Hoop

Het is weer Pasen. Pasen is het feest van de hoop — van een onbegrensde en alles uitdagende hoop, omdat er een leeg graf is gevonden en Jezus, die gekruisigd en afgedankt was, is opgestaan uit de dood.

Kleinemeisjevandehoop
Foto: Sunshine girl, Melissa Stein

Elk jaar wakkert het vieren van de opstanding van Christus de hoop in mij weer aan. Dat is wel nodig ook, want hoop is een klein en kwetsbaar ding. De hoop kruipt in haar schulp als ze geconfronteerd wordt met dingen die maar niet willen veranderen. Ze verschrompelt als ze hoort dat de oorlog in Syrië al zeven jaar voortduurt. Ze wordt een kopje kleiner gemaakt als de dood onverbiddelijk het leven breekt. Ze dooft langzaam uit als er teveel onverschilligheid in de lucht hangt. Ze kwijnt weg in een wereld die alle kaarten op zekerheid en het hier en nu zet. Ze heeft het niet gemakkelijk, de hoop.

In een gedicht ziet de Fransman Charles Péguy (zelf gestorven in 1914 in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog) de hoop als een klein meisje dat tussen haar beide grote zussen geloof en liefde onopvallend over de weg wandelt. Het is een mooi beeld: een klein meisje — nog niet bezwaard door het leven, nog voordat het grote lijden van de pubertijd begint, nog lichtvoetig, speels en zichzelf vergetend. Ze is klein en kwetsbaar, ze wordt snel over het hoofd gezien. ‘De mensen, het hele christenvolk, kijken steeds naar de twee grote zussen’ geloof en liefde … ‘Ze zien ternauwernood de kleine zus, die in het midden loopt’, aldus Péguy.

Maar ze is taai, verbazingwekkend taai. ‘Ik sta er zelf versteld van’, zo laat Péguy God zeggen over dat kleine meisje dat Hij in zijn goedheid aan de mensen geeft en dat steeds weer opduikt om ons voor wanhoop en cynisme te behoeden. Op Pasen duikt ze ook weer op — uit de dood, tegen alle verwachting in, in verschijningen van de Opgestane die we niet kunnen vastpakken of vasthouden. Ze blijft het kleine meisje van de hoop, dat zelfs op haar feest niet opvalt tussen de legers paashazen, de miljoenen kilo’s chocolade paaseieren, de duizenden gele narcissen en het eindeloze ‘Halleluja’ dat vandaag door kerken schalt. Maar juist klein en simpel piept ze door de scheuren van ons leven, verschijnt ze waar er weinig meer te hopen en te verwachten valt en wijst ze lachend met haar kleine vingertje naar dat graf dat leeg is.

Een hoopvol Paasfeest gewenst!

 

Margriet van de Kooi schreef een mooi boekje over de hoop, geïnspireerd op het gedicht van Charles Péguy over het  kleine meisje van de hoop: Het kleine meisje van de hoop: Nieuwe gesprekken over God en ons (Boekencentrum, 2016).

Heilzame onrust

Vorige week zondag viel tijdens het zingen in de kerk mijn oog op een gebed dat stond afgedrukt in het liedboek waaruit we zongen.
‘Laat niet toe dat wij leven
alsof wij niets meer te verwachten hebben.
Wek in ons de heilzame onrust
omwille van het uur waarop uw Zoon zal wederkomen,
Jezus Christus, onze Heer.’

restless
Foto: Restless, stttijn 

Het was de ‘heilzame onrust’ die me raakte. Al veel langer is dat zo. Een bijbeltekst, een lied of een verhaal dat over onrust gaat of me onrustig maakt, weet me vaak te pakken. Weer gebeurde het. Tijdens een weekend om er even tussenuit te zijn en rust te vinden, in een Zeeuwse dorpskerk waar de zondagse dienst braaf voortkabbelde, trof de engel van de onrust opnieuw mijn hart.

