signal’ (geen signaal).

KeinSignal.001Na nog één lied zou ik beginnen aan de pinksterpreek met de titel ‘De Geest spreekt alle talen’. Was dit een signaal van de Pinkstergeest, die op het feest van het talenwonder natuurlijk zonder problemen in het Duits kon communiceren? Als dat zo was, dan was het een onrustbarend en schrikwekkend signaal, namelijk dat de verbinding verbroken was en de Geest niet van zich zou laten horen. Dat was een harde mededeling op Pinksteren, waarop we de komst van de Geest van God in vuur, wind en talen vierden. Ik kon preken als Brugman en we konden het ‘Kom Heilige Geest’ als een eeuwig refrein blijven zingen, maar de Geest zou geen signaal geven.

De hele dag raakte ik die rode lettertjes niet meer kwijt. Ze bleven haken bij de ervaring van geesteloosheid en leegheid. Ze vonden gemakkelijk een plekje in schuldgevoelens en onzekerheid, die de oorzaak konden zijn van de verbroken verbinding. Ze wreven de boodschap van geestrijke broeders en zusters er nog eens in, dat ik, traditionele gelovige, wel wat meer van de Geest kon gebruiken.

Bij al dat getob, troostte ik mezelf met de gedachte dat ‘Kein Signal’ tenminste nog een signaal was. De Geest had de moeite genomen om mij te melden dat er geen verbinding was. Aan die schrale troost houd ik me dan maar vast. Er is ‘geen leven, dan waar Gij het wekt / in een gemis dat naar U schreit’ zo dichtte Ad den Besten in het Pinksterlied ‘Kom, Heilige Geest, Gij vogel Gods’ (Liedboek 680). De duif van God had in die twee rode Duitse woorden dat gemis weer tot leven gewekt. En — dat geloof ik vast — ook missen, verlangen en zoeken zijn onmiskenbare signalen van het leven dat de Geest wekt.

Ik maak het niet mooier dan het is: ik ben natuurlijk een armzalige Pinkstergelovige. In plaats van miezerig te zitten missen zou ik veel liever in vuur en vlam staan en in alle talen van de wereld over de overvloed Gods spreken. Maar ik geef niet op en bid en wacht op het signaal.

Hoop

Het is weer Pasen. Pasen is het feest van de hoop — van een onbegrensde en alles uitdagende hoop, omdat er een leeg graf is gevonden en Jezus, die gekruisigd en afgedankt was, is opgestaan uit de dood.

Kleinemeisjevandehoop
Foto: Sunshine girl, Melissa Stein

Elk jaar wakkert het vieren van de opstanding van Christus de hoop in mij weer aan. Dat is wel nodig ook, want hoop is een klein en kwetsbaar ding. De hoop kruipt in haar schulp als ze geconfronteerd wordt met dingen die maar niet willen veranderen. Ze verschrompelt als ze hoort dat de oorlog in Syrië al zeven jaar voortduurt. Ze wordt een kopje kleiner gemaakt als de dood onverbiddelijk het leven breekt. Ze dooft langzaam uit als er teveel onverschilligheid in de lucht hangt. Ze kwijnt weg in een wereld die alle kaarten op zekerheid en het hier en nu zet. Ze heeft het niet gemakkelijk, de hoop.

In een gedicht ziet de Fransman Charles Péguy (zelf gestorven in 1914 in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog) de hoop als een klein meisje dat tussen haar beide grote zussen geloof en liefde onopvallend over de weg wandelt. Het is een mooi beeld: een klein meisje — nog niet bezwaard door het leven, nog voordat het grote lijden van de pubertijd begint, nog lichtvoetig, speels en zichzelf vergetend. Ze is klein en kwetsbaar, ze wordt snel over het hoofd gezien. ‘De mensen, het hele christenvolk, kijken steeds naar de twee grote zussen’ geloof en liefde … ‘Ze zien ternauwernood de kleine zus, die in het midden loopt’, aldus Péguy.

