Goddelijk

Het Parool leek op aswoensdag wel een religieus blad. Op de voorpagina prijkten tegen een zwarte achtergrond drie juichende godenzonen — boven hen de extatische meditatie van sportverslaggever Henk Spaan met de titel ‘Goddelijk’ in kapitaal wit.

copyright: Het Parool; foto ANP Alaf Kraak

Ajax had dinsdagavond het machtige Real Madrid in hun eigen heilige voetbaltempel Bernabéu vernederd en zich op magistrale wijze toegang verschaft tot de kwartfinales van de Champions League. Voor dat wonder werden alle superlatieven die het Nederlands rijk is van stal gehaald, met als summum ‘goddelijk’.

Nu heeft het profvoetbal in onze wereld natuurlijk ook een goddelijke status. Als je bedenkt hoeveel geld, aandacht en woorden er wereldwijd aan voetbal worden besteed, besef je dat we het niet meer over een gewoon spelletje hebben. En als je aan het begin van een wedstrijd de Champions League hymne hoort, krijg je het idee dat je eerder een deelnemer aan een religieuze hoogmis, dan een kijker naar een sportwedstrijd bent. Sociologen zeggen terecht dat sport, en voetbal in het bijzonder, voor een deel de rol van religie heeft overgenomen in onze ontkerkelijkte samenleving. Voetbal is een religie en dinsdag was Ajax de god die Amsterdam even het hemelse geluk deed smaken.

Vanuit het christelijk geloof bezien, is hier dus sprake van afgoderij, dat is: iets of iemand de plek, status en eer geven die alleen God toekomt. En afgoderij is een probleem, omdat afgoden wel de plek van God innemen, maar dat nooit kunnen waarmaken. Dusan Tadic kan je met zijn pirouette en goal in de kruising misschien wel een hemels gevoel geven, maar verder heeft hij je niet veel te bieden. Bovendien leert het leven ons dat het hemelse gevoel dat de lokale voetbalgod zijn dienaars en aanbidders schenkt nogal wisselvallig is. Dat was dinsdag pijnlijk te merken in de vernedering van de Madrileense godenzonen en de tranen en fluitconcerten van hun volgelingen. En dan heb ik het nog niet over de oppergod Mammon (de bijbelse god van geld en bezit) die in de religie van het profvoetbal schaamteloos aanbeden wordt.

Maar als inwoner van de Amsterdam, die bovendien in zijn jonge jaren op het veldje voor zijn ouderlijk huis altijd een Ajax-held speelde, wil ik niet zuur doen. Ik gun iedereen (en mijzelf) oprecht dat kortstondige moment van geluk en euforie. Bovendien heeft de overwinning van Ajax ook wel een echt goddelijke smaak. Je proefde dinsdagavond in die afgodische tempel iets van de ware God. Zat het goddelijke van die 1-4 triomf niet vooral in het feit dat de kleine David het won van de Goliath met het grote geld? Dat de hoogmoedige kampioenen die de overwinning in hun zak leken te hebben te kijk werden gezet? Dat de oude, vermoeide goden werden weggespeeld door een elftal dat geloof en moed uitstraalde? Dat er iets gebeurde dat je voor onmogelijk hield? Dat ís ook Goddelijk: een verrassende, onmogelijke overwinning, die de logica, wetten en verwachtingspatronen van positie en geld doorbreekt.

Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen de Ajax-goden en de ware God wel op. Die laatste vecht, verliest en wint in de echte wereld met en voor de mensen met hun bloed, zweet en tranen, terwijl voetbal een spelletje in een arena en voor de camera’s blijft. De ware God behaalde zijn onmogelijke overwinning immers aan het kruis — een mislukking aan een martelwerktuig. Die God is als je het goed bekijkt veel minder goddelijk dan de afgoden, wier goddelijkheid alleen blinkt in de triomf en de glitter en de glorie van een voetbaltempel. De goddelijkheid van de ware God verschijnt vreemd genoeg in het menselijke lijden van zijn Zoon Jezus. En die vreemde triomf door het lijden en de dood heen geeft je als mens niet alleen een smaak van hemels geluk, maar ook houvast, troost en hoop in je gewone sterfelijke mensenleven.