Ik weet niet goed waar die ontvankelijkheid voor onrust vandaan komt. Is het de rebelse tiener die af en toe nog even zijn gezicht laat zien? Of het onrustige verlangen naar God, dat in dit leven nooit langer dan een paar minuten gestild wordt? Of het latente gevoel van onbehagen dat er zoveel blijvend mis is in de wereld, waardoor je niet mag rusten? Of het diepgewortelde idee dat je altijd in beweging moet blijven en rust roest? Al deze factoren zullen wel meespelen dat onrust snel bij mij blijft haken.

Aan de andere kant verlang ik naar rust en stilte. En ook daarin ben ik niet de enige. Stilte, onthaasting en rust zijn kostbare goederen geworden, waar veel mensen in de drukte van de ratrace en de onophoudelijke prikkels van onze communicatie naar zoeken. Ook mijn geloof geeft rust. ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid en belast door het leven gaan en Ik zal je rust geven,’ belooft Jezus in een van de mooiste teksten uit het evangelie. (Mattheüs 11:28) Die rust ervaar ik ook in de zondagse kerkdienst, in de stilte van het bidden en als je iemand in alle rust ontmoet.

Maar — wonderlijk genoeg — komt in die rust en stilte vaak toch weer de onrust boven. En dat is heilzaam, zegt het gebed. Er is heilloze onrust, die je als een kip zonder kop doet rondrennen en nergens brengt. Maar onrust kan ook heilzaam zijn: dat je verwachting krijgt en los wordt getrokken uit de onverschilligheid en de onzalige en oppervlakkige rust van een comfortabel en verwend leventje. Dat gaat niet vanzelf is mijn ervaring. Steeds weer moet ik wakker gemaakt worden — door de onrust dat het zo niet langer kan, door het rusteloze verlangen naar God en ook doordat er iets te verwachten is. Laat ons niet leven, zegt het gebed, alsof we niets te verwachten hebben. Ja, je kunt leven alsof er niets meer te verwachten is. Dat kan op allerlei manieren — tevreden, apathisch, krampachtig of druk. Maar er is een uur waarvan zoveel te verwachten is, dat je er heilzaam onrustig van wordt of zou moeten worden.

Stilte

Tijdens een leerhuis deze week over biddend bijbellezen, geleid door dr. Jos Douma, waren we een kwartier stil, mediterend over een bijbeltekst. Het was een wonderlijke ervaring om in een zaaltje van onze kerk, waar bijna altijd woorden klinken, gewoon stil te zijn.

silence
Foto: freeside, Silence

Als dominee ben je weinig stil — je spreekt, je vraagt, je antwoordt, je preekt, je bidt, je leest, je schrijft. Eigenlijk ben je altijd met woorden in de weer. Dat kwartiertje stilte deze week deed me niet alleen goed, het stelde me ook de kritische vraag naar de inflatie van het woord. Doet de veelheid van mijn woorden de waarde en de zuiverheid ervan niet afnemen? Dat geldt voor onze samenleving waarin continue wordt gesproken, gedebatteerd, gechat, geappt, gebabbeld, gebeld, maar ook voor mij. Ben ik niet teveel een woordenkramer, een babbelaar over God en geloof, een goedbedoelende, maar oppervlakkige prater? De bijbelse Prediker waarschuwt dat je in de aanwezigheid van God niet teveel moet praten — ‘wees spaarzaam met je woorden’ (Prediker 5:1). Als ik eerlijk ben: aan die waarschuwing laat ik me als professional van het woord weinig gelegen liggen.