Maar ze is taai, verbazingwekkend taai. ‘Ik sta er zelf versteld van’, zo laat Péguy God zeggen over dat kleine meisje dat Hij in zijn goedheid aan de mensen geeft en dat steeds weer opduikt om ons voor wanhoop en cynisme te behoeden. Op Pasen duikt ze ook weer op — uit de dood, tegen alle verwachting in, in verschijningen van de Opgestane die we niet kunnen vastpakken of vasthouden. Ze blijft het kleine meisje van de hoop, dat zelfs op haar feest niet opvalt tussen de legers paashazen, de miljoenen kilo’s chocolade paaseieren, de duizenden gele narcissen en het eindeloze ‘Halleluja’ dat vandaag door kerken schalt. Maar juist klein en simpel piept ze door de scheuren van ons leven, verschijnt ze waar er weinig meer te hopen en te verwachten valt en wijst ze lachend met haar kleine vingertje naar dat graf dat leeg is.

Een hoopvol Paasfeest gewenst!

 

Margriet van de Kooi schreef een mooi boekje over de hoop, geïnspireerd op het gedicht van Charles Péguy over het  kleine meisje van de hoop: Het kleine meisje van de hoop: Nieuwe gesprekken over God en ons (Boekencentrum, 2016).

Heilzame onrust

Vorige week zondag viel tijdens het zingen in de kerk mijn oog op een gebed dat stond afgedrukt in het liedboek waaruit we zongen.
‘Laat niet toe dat wij leven
alsof wij niets meer te verwachten hebben.
Wek in ons de heilzame onrust
omwille van het uur waarop uw Zoon zal wederkomen,
Jezus Christus, onze Heer.’

restless
Foto: Restless, stttijn 

Het was de ‘heilzame onrust’ die me raakte. Al veel langer is dat zo. Een bijbeltekst, een lied of een verhaal dat over onrust gaat of me onrustig maakt, weet me vaak te pakken. Weer gebeurde het. Tijdens een weekend om er even tussenuit te zijn en rust te vinden, in een Zeeuwse dorpskerk waar de zondagse dienst braaf voortkabbelde, trof de engel van de onrust opnieuw mijn hart.

Ik weet niet goed waar die ontvankelijkheid voor onrust vandaan komt. Is het de rebelse tiener die af en toe nog even zijn gezicht laat zien? Of het onrustige verlangen naar God, dat in dit leven nooit langer dan een paar minuten gestild wordt? Of het latente gevoel van onbehagen dat er zoveel blijvend mis is in de wereld, waardoor je niet mag rusten? Of het diepgewortelde idee dat je altijd in beweging moet blijven en rust roest? Al deze factoren zullen wel meespelen dat onrust snel bij mij blijft haken.

Aan de andere kant verlang ik naar rust en stilte. En ook daarin ben ik niet de enige. Stilte, onthaasting en rust zijn kostbare goederen geworden, waar veel mensen in de drukte van de ratrace en de onophoudelijke prikkels van onze communicatie naar zoeken. Ook mijn geloof geeft rust. ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid en belast door het leven gaan en Ik zal je rust geven,’ belooft Jezus in een van de mooiste teksten uit het evangelie. (Mattheüs 11:28) Die rust ervaar ik ook in de zondagse kerkdienst, in de stilte van het bidden en als je iemand in alle rust ontmoet.

Maar — wonderlijk genoeg — komt in die rust en stilte vaak toch weer de onrust boven. En dat is heilzaam, zegt het gebed. Er is heilloze onrust, die je als een kip zonder kop doet rondrennen en nergens brengt. Maar onrust kan ook heilzaam zijn: dat je verwachting krijgt en los wordt getrokken uit de onverschilligheid en de onzalige en oppervlakkige rust van een comfortabel en verwend leventje. Dat gaat niet vanzelf is mijn ervaring. Steeds weer moet ik wakker gemaakt worden — door de onrust dat het zo niet langer kan, door het rusteloze verlangen naar God en ook doordat er iets te verwachten is. Laat ons niet leven, zegt het gebed, alsof we niets te verwachten hebben. Ja, je kunt leven alsof er niets meer te verwachten is. Dat kan op allerlei manieren — tevreden, apathisch, krampachtig of druk. Maar er is een uur waarvan zoveel te verwachten is, dat je er heilzaam onrustig van wordt of zou moeten worden.

