Reformatie als breuk

Ik las ergens de uitspraak dat de kerk filosofie werd toen ze in Griekenland kwam, wet toen ze in Rome arriveerde en business toen ze ten laatste in Amerika verscheen. Volgens mij zit er veel waarheid in deze uitspraak. Het christendom is een bewegelijke godsdienst, die vanaf begin de missie heeft gekend om het goede nieuws van Jezus over de ganse aardbol te verspreiden. Op die missie is de kerk niet bang om echt de kleur en de vorm aan te nemen van de cultuur die ze voor Christus wil winnen. Dat is het principe ‘voor de Joden een Jood en voor de Grieken een Griek worden’, zoals de eerste grote missionaris van het christendom, de apostel Paulus, het onder woorden bracht (1 Korinthiërs 9:19-22).

rp-p-ob-78-822.jpgDit principe is zowel de kracht als de zwakte van de kerk. Zeker wanneer ze verbonden raakt met de macht en een dominante plek in een cultuur gaat innemen, kan ze zoveel van die cultuur in zich opnemen dat ze haar eigenheid verliest en haar oorsprong verloochent. Dat is vaak gebeurd: Christus die als een Germaanse Held en Krijger of een esoterische wijsheidsleraar uit het Oosten wordt verstaan en vereerd. Of de kerk die langzaam de vorm van een Romeins bestuursapparaat aanneemt. Of de evangelisten die zich voordoen als ordinaire verkopers van het beste spirituele product ever en een kerk runnen naar kapitalistisch model (gericht op groei en winst).

Daarom blijft de kerk geroepen tot hervorming of reformatie. Hervorming is niet een simpel terugkeren naar de bron en het weer gaan doen zoals het in een gouden tijd gedaan zou zijn. Het is ook geen deel van het proces van vooruitgang en vernieuwing, op basis van het moderne westerse dogma dat de mensheid altijd vooruit gaat of zou moeten gaan. Het is de noodzakelijke kritiek op de bestaande vormen van geloof en kerk, getoetst aan de bron waarmee het allemaal is begonnen: Christus zoals Hij aan ons verschijnt in de bijbelse geschriften.

Het is lastig en grappig tegelijk dat ook het verlangen naar hervorming vaak de vorm aanneemt van de cultuur waarin gelovigen leven. Ook vandaag leeft er in de westerse kerken een breedgedragen besef dat het met de kerk anders moet. En wij — beoefenaars van memo’s, zoals de Amerikaanse theoloog Walter Brueggemann de westerse mens typeert — vormen commissies, maken beleid en strategie, zoeken naar behoeften en doelgroepen, vergaderen en organiseren. Zo werken we in de vormen en met de instrumenten van kapitalisme, democratie en bureaucratie van de 21e eeuw aan hervorming. We zijn immers kinderen van onze tijd.

Toch lijkt dit niet genoeg. Mij trof in een boek van de historicus Heiko Oberman over de reformator Martin Luther dat deze volgens Oberman geen plan of programma voor de reformatie had. Luther zelf verstond de reformatie als een gebeuren waaraan ook hij was overgeleverd en dat hem van hogerhand overkwam. Daarmee brak de reformatie het Europese christendom van die dagen open en stuk — kritisch en oordelend, maar ook bevrijdend. Dat lijkt mij een kenmerk van echte reformatie — of ze nu klein in levens van individuele mensen of een kerkgemeenschap of groter in een kerk of samenleving plaatsvindt. De religieuze, sociale of culturele vorm waarin het leven is bekneld geraakt moet doorbroken worden, zodat er een andere vorm geboren kan worden. Die doorbraak en geboorte komt van een andere kant, van God. Dat is de pijnlijke, maar bevrijdende ervaring van reformatie. Ik blijf erop hopen in onze tijd.

Heiko A. Oberman, Luther: mens tussen God en duivel (Kok 1988) p. 310.
Deze post verscheen ook op refo2017.be en in het Nederlands Dagblad

Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, ‘De Bijbel op de weegschaal’

Wij zijn bedelaars

Wat moet ik doen als ik een bedelaar tref? Het gebeurt regelmatig dat je op een station of in een winkelstraat opeens een kartonnen bekertje voor je ziet opdoemen of wordt aangesproken door iemand die geld nodig heeft voor de nachtopvang of een treinticket. Al jaren houd ik aan de ontmoetingen met mijn bedelende medemensen een onrustig gevoel over. Er klopt iets niet. Als ik zonder te geven doorloop, voel ik me een ongevoelig en egoïstisch mens. Maar geven leidt meestal ook tot een ongemakkelijk gevoel — ‘Heb ik er goed aan gedaan? Heb ik hiermee echt iemand geholpen of alleen mijn schuldgevoel afgekocht?’ En wanneer ik probeer om de bedelaar gewoon als mens te ontmoeten en een praatje maak of het voorstel doe om een koffie te gaan drinken, schaam ik me al snel voor mijn goeddoenerij — ‘Zie mij weer bezig als de morele wijsneus die niet gewoon een aalmoes wil geven, maar voor Jezus wil spelen.’