Om me wat op deze vraag te bezinnen, vond ik een boek over de woestijnvaders, de monniken die vanaf het jaar 300 de woestijn van Egypte introkken om onder andere stilte te zoeken en zwijgen te leren. Ik las over een zekere Pambo (303-374 AD), die zich 18 jaar in de stilte terugtrekt om te leren zijn tong zuiver te gebruiken en ook om nuchter het ‘geen woorden, maar daden’ in de praktijk te brengen. Ook als hij terugkeert uit zijn zelfgekozen stilte, spreekt hij niet veel. Maar de woorden die hij spreekt, zijn vol van wijsheid en zegen. ‘De waarde van woorden wordt zichtbaar in de stilte’ is het motto dat in het boek bij Pambo staat. Ik neem me opnieuw voor om de stilte te zoeken, eerst te zwijgen, het babbelen en praten af te leren — juist uit respect voor het woord en uit verlangen om woorden te horen en te spreken die waardevol zijn. Ik word stil.

Een dingetje

ItchIk las een nieuwsbericht over ‘jeukwoorden‘ in de communicatiesector. Ook in die wereld gebruikt men woorden waar je als normaal mens jeuk van krijgt: jargon dat hip of interessant klinkt, zonder dat het een andere betekenis heeft dan het gewone Nederlandse woord. De communicatiespecialist spreekt van ‘transitie’ of ‘innovatie’, terwijl het gewoon over ‘verandering’ gaat. ‘Co-creatie’ is een lelijk anglicisme voor het woord ‘samenwerking’, waar helemaal niks mis mee is.

Ik zou best wel een lijst met kerkelijke jeukwoorden willen samenstellen. Enkele Vlaamse evangelischen maakten op Facebook een lijst met ‘ergernissen in het evangelisch woordgebruik‘ met op nummer 1 het dubbelzinnige ‘gemeenschap hebben’. Ik houd me aanbevolen voor protestantse jeukwoorden.

Door het artikel moest ik ook weer denken aan het Amsterdamse woord dat bij mij enige jeuk veroorzaakt. Dat woord is: ‘een dingetje.’ Is er een verdraaid lastig probleem, zegt iemand: ‘Ja, dat is wel effe een dingetje.’ Gaat het over een zonde die altijd maar weer de kop op steekt: ‘Dat blijft een dingetje.’ Blijkt de Noord-Zuid-lijn wat duurder te zijn uitgevallen: ‘Wel een dingetje.’ Sta je voor een zware operatie: ‘Dat is niet niks, dat is wel een dingetje.’

Dit jeukwoord doet precies het omgekeerde van overdrijven: het maakt van de olifant een mug. Grote problemen en zaken die je niet zomaar opgelost krijgt, verklein je zo tot een dingetje dat je natuurlijk wel aankan. Of het probleem dan ook echt kleiner wordt en je het gemakkelijker kan aanpakken, weet ik niet. Daarvoor heb ik nog te weinig Amsterdamse ervaring.

Het woord jeukt in de eerste plaats omdat het een verarming van onze taal is: in plaats van problemen, kwesties, moeilijkheden, raadsels, worstelingen, vraagstukken enzovoort is er het one size fits all ‘dingetje’. Ook loop je door het gebruik van dit relativerende woord de kans om de realiteit te onderschatten of te verbloemen. Ach ja, wat stelt het voor? Bovendien suggereer je dat je het wel even kan fiksen, die dingetjes.

Mijn voorstel zou zijn om het dingetje achterwege te laten. En als je toch graag iets ‘dingerigs’ wil zeggen, is gewoon ‘ding’ ook een optie. Bijbels gezien stap je dan over van de menselijke naar de goddelijke mogelijkheden: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk,’ zei Jezus ooit over rijken die het koninkrijk van God binnen moeten (Markus 10:23). Ja, dat is ook wel een dingetje, pardon … ding.

Paddington-traan

paddington2Vandaag ben ik naar de film geweest met twee dochters en twee nichtjes. Ze hadden Paddington 2 gekozen. Het was heerlijk om op een stormachtige middag in de kerstvakantie naar een grappige en avontuurlijke film, met in de hoofdrol een hartveroverend schattig beertje, te kijken. En toen gebeurde er helemaal aan het einde van de film nog iets verrassend. Na een heel avontuur vol grappige, spannende en ontroerende momenten, rolde er tot mijn eigen verbazing een klein traantje over mijn gezicht.