Stilte

Tijdens een leerhuis deze week over biddend bijbellezen, geleid door dr. Jos Douma, waren we een kwartier stil, mediterend over een bijbeltekst. Het was een wonderlijke ervaring om in een zaaltje van onze kerk, waar bijna altijd woorden klinken, gewoon stil te zijn.

silence
Foto: freeside, Silence

Als dominee ben je weinig stil — je spreekt, je vraagt, je antwoordt, je preekt, je bidt, je leest, je schrijft. Eigenlijk ben je altijd met woorden in de weer. Dat kwartiertje stilte deze week deed me niet alleen goed, het stelde me ook de kritische vraag naar de inflatie van het woord. Doet de veelheid van mijn woorden de waarde en de zuiverheid ervan niet afnemen? Dat geldt voor onze samenleving waarin continue wordt gesproken, gedebatteerd, gechat, geappt, gebabbeld, gebeld, maar ook voor mij. Ben ik niet teveel een woordenkramer, een babbelaar over God en geloof, een goedbedoelende, maar oppervlakkige prater? De bijbelse Prediker waarschuwt dat je in de aanwezigheid van God niet teveel moet praten — ‘wees spaarzaam met je woorden’ (Prediker 5:1). Als ik eerlijk ben: aan die waarschuwing laat ik me als professional van het woord weinig gelegen liggen.

Om me wat op deze vraag te bezinnen, vond ik een boek over de woestijnvaders, de monniken die vanaf het jaar 300 de woestijn van Egypte introkken om onder andere stilte te zoeken en zwijgen te leren. Ik las over een zekere Pambo (303-374 AD), die zich 18 jaar in de stilte terugtrekt om te leren zijn tong zuiver te gebruiken en ook om nuchter het ‘geen woorden, maar daden’ in de praktijk te brengen. Ook als hij terugkeert uit zijn zelfgekozen stilte, spreekt hij niet veel. Maar de woorden die hij spreekt, zijn vol van wijsheid en zegen. ‘De waarde van woorden wordt zichtbaar in de stilte’ is het motto dat in het boek bij Pambo staat. Ik neem me opnieuw voor om de stilte te zoeken, eerst te zwijgen, het babbelen en praten af te leren — juist uit respect voor het woord en uit verlangen om woorden te horen en te spreken die waardevol zijn. Ik word stil.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Paddington-traan

paddington2Vandaag ben ik naar de film geweest met twee dochters en twee nichtjes. Ze hadden Paddington 2 gekozen. Het was heerlijk om op een stormachtige middag in de kerstvakantie naar een grappige en avontuurlijke film, met in de hoofdrol een hartveroverend schattig beertje, te kijken. En toen gebeurde er helemaal aan het einde van de film nog iets verrassend. Na een heel avontuur vol grappige, spannende en ontroerende momenten, rolde er tot mijn eigen verbazing een klein traantje over mijn gezicht.

De ontknoping van de film is een voorspelbaar en licht sentimenteel happy end, waar hedendaagse familiefilms in grossieren. En toch pakte het mij. Ik schaam mij niet zo snel voor tranen, ook niet als ze komen tijdens een film. Maar nu leek de traan ongepast, omdat ik naar een voorspelbare feelgood animatiefilm zat te kijken (en niet naar een diepzinnig en ernstig epos als de Lord of the Rings of een film die je meeneemt in het pijnlijke drama van het leven).

Ik zag een gang vol met gelukkige mensen die vol verwachting naar de voordeur staan te kijken. Er is zojuist aangebeld en Paddington loopt ongelovig naar de deur voor de ontmoeting waardoor alle avonturen, angsten en kleerscheuren van de afgelopen anderhalf uur het waard zijn geweest en waarin alles wat goed en mooi is tot een goed einde komt. En dat riep een traan tevoorschijn.

