Gods dwazen

In de christelijke traditie geldt hoogmoed als de grootste zonde. Een zonde die, volgens de Engelse schrijver C.S. Lewis, iedereen, inclusief de vromen en gelovigen, treft. Voorbeelden te over. In de Griekse havenstad Korinthe vonden Jezus’ eerste volgelingen dat zij, als wijze en spirituele mensen, het erg met zichzelf hadden getroffen, met als gevolg conflict, verdeeldheid en concurrentie over groepen en leiders. Daarop reagerend, schreef de apostel Paulus over Gods strategie om de hoogmoed klein te krijgen: ‘Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen.’ (1 Korinthiërs 1:27-28, Nieuwe Bijbelvertaling) God, zo heeft Paulus gemerkt, heeft ervoor gekozen om op de meest verachtelijke, dwaze en zwakke manier in de wereld te komen en mensen te verlossen — door de dwaasheid van de gekruisigde Christus en zijn even dwaze en onaanzienlijke volgelingen.

Driftwood Christ (Wrakhouten Christus); beeld van R. Baker, St. Mary’s Church Rye, Zuid-Engeland

Dit is geen toeval, maar een wet in Gods economie; zo werkt Hij. God kiest voor wat in de wereld niet meetelt en voor hen die als dwaas en zwak worden vergeten of weggezet. Daarmee draait Hij de rollen om en ondermijnt Hij de gangbare rang- en pikordes. Je komt dat overal tegen in het grote verhaal van God. In een boek haalde ik tien bijbelse buitenstaanders en randfiguren naar voren — sommige onaanzienlijk en veracht, andere eerder vreemd en van buiten, maar allemaal laten ze iets zien van hoe God hoogmoed en status doorprikt. Deze verhalen liggen mij na aan het hart, omdat ik in mijn leven iets van de bevrijdende kracht en werking van Gods tegendraadse manier van doen heb ervaren.

Ik ben God diep dankbaar voor zijn dwazen die mijn levenspad hebben gekruist. Ik zie ze nog staan in de Grote kerk van Gorinchem: een groep verstandelijk gehandicapten die op een zondagmorgen hun geloofsbelijdenis aflegden. Ik herinner me vooral die ene man nog. Hij was het die in elke dienst bij het laatste lied met grote overgave meeblies op zijn fluit. Op die morgen blies hij de dwaze verlossing van de nederige God recht mijn hart in. Later was er Marie-Louise op een bijbelkring in Brussel — een kwetsbare, lichamelijk beperkte vrouw, die vanwege haar eenvoudige puurheid een onuitwisbare indruk op mij maakte. Zij was een levende vraag van God aan mij, die op de rand van het werkende leven rook aan zoveel dat meetelde en iets was in de wereld. Waar wilde ik bijhoren, wat bepaalde wie ik was, waar wilde ik voor gaan? Bijna twintig jaar verder was het een vrolijke, chaotische verjaardag van vrouwen en kinderen zonder verblijfsvergunning, waarop ik iets proefde van een simpel godsvertrouwen waarvan ik de kracht nauwelijks kende. Bij deze mensen, die in onze samenleving letterlijk geen status hadden, verscheen Christus — zwak en toch sterk, veracht, maar zo levend en echt.

Geloven betekent voor mij ook: oog krijgen voor God die juist verschijnt in mensen die wij zwak, onbelangrijk of dwaas vinden én tegelijk zelf ook een beetje een dwaas van en voor God worden.

Hoe dichter bij Dordt …

Ik kom uit Gorinchem, een stadje aan de rivier de Merwede. Zo’n vijfentwintig kilometer verder stroomt deze rivier langs Dordrecht naar de zee. Al jong leerde je als Gorcummer dat je maar beter niet te ver met de stroom mee moest gaan, want ‘hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt.’ Maar de afgelopen tijd was het allesbehalve rot in Dordt. De stad werd vereerd met koninklijk bezoek, er verscheen een glossy met de naam ‘Dordt’ en in de kerkelijke pers en allerlei gereformeerde publicaties klonk unisono een loflied: ‘hoe dichter bij Dordt, hoe beter, actueler, dieper en bijbelser het wordt.’ Dan ging het echter niet over de stad, maar over de Nationale Synode die van 1618-1619 in Dordrecht werd gehouden.

800px-Synode_van_Dordrecht

Die vierhonderdjarige synode heeft Nederland direct en indirect veel opgeleverd: een nieuw belijdenisgeschrift (de Dordtse Leerregels), meer kerkelijke en nationale eenheid, de Statenvertaling uit 1637, de remonstrantse broederschap (het kerkgenootschap van de op de synode veroordeelde ketterse Arminianen) en in de loop van de vierhonderd jaar nog veel meer kerkscheuringen die te maken hadden met de interpretatie van zaken waarover de Dordtse synode uitspraak had gedaan. Het kerkelijke conflict waarover de Synode oordeelde had ook een politieke dimensie. Vier dagen na de laatste vergadering van de synode werd Johan van Oldenbarnevelt onthoofd. De tot levenslang veroordeelde geleerde Hugo de Groot wist twee jaar later in een boekenkist uit slot Loevestein via Gorinchem te ontsnappen. Op zijn vlucht zal hij Dordt waarschijnlijk hebben vermeden.

Die neiging heb ik eerlijk gezegd vandaag ook. Ik kijk een beetje argwanend naar al die lof op Dordt. Er gaat een belletje rinkelen als ik de ene na de andere collega-dominee en theoloog de lof hoor zingen van de synode en de leerregels van Dordrecht die zo zuiver de genade van God hebben weten te verwoorden en ook vandaag nog zo actueel zijn. Naar mijn gevoel zijn het net iets teveel pluimen op de eigen gereformeerde hoed en klopt die menselijke roem voor Dordt niet helemaal met de boodschap dat alles genade is. Bovendien vraag ik me af of je over een synode die uitspraken deed over de algehele verdorvenheid van de mens en over verkiezing én verwerping door God niet in een andere toonsoort moet spreken. Ook als je vindt dat de Dordtse vaderen de geheimenissen van God helder hebben verwoord, hebben ze het wel over een donkere, pijnlijke realiteit. Moet je daarom niet op een veel nederigere toon en met een ingetogenere taal spreken als je beseft wat die woorden betekenen — ook vandaag? In die zin hebben de Gorcummers misschien wel gelijk: hoe dichter je bij Dordt komt, hoe …