De ontknoping van de film is een voorspelbaar en licht sentimenteel happy end, waar hedendaagse familiefilms in grossieren. En toch pakte het mij. Ik schaam mij niet zo snel voor tranen, ook niet als ze komen tijdens een film. Maar nu leek de traan ongepast, omdat ik naar een voorspelbare feelgood animatiefilm zat te kijken (en niet naar een diepzinnig en ernstig epos als de Lord of the Rings of een film die je meeneemt in het pijnlijke drama van het leven).

Ik zag een gang vol met gelukkige mensen die vol verwachting naar de voordeur staan te kijken. Er is zojuist aangebeld en Paddington loopt ongelovig naar de deur voor de ontmoeting waardoor alle avonturen, angsten en kleerscheuren van de afgelopen anderhalf uur het waard zijn geweest en waarin alles wat goed en mooi is tot een goed einde komt. En dat riep een traan tevoorschijn.

Wat was dit voor traan? Waarom huil je bij het zien van iets dat goed en mooi is? Zegt die Paddington-traan iets over mijn verlangen dat het goede het in the end wint en dat het leven en de liefde toch sterker zijn dan de leugen en het kwade? En is deze traan een teken van God? De Amerikaanse schrijver Frederick Buechner zegt dat je heel opmerkzaam moet zijn op je tranen, vooral als ze onverwachts komen. ‘Ze vertellen je niet alleen iets over het geheim van wie jij bent, maar vaker wel dan niet spreekt God door hen tot je over het geheim waar je vandaan komt en roept Hij je naar waar je, wil je ziel gered worden, nu naartoe zal moeten gaan.’

Een traan als stem van God, die zegt dat we van het geheim van goedheid en liefde vandaan komen en we — als we onze ziel en ons leven willen redden — naar die goedheid en liefde moeten terugkeren en daarin dieper en verder moeten gaan. Het was nog niet bij mij opgekomen dat zo’n schattig beertje zoiets kon zeggen.

Citaat: Frederick Buechner, Whistling in the dark (Harper, San Francisco) blz. 117.

Schudden met de Bijbel

De laatste jaren mag de Bijbel zich verheugen in toenemende belangstelling van ongelovigen. Guus Kuijer is al toe aan zijn zesde deel van de succesvolle reeks hervertellingen van het Oude Testament onder de naam ‘De Bijbel voor ongelovigen’ en zelfs Dimitri Verhulst waagde zich aan een bijbelvertelling met ‘Bloedboek’. Ook in het theater staat de Bijbel regelmatig in de spotlights. Deze aandacht voor het woord van God in zogenaamd goddeloze tijden laat zien hoezeer de Bijbel een klassieker van de Westerse cultuur en een oerboek van de menselijke ziel is.

skagenOndanks deze culturele belangstelling komt de Bijbel in de vele publieke discussies en gesprekken over religie en geloven vandaag weinig aan het woord. Dat viel me op toen ik een tijd terug de voorstelling ‘Uw rijk kome’ van theatergezelschap SKaGeN bezocht — een stuk waarin een kardinaal en atheïstische officier van justitie een breedsprakig gevecht voeren over God en godsdienst (en met zichzelf). Hoewel de titel van het stuk met een citaat uit het Onze Vader een bijbelse verwachting schept, kreeg de Bijbel zelf weinig ruimte. Grote ethische thema’s als homoseksualiteit en euthanasie en de maatschappelijke aandacht voor de islam domineerden het toneel en de discussie. Zoals dat meestal gaat in het publieke debat vandaag.