Wat was dit voor traan? Waarom huil je bij het zien van iets dat goed en mooi is? Zegt die Paddington-traan iets over mijn verlangen dat het goede het in the end wint en dat het leven en de liefde toch sterker zijn dan de leugen en het kwade? En is deze traan een teken van God? De Amerikaanse schrijver Frederick Buechner zegt dat je heel opmerkzaam moet zijn op je tranen, vooral als ze onverwachts komen. ‘Ze vertellen je niet alleen iets over het geheim van wie jij bent, maar vaker wel dan niet spreekt God door hen tot je over het geheim waar je vandaan komt en roept Hij je naar waar je, wil je ziel gered worden, nu naartoe zal moeten gaan.’

Een traan als stem van God, die zegt dat we van het geheim van goedheid en liefde vandaan komen en we — als we onze ziel en ons leven willen redden — naar die goedheid en liefde moeten terugkeren en daarin dieper en verder moeten gaan. Het was nog niet bij mij opgekomen dat zo’n schattig beertje zoiets kon zeggen.

Citaat: Frederick Buechner, Whistling in the dark (Harper, San Francisco) blz. 117.

Schudden met de Bijbel

De laatste jaren mag de Bijbel zich verheugen in toenemende belangstelling van ongelovigen. Guus Kuijer is al toe aan zijn zesde deel van de succesvolle reeks hervertellingen van het Oude Testament onder de naam ‘De Bijbel voor ongelovigen’ en zelfs Dimitri Verhulst waagde zich aan een bijbelvertelling met ‘Bloedboek’. Ook in het theater staat de Bijbel regelmatig in de spotlights. Deze aandacht voor het woord van God in zogenaamd goddeloze tijden laat zien hoezeer de Bijbel een klassieker van de Westerse cultuur en een oerboek van de menselijke ziel is.

skagenOndanks deze culturele belangstelling komt de Bijbel in de vele publieke discussies en gesprekken over religie en geloven vandaag weinig aan het woord. Dat viel me op toen ik een tijd terug de voorstelling ‘Uw rijk kome’ van theatergezelschap SKaGeN bezocht — een stuk waarin een kardinaal en atheïstische officier van justitie een breedsprakig gevecht voeren over God en godsdienst (en met zichzelf). Hoewel de titel van het stuk met een citaat uit het Onze Vader een bijbelse verwachting schept, kreeg de Bijbel zelf weinig ruimte. Grote ethische thema’s als homoseksualiteit en euthanasie en de maatschappelijke aandacht voor de islam domineerden het toneel en de discussie. Zoals dat meestal gaat in het publieke debat vandaag.

Er was echter een moment dat de Bijbel even het verbale geweld onderbrak toen de kardinaal zijn Bijbel nam en begon te ‘schudden met de Bijbel’. Het was een variant op het raadplegen van een orakel, waarbij mensen uit bijgeloof of grote nood een goddelijke boodschap zoeken in een bijbeltekst die wordt getrokken of toevallig geprikt. De kardinaal schudde de Bijbel boven zijn hoofd, liet het boek op een willekeurige plaats openvallen en vond een paar woorden uit het laatste bijbelboek Openbaring: ‘Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.’ (3,20)

Deze woorden hadden een verrassende uitwerking. Ze braken het debat van de grote woorden en scherpe stellingen open door een laag dieper te gaan — naar het hart, de ziel, de existentiële laag of hoe je dat ook noemt. Dit humoristische en tegelijk zo knappe bijbelse uitstapje in het toneelstuk was voor mij een mooi voorbeeld van hoe de Bijbel een stem kan zijn die kritisch en troostend tussenbeide komt. Opeens voegde zich een derde stem in het gesprek die voorzichtig de vinger legde bij de dingen die deze twee rationeel argumenterende heren over het hoofd zagen of niet durfden benoemen: hun overdadig consumeren en verspillen van voedsel, zonder dat ze samen de maaltijd hielden, en hun verleden en eenzaamheid die tijdens het debat (ook letterlijk) aan de deur klopten. Hier dook in een uitnodigende bijbelse vraag om binnen te mogen komen een ander op, die deze twee personages (en ons allemaal) in onze kwetsbaarheid en worsteling als mens aansprak.