Kreislauf_des_Geldes,_Aachen,_BettlerMisschien is dat onrustige gevoel wel onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van bedelaars in een rijke samenleving. Bedelaars horen er niet te zijn als onze morele inzet en menselijk aanvoelen consequent en ruimhartig vertaald werden in actie. Maar ondanks alle beleid, protest, engagement, opiniestukken, preken en gemoraliseer blijven ze in ons midden. Het is de paradoxale, harde realiteit die de Bijbel al heeft aangevoeld. In de sociale wetten van het bijbelboek Deuteronomium (hoofdstuk 15) lezen we eerst de belofte dat er ‘niemand van u in armoede zal leven’, terwijl nog geen tien verzen verder de constatering volgt dat er bij u altijd armen zullen zijn. Die constatering is overigens geen uiting van onverschilligheid of berusting, maar wordt gevolgd door de oproep tot vrijgevigheid.

Juist omdat armoede en bedelarij als extreme en zichtbare vorm daarvan een ongemakkelijke realiteit in onze samenleving zijn, lijkt het me goed om dat onrustig makende gevoel bij de confrontatie met bedelende mensen niet weg te duwen. In veel steden bestaan regels die bedelaars uit het straatbeeld proberen te weren. De stad Antwerpen, waar ik woon, weert bedelaars van de plekken waar veel shoppers en toeristen komen. Dus zijn de grotere winkelstraten en toeristische trekpleisters voor hen verboden gebied. En als die regels niet worden gerespecteerd, kun je als toerist of shopper de bedelaars gewoon negeren of ze wegdenken met simpele oordelen als ‘Eigen schuld’, ‘Laat ze eerst van de drugs afblijven’ of ‘Er zitten criminele bendes achter’. Maar de werkelijkheid is meestal niet zo simpel, zoals de oplossing dat ook niet is. En die lastige werkelijkheid moet je niet wegpoetsen of wegkijken, maar juist in de ogen zien.

Als je dat doet en daarbij beseft dat de werkelijkheid van bedelen en armoede niet eenvoudig is, zal het antwoord op mijn vraag wat ik moet doen ook niet zo simpel zijn. Geven is volgens mij spiritueel zeer gezond en ik vind ook dat je beter teveel goed kan doen, dan te weinig. Maar geven vanuit schuldgevoel, plichtsbesef of medelijden is niet altijd goed en zinvol. Goed doen vraagt immers ook om doordachte reacties die recht doen aan de situatie en aan de ander die een beroep op mij doet. Dat betekent volgens mij ook dat een maatschappelijke reactie van belang is.

Ik denk vooral dat het goed is als ik een bedelend medemens gewoon tegemoet treed als mens. Weliswaar een mens die medelijden en soms evenzeer afkeer en irritatie oproept, maar toch een mens. Hoe groot het verschil ook mag zijn tussen enerzijds de Oost-Europese vrouw met kromme voeten en een bordje met de nog krommere tekst waaruit ik opmaak dat ze ook nog voor kinderen moet zorgen en anderzijds de Westerse middenklasse man die ik ben, we zijn allebei mensen. En wanneer ik dat niet zo voel of zie (omdat ik druk ben, me te hoog acht of zij zich te laag opstelt), geloof ik het. Zij en ik, wij zijn allebei mensen en schepselen van God. Dat brengt ons bij elkaar en maakt dat zij voor mij een medemens is die een appèl op mij doet en dat ik voor haar een medemens ben met wie zij contact maakt.

Is het echt zo moeilijk om de ander als mens te zien? Je moet dan wel door het verschil en de ongelijkwaardige relatie van het bedelen heenkijken. Je moet daarbij ook jezelf en je middenklassestatus niet al te serieus nemen. Soms moet je natuurlijk ook door de bril van het geloof kijken: hier zit of staat een schepsel van God. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het kan. Als ik erover nadenk komen er herinneringen boven aan korte ontmoetingen — een paar woorden, een gesprekje bij een beker koffie, even oogcontact, een grap en een lach. Gewoon menselijk, waarbij dat verschil tussen bedelaar en aalmoesgever werd overbrugd of zelfs omgedraaid. Dat ik iets ontving in die ontmoeting waar ik niet om had gevraagd, maar diep van binnen wel naar verlangde.

Ik ben uiteindelijk ook een bedelaar — een mens die moet leven van wat anderen en God mij geven. ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar,’ waren de laatste geschreven woorden van de Duitse reformator Martin Luther. Hoewel het Luther ging om de houding van een mens die de heilige Schriften leest en probeert te verstaan, zijn die woorden hun eigen leven gaan leiden. Dat lijkt me in dit geval alleen maar mooi. Wij zijn allemaal bedelaars. Hoezeer de goden van vandaag ons ook modelleren naar hun eigen beeld — het beeld van de consument die zich gelukkig koopt, van de sterren die hun succes en aandacht verdienen en van het individu dat verantwoordelijk is voor eigen welslagen en geluk. Het zijn dominante beelden vandaag van wat mens zijn inhoudt, maar ze kunnen nooit het beeld van de bedelende mens wegdrukken — de mens die ten diepste en uiteindelijk verlangt om eenvoudig gezien, gekend en bemind te worden.

Deze blog is ook geplaatst op De (s)preekstoel van Knack.be

Afbeelding: Karl-Henning Seemann, Kreislauf des Geldes, detail Bettler (Aachen, Duitsland)