Er was echter een moment dat de Bijbel even het verbale geweld onderbrak toen de kardinaal zijn Bijbel nam en begon te ‘schudden met de Bijbel’. Het was een variant op het raadplegen van een orakel, waarbij mensen uit bijgeloof of grote nood een goddelijke boodschap zoeken in een bijbeltekst die wordt getrokken of toevallig geprikt. De kardinaal schudde de Bijbel boven zijn hoofd, liet het boek op een willekeurige plaats openvallen en vond een paar woorden uit het laatste bijbelboek Openbaring: ‘Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.’ (3,20)

Deze woorden hadden een verrassende uitwerking. Ze braken het debat van de grote woorden en scherpe stellingen open door een laag dieper te gaan — naar het hart, de ziel, de existentiële laag of hoe je dat ook noemt. Dit humoristische en tegelijk zo knappe bijbelse uitstapje in het toneelstuk was voor mij een mooi voorbeeld van hoe de Bijbel een stem kan zijn die kritisch en troostend tussenbeide komt. Opeens voegde zich een derde stem in het gesprek die voorzichtig de vinger legde bij de dingen die deze twee rationeel argumenterende heren over het hoofd zagen of niet durfden benoemen: hun overdadig consumeren en verspillen van voedsel, zonder dat ze samen de maaltijd hielden, en hun verleden en eenzaamheid die tijdens het debat (ook letterlijk) aan de deur klopten. Hier dook in een uitnodigende bijbelse vraag om binnen te mogen komen een ander op, die deze twee personages (en ons allemaal) in onze kwetsbaarheid en worsteling als mens aansprak.

De Bijbel is blijkbaar meer dan alleen een klassiek boek van onze cultuur en het geloofsboek van de christelijke gelovigen. Het is ook existentieel boek met woorden die zoeken om binnen te komen, onder de oppervlakte en de buitenkant naar wie je als mens bent, echt en kwetsbaar. Dat lijkt me een verbindende kracht van dit heilige boek. Mensen — wie ze ook zijn — aanspreken om de deur van hun bestaan en hun ziel open te doen. Zoals een goed boek en een rake film dat ook doen. De Bijbel wordt in de praktijk vaak ervaren als een boek dat scheiding brengt tussen mensen en eerder conflict en tegenspraak dan verbinding tot gevolg heeft. Maar het kan dus ook anders, als woorden van dit boek mensen aanspreken als mens. Zulke woorden heeft dit boek genoeg: verhalen, gedichten, geboden en verhandelingen die de vinger leggen bij onze kwetsbaarheid voor het kwaad, de dood en de leegte en ons troosten en oproepen tot een even kwetsbaar leven van goedheid en overgave. Even schudden aan dit boek is genoeg.

Boze burger bij de brug

Ik ben eindelijk een boze burger tegengekomen! In levende lijve stond hij (het was een mannelijke boze burger) samen met mij te wachten voor de Willemsbrug, die traag open ging. Ik kende de boze burger van het internet, waar hij frustratie en boosheid spuwt en scheldt, en ook van horen zeggen in de analyses van de samenleving. Maar nu zag ik dat geheimzinnige, bijna mythische wezen met eigen ogen op een grijze Amsterdamse morgen.

WillemsbrugHij zag er heel gewoon uit met een spijkerbroek en donkere jas aan. Net als ik stond hij op de fiets te wachten voor de open brug. Pas toen hij zachte, maar hoorbare geluiden van ongeduld begon te maken, herkende ik hem. De brug stond al een tijdje open en er kwam maar geen schip aan varen. Waarom stonden wij dan hier te wachten voor een open brug? Er verscheen een bootje van een of andere havendienst, maar dat was zo klein dat het gemakkelijk onder de brug door kon. De boze burger maakte meer en iets luidere geluiden van ongenoegen en het leek erop dat hij een gesprek met de andere slachtoffers zou beginnen. Ik verwachte een boze stem die op gefrustreerde toon lotgenoten zou zoeken. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiele telefoon en begon een filmopname te maken: langzaam draaide hij zijn telefoon van links via de open brug naar rechts, waar het havenbootje nog steeds stil lag te niksen. Op het moment dat hij zijn telefoon opborg, begon het brugdek weer te zakken.