De Bijbel is blijkbaar meer dan alleen een klassiek boek van onze cultuur en het geloofsboek van de christelijke gelovigen. Het is ook een existentieel boek met woorden die zoeken om binnen te komen, onder de oppervlakte en de buitenkant naar wie je als mens bent, echt en kwetsbaar. Dat lijkt me een verbindende kracht van dit heilige boek. Mensen — wie ze ook zijn — aanspreken om de deur van hun bestaan en hun ziel open te doen. Zoals een goed boek en een rake film dat ook doen. De Bijbel wordt in de praktijk vaak ervaren als een boek dat scheiding brengt tussen mensen en eerder conflict en tegenspraak dan verbinding tot gevolg heeft. Maar het kan dus ook anders, als woorden van dit boek mensen aanspreken als mens. Zulke woorden heeft dit boek genoeg: verhalen, gedichten, geboden en verhandelingen die de vinger leggen bij onze kwetsbaarheid voor het kwaad, de dood en de leegte en ons troosten en oproepen tot een even kwetsbaar leven van goedheid en overgave. Even schudden aan dit boek is genoeg.

Boze burger bij de brug

Ik ben eindelijk een boze burger tegengekomen! In levende lijve stond hij (het was een mannelijke boze burger) samen met mij te wachten voor de Willemsbrug, die traag open ging. Ik kende de boze burger van het internet, waar hij frustratie en boosheid spuwt en scheldt, en ook van horen zeggen in de analyses van de samenleving. Maar nu zag ik dat geheimzinnige, bijna mythische wezen met eigen ogen op een grijze Amsterdamse morgen.

WillemsbrugHij zag er heel gewoon uit met een spijkerbroek en donkere jas aan. Net als ik stond hij op de fiets te wachten voor de open brug. Pas toen hij zachte, maar hoorbare geluiden van ongeduld begon te maken, herkende ik hem. De brug stond al een tijdje open en er kwam maar geen schip aan varen. Waarom stonden wij dan hier te wachten voor een open brug? Er verscheen een bootje van een of andere havendienst, maar dat was zo klein dat het gemakkelijk onder de brug door kon. De boze burger maakte meer en iets luidere geluiden van ongenoegen en het leek erop dat hij een gesprek met de andere slachtoffers zou beginnen. Ik verwachte een boze stem die op gefrustreerde toon lotgenoten zou zoeken. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiele telefoon en begon een filmopname te maken: langzaam draaide hij zijn telefoon van links via de open brug naar rechts, waar het havenbootje nog steeds stil lag te niksen. Op het moment dat hij zijn telefoon opborg, begon het brugdek weer te zakken.

De kans is groot dat de boze burger, aangekomen op zijn werk of thuis, het filmpje via sociale media heeft gedeeld met de boze en cynische opmerking: ‘Lekker wachten voor een boot die niet komt. #tijdgenoegzeker #tijdvooreenbrilbrugwachter.’ Of misschien heeft hij het ook naar de klantendienst van Waternet, dat de bruggen beheert, gestuurd met de vraag om uitleg en schadevergoeding.

Al kijkend naar de boze burger voelde ik overigens dezelfde emoties. Ik was op weg naar een vergadering en had haast, omdat ik te laat was vertrokken. Ongeduldig stond ik te wachten voor die open brug. En het uitblijven van een boot, maakte mij ook boos. Waarom sta ik hier voor niets te wachten? Ik heb wel wat beters te doen dan naar een brugdek en leeg water te kijken.

Achteraf denk ik: de boze burger en ik kunnen wel wat geduld gebruiken. En daarbij een beetje meer mildheid, humor en genade. En misschien zouden we elkaar dan een knipoog geven, goedemorgen wensen of een gesprekje beginnen over de teksten die op de onderkant van het brugdek staan. ‘Wat weten we van elkaar?’ staat er onder andere. Dat zou een leuk gesprek kunnen worden …

Afscheid van een burgervader

Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

Herdenkingsdienst Eberhard van der LaanDat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent.

Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen.

Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.