De kans is groot dat de boze burger, aangekomen op zijn werk of thuis, het filmpje via sociale media heeft gedeeld met de boze en cynische opmerking: ‘Lekker wachten voor een boot die niet komt. #tijdgenoegzeker #tijdvooreenbrilbrugwachter.’ Of misschien heeft hij het ook naar de klantendienst van Waternet, dat de bruggen beheert, gestuurd met de vraag om uitleg en schadevergoeding.

Al kijkend naar de boze burger voelde ik overigens dezelfde emoties. Ik was op weg naar een vergadering en had haast, omdat ik te laat was vertrokken. Ongeduldig stond ik te wachten voor die open brug. En het uitblijven van een boot, maakte mij ook boos. Waarom sta ik hier voor niets te wachten? Ik heb wel wat beters te doen dan naar een brugdek en leeg water te kijken.

Achteraf denk ik: de boze burger en ik kunnen wel wat geduld gebruiken. En daarbij een beetje meer mildheid, humor en genade. En misschien zouden we elkaar dan een knipoog geven, goedemorgen wensen of een gesprekje beginnen over de teksten die op de onderkant van het brugdek staan. ‘Wat weten we van elkaar?’ staat er onder andere. Dat zou een leuk gesprek kunnen worden …

Afscheid van een burgervader

Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

Herdenkingsdienst Eberhard van der LaanDat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent.

Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen.

Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.

De aria’s van de schroothandelaars

schrootautoHerman van Veen zingt in zijn lied Hilversum III: ‘Alle venters hadden eigen aria’s: voor sprot en haring, voor begonia’s.’ Toen al — in 1984 — was de zingende mens uit het straatbeeld verdwenen. Daar is nog geen verandering in gekomen, maar er blijft één hardnekkige uitzondering in de Antwerpse straten: de Vlaamse schroothandelaars die oude metalen komen ophalen. Uit de megafoons, die ze op hun wagens hebben geïnstalleerd, schalt hun eigen aria. Ergens tussen trage rap en zangerig Gregoriaans klinkt hun eeuwig zich herhalend refrein: ‘Oud ijzer, lood, koper, zink, platte batteries en oude stoven’ — al is een variant met ‘oude wrakken van auto’s’ of een licht gewijzigde volgorde ook mogelijk.

Onlangs hoorde ik weer zo’n oud ijzer-wagen met een blikkerige zangstem door de straat rijden. Deze keer eindigde de aria met een langgerekt ‘ou-we stoa-ven’ (oude stoven). Het klonk vertrouwd, als het trage psalmgezang uit mijn jeugd. Ik heb er vaker wonderlijke associaties bij gehad. De allereerste keer dat zo’n aria mijn oor bereikte — het geluid kwam van ver en ik was nog onbekend met plat Antwerps — kon ik het helemaal niet thuisbrengen. De enige gedachte die bovenkwam was die aan een islamitische muezzin die vanaf een minaret Antwerpen opriep tot het gebed. Ooit had de muezzin van een moskee op de Olijfberg, nabij Jeruzalem, mij ’s nachts regelmatig wakker geroepen in zijn zangerig Arabisch dat veel te luid door de nacht schalde. Even dacht ik dit geluid weer te herkennen. Maar het bleek dus de stem van een van de leden van het Antwerps schroothandelaarsgilde te zijn.

Ik ben van die aria’s in plat Antwerps gaan houden. Ze zijn de laatste restanten van het zingen op straat in tijden van mp3’s, oortjes en bouwradio’s. Bovendien vertellen zij over een goed en nobel werk voor de samenleving en de aarde: recycleren. En ze herinneren me aan Christus. De dichter Gerrit Achterberg noemt Christus in het gedicht ‘Deïsme’, waarin hij de mens ziet als een door God achteloos in de berm gegooid leeg benzinevat, een ‘koopman in oudroest’. Wanneer het zangerig ‘Oud ijzer, koper, lood en zink’ weer in de straat klinkt, krijg ik even een beeld van die koopman in oudroest die mij vindt en komt ophalen voor een tweede, nieuw bestaan.

‘Christus acteert op tienduizend plekken’, zo heeft een andere dichter, Gerard Manley Hopkins, de aanwezigheid van Christus ervaren en proberen onder woorden te brengen (in het gedicht ‘As Kingfishers Catch Fire’). Hij duikt overal op en speelt op de meest wonderlijke plekken. Nederig acteert Hij in de stemmen van de schroothandelaars in mijn straat als de koopman in oudroest — de rol die Hem misschien wel het meest ligt.

Bidden met Mumford & Sons

voeten-1Tijdens de kennismaking van het groepje mensen dat zich een paar jaar terug op hun geloofsbelijdenis voorbereidde, ging het ook even over onze favoriete muziek. Daarbij viel de naam van de Britse band Mumford and Sons. Ik had nog nooit van hen gehoord, maar de naam bleef in mijn hoofd hangen.

Een tijdje later zocht ik in de bibliotheek tussen de cd’s en nam een cd van deze band mee naar huis. Ik was snel verkocht en ben een liefhebber geworden van deze stevige folkmuziek in combinatie met de poëtische en diepzinnige teksten vol bijbelse echo’s. Dat laatste hoeft niet te verbazen, als je weet dat frontman Marcus Mumford de zoon is van voorgangers in de Britse Vineyard-kerk. Mumford noemt zijn geloof niet duidelijk, maar ‘werk in uitvoering’ en de band wenst zich verre te houden van het label ‘christelijk’. Dat neemt echter niet weg dat hun songs doorspekt zijn met bijbelse beelden en de sfeer ademen van de existentiële worsteling waarvan de hele Bijbel doortrokken is. Heel wat songs hebben iets van moderne psalmen, worstelliederen waarin een mens vecht met zichzelf, het leven en God.

Een van die psalmen is het lied ‘Below my feet’ van het album Babel. Uit het donker van een (geloofs?)crisis — alles verloren en ondergedompeld in duisternis — klinkt het refrein als een gebed vanop het nulpunt:

‘Keep the earth below my feet
For all my sweat, my blood runs weak
Let me learn from where I have been
Keep my eyes to serve and my hands to learn
Keep my eyes to serve and my hands to learn’

Dit gebed is opgeroepen door de woorden van Jezus dat alles goed was en dus ook goed zal komen — ‘For I was told by Jesus all was well / so all must be well’ klinkt het in de tweede strofe. Mumford and Sons verwijzen — denk ik — naar een van de visioenen van de Middeleeuwse mystica Julian of Norwich, waarin Jezus haar verzekert: ‘Het komt allemaal goed, het komt allemaal goed, alles komt helemaal goed.’ Dat zijn van die zeldzaam goede woorden die een bodem onder het nulpunt en grond onder je voeten leggen.

Als ik dit nummer luister, zing ik het vrijwel altijd mee — als gebed om grond onder de voeten. Voor mij is dat een basis-gebed: grond onder je voeten, mijn voeten weer op de aarde. Als ik de pedalen dreig kwijt te raken, als de bodem onder wat ik geloof en wat ik zeg begint te schuiven, als ik me afvraag of het nog wel goed komt met ons mensen en deze aarde, dan bid ik met Mumford and Sons om aarde onder mijn voeten en levensgrond om op verder te gaan. Dat gebed is me dierbaar geworden, omdat het zo aards is: voeten, zweet, bloed, ogen en handen. Dit is geen spiritualiteit voor het wellness-centrum of voor gelovigen en spirituelen die willen zweven als een vlinder in een instagram-gefilterd bestaan. Nee, dit is het verlangen van een mens van vlees, bloed en zweet. Een mens die zich vastklampt aan de belofte en de hoop dat het goed komt en genoeg heeft aan grond onder de voeten om opnieuw op te krabbelen en verder te gaan met open ogen en handen.